Tweede hoofdstuk.

En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.

Joh. 14 : 16.


De onderscheidene naam, die in de Heilige Schrift aan den Heiligen |78| Geest wordt gegeven, is die van „Trooster”. „Ik zal u een anderen Trooster zenden”, sprak Jezus tot zijn jongeren, „opdat die bij u blijve in der eeuwigheid”.

Wat beteekent nu deze naam: Trooster?

In het oorspronkelijke Grieksch staat hier een woord, dat letterlijk beteekent: iemand die er door u bijgeroepen, ingeroepen, te hulp geroepen wordt. Paracletus toch is saamgesteld uit twee woorden. Para beteekent bij en cletus de geroepene. „Trooster” heet dus eigenlijk in het Grieksch: de tehulpgeroepene.

Dit „Paracletus” is geheel hetzelfde woord als het woord Advocaat. Ook dit woord beteekent letterlijk: een tehulpgeroepene, en is saamgesteld uit ad, dat bij, en vocaat dat geroepene beteekent. Vandaar dat oude vertalingen, voor dit woord Trooster dan ook wel het woord Advocaat hebben. „Ik zal u een anderen Advocaat zenden, die bij u eeuwiglijk blijft.”

Toch is de vertaling Trooster, en niet die van Advocaat juist. Niet van een Pleitbezorger, maar alleen van een Trooster is hier sprake.

Vraagt ge nu, hoe dit dan saamhangt, dat Paracletus toch eigenlijk „bijgeroepene of advocaat” beteekent, en dat het bier toch niet door Advocaat maar door Trooster moet vertaald worden, dan ligt het antwoord gereed.

Er kan toch tweeërlei nood zijn, waarin ik iemand te hulp roep. Of een nood, die mij door anderen wordt aangedaan, en dan heb ik iemand noodig, die optreedt om voor mij bij anderen te spreken, en dus een advocaat; een pleitbezorger. Of het kan een nood zijn, die in mijn eigen binnenste ontstond door de worsteling, waarin ik met mijzelven lag, en dan heb ik iemand noodig, die niet voor mij, maar tot mij spreekt en mij in mijzelven troost.

Het uitgangspunt is hier dus een zondaar, die in zijn ongeluk ligt en zijn ellende voelt. In dien nood tast hij rond naar hulp en roept om een die hem helpen kan. Nu heeft hij in dien nood tweeërlei noodig. Vooreerst een Advocaat of Voorspreker, die voor hem intrede bij den Vader, en zijn zaak bij God bepleite. En dien vindt hij in den Zoon, waarvan de heilige apostel Johannes in zijn zendbrief zegt: „Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den Rechtvaardige.” En slaat ge nu het Grieksch op, dan vindt ge hier voor Voorspraak precies hetzelfde woord gebruikt, dat in Joh. XIV : 16 voor Trooster staat. Ook de Immanuël heet hier Paracletus.

Maar al bezit nu een zondaar zulk een Voorspraak of Paracleet bij den Vader, om zijn rechtzaak te twisten, daarmee is hij er nog niet. Hem blijft over de innerlijke verscheuring van zijn ziel, zijn gemis aan innerlijke |79| harmonie en vrede, de verbreking van zijn evenwicht. Hij kent nu zijn zonde en juist daarom is hij onder die wetenschap en kennis zijner zonde zoo troosteloos ongelukkig. Vandaar dat zijn innerlijk uiteengereten en bloedend hart nu ook behoefte gevoelt aan innerlijke balseming van zijn wonde; dat het in zijn wreede verlatenheid en bange eenzaamheid smacht en snakt naar iemand, die het stille en van vrede spreke. En nu wordt de Heilige Geest de „tehulpgeroepene”. En nu komt ook de Heilige Geest hem te hulpe, niet om in Jezus’ plaats bij den Vader te gaan pleiten, maar om te pleiten bij zijn eigen hart; hem in de diepte van zijn eigen gemoed den vrede te hergeven; en in het verborgenste zijner ziele hem toe te brengen, wat we bij rouwe en zielsverscheuring noemen Troost.


Al zegt Jezus dus: „Ik zal u een anderen Paracleet (Trooster) zenden die bij u blijft in der eeuwigheid”, daaruit volgt nog geenszins, dat Jezus zelf daarom ophoudt onze Paracleet te zijn. Immers in 1 Joh. II : 1 wordt Jezus nog altoos uitdrukkelijk onze Paracleet genoemd. Al het verschil is maar, dat Jezus onze Paracleet bij den Vader is, terwijl de Heilige Geest de Paracleet is bij ons eigen hart. De bezorger onzer ziele nu, die voor ons bij den Rechter intreedt, is onze Advocaat; wie daarentegen op ons eigen hart toetreedt en ons verzoent met onszeIven en met onzen toestand, is onze Trooster. Advocaat en Trooster zijn dus beiden personen, die door een ellendige te hulp worden geroepen; slechts met dit onderscheid, dat de Advocaat in uw plaats naar den rechter gaat om het pleit over schuld en straf voor u te voeren; terwijl de Trooster niet van u weggaat, maar bij u blijft, niet voor u, maar bij u pleit; niet over u, maar tot u spreekt, en u innerlijk troost over uw smart en rouwe.

Roept ge nu in zulken nood dezen pleitbezorger of trooster slechts een enkele maal in, dan zijn ze wel advocaat en trooster, maar ze bekleeden die functie bij u niet duurzaam. Hier echter hangt een altoos doorgaand proces bij God en is een nimmer eindigende smart voor uw ziele. Een zondaar kan geen oogenblik zonder den Middelaar die voor hem intreedt, en een verbrijzelde ziel, die gansch ontbloot is, kan geen oogenblik buiten den Trooster die haar opricht. En omdat nu de zondaar overal elders vruchteloos hulp heeft gezocht, maar door Jezus er is uitgeholpen, belijdt hij, dat Jezus alleen zijn Voorspraak of Advocaat is. En omdat zulk een verslagene van geest wel overal elders troost heeft gezocht, maar alleen door de uitspraak van den Heiligen Geest verlichting van smart heeft ervaren, belijdt hij dat de Heilige Geest alleen zijn innerlijke Toespreker is, en noemt hij dien Geest alleen zijn Trooster.

Toch is hiermee nog niet geheel verklaard, waarom de Heere Jezus |80| zegt: „Ik zal u een anderen Trooster zenden.” Hier ligt duidelijk in opgesloten, dat Jezus zelf dusver deze hun Trooster geweest was; dat Jezus zelf nu ophield het te zijn; en dat in zijn plaats nu de Heilige Geest als een andere Trooster zou komen. En dat wel met dien verstande dat, terwijl Hij zelf een Trooster was geweest, die slechts voor een tijdlang bleef en nu weer heenging, deze andere Trooster nooit weg zou gaan; maar „zou blijven in der eeuwigheid”.

Op dit laatste valt nu de nadruk, waarom het ook tot tweemaal toe door Jezus herhaald wordt. Eerst zegt hij vs 16: „Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid”, en dan herhaalt Hij in vs 17: „De Geest der waarheid, dien de wereld niet kent; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.”

Dit nu is zóó te verstaan.

Zoolang Jezus zelf op aarde was vervulde Hij de dubbele taak. Hij was paracleet als Advocaat, want Hij trad in bij God voor zijn jongeren en bad dat hun geloof niet mocht ophouden, Maar ook tegelijk was Hij paracleet als Trooster, want Hij sprak henzelven toe en schonk hun woorden van goddelijke vertroosting.

Dit laatste echter kon Hij alleen zoolang doen, als Hij persoonlijk op aarde met hen verkeerde. Nu daarentegen de ure gekomen was, dat Hij van hen scheiden en heengaan zou tot den Vader, nu bleef Hij wel hun Advocaat, en zou in dien zin zelfs nog beter dan dusver hun Paracleet of Voorspreker zijn bij den troon der genade; maar hun Paracleet als Trooster was Hij van die ure af niet meer. Iemand kan mijn advocaat zijn, ook al is hij op uren afstands van mij verwijderd; zoo hij maar bij den rechter is waar mijn zaak bepleit wordt; maar iemand kan mijn trooster slechts wezen; als hij bij mij is en mij persoonlijk toespreekt.

Vandaar dat er in dit zeggen van Jezus tweeërlei ligt. Vooreerst de aankondiging dat Hij van nu af aan op zal houden in dien engeren zin hun Trooster te wezen; omdat Hij nu niet langer bij hen kan blijven. En ten andere dat voor Hem in de plaats nu de Heilige Geest als Trooster komt, en dat ze aan dezen zooveel meer hebben, omdat deze niet weggaat, maar bij hen blijft in der eeuwigheid.

Het heengaan van Jezus, eer zij nog zijn opstanding en zijn hemelvaart kenden, moest een ontzettende breuke in het hart der discipelen slaan. Ze konden niet meer buiten Jezus. Ze hadden zich geheel op Hem geworpen, in alles aan Hem toevertrouwd. Zijn heengaan was hun iets, alsof men aan den visch het element onttrok waarin die visch alleen kan leven. Zonder Jezus waren ze niets. Ze hadden gehoopt dat het zonder |81| verbreking of stoornis, altoos zoo in zalig genieten zou doorgaan, tot het Koninkrijk der hemelen geopenbaard wierd. En zie, nu gaat Jezus weg, en laat hen alleen.

Deswege is het niet genoeg dat Jezus hun nu zegt: „Ge zult daarom niet van Trooster beroofd worden, want in mijn plaats ontvangt ge den Heiligen Geest als Trooster.” Neen, er moet meer bij. Er moet ook de verzekering aan toegevoegd, dat die Heilige Geest niet, evenals Jezus zelf, straks weer van hen weggaat, zoodat het een eindelooze onrust en onzekerheid voor hen zou blijven. Ze moeten thans tweeërlei weten: èn dat er een andere Trooster voor Jezus in plaats komt, èn dat deze andere Trooster hen niet weer zal teleurstellen, door straks weg te gaan; maar bij hen blijft eeuwiglijk.


Hieruit blijkt echter tevens, hoe ongerijmd het is, in den Heiligen Geest een Trooster te begroeten, die dáárom Trooster zou heeten, overmits Hij de jongeren troosten zou over het heengaan van Jezus.

Toch stelt men het zoo niet zelden voor. De jongeren waren nu overgelukkig en rijk in het bezit van hun Heere en Heiland. Nu ze merken dat Hij weggaat, heeft droefheid hun hart bevangen. En over dit leed, over deze smart, over dit heengaan van Jezus, over het verlies dat te lijden stond, zouden ze nu getroost worden door den Heiligen Geest.

Deze voorstelling echter moet geheel verworpen en met tak en wortel in de gemeente uitgeroeid. Immers als dat waar was, dat de Heilige Geest alleen Trooster heette, omdat Hij de discipelen over het verlies van hun Heere troostte, dan zou de Heilige Geest uitsluitend een Trooster voor de elf discipelen geweest zijn, en nooit Trooster wezen voor u of mij. Wij genoten nooit Jezus’ omgang op aarde. Wij zijn niet aan een kennen van Jezus naar het vleesch gewend. Voor ons trad er dus geen verlies in. Wij kennen hun teleurstelling en dus ook hun angst en zielsheimwee niet. Hün gevoel van eenzaamheid en verlatenheid heeft nooit ons hart bekropen. En zoo spreekt het dus wel vanzelf, dat wij ook geheel onvatbaar zouden zijn, om getroost te worden over een gemis, dat we nooit kenden.

Maar er is meer.

Als Jezus bedoeld had, dat de Heilige Geest hen troosten zou over zijn heengaan en deswege den naam van Trooster zou dragen, dan had Hij nimmer kunnen zeggen: „De Vader zal u een anderen Trooster zenden.” Dan toch hadden ze zoolang Jezus bij hen was nooit aan een Trooster behoefte gehad; en kon de Heilige Geest niet een andere Trooster zijn, maar was Hij de eerste en eenige Trooster, wiens vertroosting ze zouden indrinken. Nu Jezus daarentegen den Heiligen Geest duidelijk „een anderen |82| Trooster” noemt, en dus zichzelven als eersten Trooster qualificeert, volgt hieruit daghelder, dat èn Jezus èn de Heilige Geest beiden Troosters waren, en dat er dus sprake is van een rouw, een smart en zielsheimwee, dat niets met Jezus’ heengaan te maken heeft.

En eindelijk, heel de onderstelling is valsch, alsof voor de discipelen vertroosting over het heengaan van Jezus noodig zou zijn geweest. Ongetwijfeld behoefden ze die tot aan zijn opstanding en hemelvaart; maar langer ook niet. Als straks Immanuël verrezen is, is alle droefheid van het hart der jongeren weggenomen en jubelen ze in heerlijke vreugde. En als na veertig dagen hun Heiland ten hemel is gevaren, dan is er niemand onder hen die Jezus op aarde terug bidt, of klaagt over een verlies dat ze leden, maai dan wedijveren allen om de wereld in te gaan en te roemen in den rijkdom hunner hope en hunner roeping, dat ze een Heere en Meester hebben, die nu gezeten is aan Gods rechterhand, aan de Majesteit in de hemelen.

De uitdrukkelijke bijvoeging: „Een andere Trooster, die bij u blijft in der eeuwigheid”, sluit dus elke mogelijkheid om hier aan een Trooster over het tijdelijk verlies van Jezus’ bijzijn te denken, geheel uit.

Er is hier van geen weekelijkheid der aandoeningen noch van een smart over verlies van een die heenging sprake. Het geldt hier een smart, een rouwe, een innerlijke verscheuring, die èn tijdens Jezus’ zijn op aarde, èn na zijn hemelvaart, tot aan het sterven toe voortduurt. Er is sprake van een eindelooze smart, en die juist te dier oorzake roept om een Trooster, die altoos zal blijven.


Van deze smart nu ligt de verklaring in den grond onzer schepping en in het wezen van de godsvrucht, dat daarmee saamhangt.

Onze schepping is een schepping naar den beelde en de gelijkenisse Gods geweest. Hierdoor was in onze schepping zelve de teederste en innigste band tusschen het Eeuwige Wezen en onze menschelijke persoonlijkheid gelegd. We waren in zekeren zin genomen: van Gods geslachte. De mogelijkheid onzer roeping om kinderen Gods te worden, ligt uitsluitend in dit geschapen zijn naar Gods beeld.

Had nu de mensch zich in het paradijs steeds heerlijker ontplooid, en ware hij, zonder val, den hemel ingegaan, dan zou deze schepping naar den beelde Gods vanzelf ongemerkt bij hem geleid hebben tot heerlijker en inniger vertrouwen, tot teederder en vromer gemeenschap, en eindelijk zou het zulk een inleven van den mensch in God en van God in den mensch zijn geworden, dat het „schepsel naar den beelde Gods” metterdaad den rijkdom van dat goddelijk Beeld had vertoond. |83|

Maar nu door den val ging het omgekeerd, al verder van God af. Innerlijk een drang, een leegte, een heimwee, een bange verscheurdheid, die hij niet begreep, maar die enkel daaruit voortkwam, dat hij er op aangelegd was, om steeds inniger gemeenschap met zijn God te hebben, terwijl hij toch feitelijk steeds verder van Hem afdoolde.

Zoolang hij nu bij deze verscheurdheid innerlijk slaapt, in zwijm ligt en bedwelmd is, deert hem dit niet. Soms, een enkel oogenblik, moge er dan als een bliksemglinstering door zijn hart schieten en de donkere diepte zich ijzingwekkend voor hem ontsluiten, dat bij beeft en siddert, maar toch deze oogenblikken van siddering werken zijn bekeering niet. Straks slaapt hij weer in, zijn oog sluit zich en hij weet niet van zijn smart.

Maar ging dat oog der ziel door inwerking van wederbarende genade open, en kreeg hij kennis aan zijn innerlijke verbrokenheid, o, dan schrijnt hem dat bange zielswee bij dagen en bij nachten door de wonden van zijn hart, en al zijn ademtocht en al zijn zielzucht is één roepen om een Trooster, om één die met dezen moede een woord te rechter tijd spreken kan.

Maar wat baat het zulk een ontdekt zondaar nu, of hij al weet dat de almogende en alomtegenwoordige kracht Gods hem draagt en in stand houdt? En ook wat baat het hem, of hij al weet dat de Middelaar voor hem intreedt bij den Vader en dat zijn zonden verzoend zijn? o, Dat alles is wel kostelijk en goddelijk groot. Maar wat zal het hem baten, als zoo kostelijk goed en zoo goddelijke schat hem niet innerlijk te genieten wordt gegeven aan de ziel? Uw disch is rijk gedekt en overvloed van spijs en drank dekt uw tafel, maar, ai mij, wat baat mij die weelde en overvloed, zoo de trek, de smaak, de innerlijke harmonie met die spijs mij niet toekomt? Dan verhonger ik bij den rijksten disch, en de blijdschap komt niet. Eer wordt het een terging.

En daarom hoe rijk ook het voorwerpelijk heil voor mij zij uitgestald, en hoe hoog ook de lof en de prijs en de eere ga voor wat èn Vader èn Zoon voor mijn heil en redding tot stand brachten, toch werkt het niet en brengt geen juichtoon op de lippen en kan de ziel niet verkwikken, als de Heilige Geest niet innerlijk in ons indringt, om in ons dat heil te begeeren; er trek, er dorst, er honger naar te wekken; het geloof in beweging te zetten om het tot ons te nemen; en bij het tot ons nemen van die spijs des levens ons den smaak te geven voor haar geur en haar sap.

Op God zelf is de ziel aangelegd, en daarom kan ze in niets minder dan in God zelven rusten. En zoo maakt juist ons geschapen zijn naar Gods beeld, dat er geen vrede, geen harmonie, geen evenwicht, geen innerlijke |84| vreugde in ons hart kan wederkeeren, tenzij God zelf tot ons inga, in onze eigen ziel indringe, ons innerlijk toespreke en vertrooste, om door dat rijk bezit van God den Heiligen Geest in ons, aan alle gevoel van gemis een einde te maken, en in ons een fontein te doen ontspringen, wier wateren vloeien met nimmer eindigende weelde.

Komt nu eenmaal de ure, dat alle zonde wegvalt en we geheel rein en heilig, zonder vlek of rimpel voor Gods troon zullen staan, dan zal natuurlijk dit inwonen van den Heiligen Geest in ons niets zijn dan een volkomen ontplooiing in ons van het beeld Gods. Nu echter, nu de zonde nog aanhoudt, en nog nawerkt, en nog scheiding in ons teweegbrengt, nu treedt de Heilige Geest in ons eigen hart bij en tegenover onzen eigen geest op.

Telkens ervaren we dan ook die tweeheid. We kunnen zeer scherp onderscheiden tusschen de booze tochten en influisteringen van onzen eigen geest, en de heilige goddelijke inspraak in ons van den Geest des Heeren Heeren. Zoo draagt dus dit werken van den Heiligen Geest in ons metterdaad het karakter van een inwoning. Onze eigen geest weet zeer wel, dat er drieërlei sprake in ons hart omgaat. Vooreerst de sprake van onzen eigen Geest. Dan in booze, bange oogenblikken het gefluister van den Geest van Satan. Maar dan ook geduriglijk de inspraak van den Heiligen Geest.

Het kwam dus metterdaad, zou er vertroosting meer dan in naam zijn, op een inkomen en inwonen van God zelf in ons, eigen binnenste aan. En overmits nu niet de Vader en niet de Zoon, maar de Heilige Geest in het Drieëenig Wezen die persoon is, die de verborgen levensvonk in het bewustzijn van den enkelen mensch brandende houdt, zoo moet deze inwoning van God in ons wel zeer bepaaldelijk een inwonen van den Heiligen Geest worden.

Uit den Vader is het al en de Vader draagt ons en omsluit ons en doordringt ons met zijn almogende en alomtegenwoordige kracht. Door den Zoon zijn alle dingen en de Zoon draagt ons door het Woord zijner kracht, en nam onze menschelijke natuur aan, en is het Hoofd des lichaams geworden. Maar persoonlijk, in het bewustzijn van den enkele, achter het gordijn van de mysteriën onzes gemoeds dringt alleen de Heilige Geest.

Niet natuurlijk, alsof dit de heilige presentie van den Vader en den Zoon uitsluit. Van uitsluiting kan hier geen sprake zijn. In het komen van den Heiligen Geest is altoos tegelijk een komen van den Vader en den Zoon. Alleen maar het is altoos de Heilige Geest die komt, en het is alleen door zijn komen dat er ook gemeenschap met den Vaderen met den Zoon bestaat.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002