Zondagsafdeeling XX.



Vraag 53. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?

Antwoord. Eerstelijk, dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten andere, dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een oprecht geloove Christus en aller zijner weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwiglijk blijve.




Eerste hoofdstuk.

Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen.

Joh. 15 : 26.


Van „God den Heiligen Geest” handelt de Heidelberger Catechismus in het oog loopend kort. In ééne Zondagsafdeeling; met ééne vraag en antwoord; en dan nog wel een antwoord van nog geen vier tamelijk korte regels, wordt heel dit heilig mysterie afgedaan.

Er wordt gevraagd: „Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?”, en hierop kortweg tweeërlei geantwoord: „Eerstelijk (wat zijn Wezen betreft), dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. En ten andere (wat zijn werk aangaat), dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij, door een oprecht geloof, Christus en aller zijner weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwig blijve!

Er is voor deze kortheid van behandeling tweeërlei oorzaak.

Vooreerst toch vergete men niet, dat al onze Hervormers gewonnen en geboren, gedoopt en geconfirmeerd waren in de Roomsche kerk; en dat in de kerk der Middeleeuwen de uitwendige viering en schildering van het Verlossingswerk tot veel sterker ortwikkeling was gekomen, dan de inwendige toepassing er van. Rome was er uitnemend in geslaagd, om door haar zevenweeksch vasten, door haar „evangeliën”, door haar „statiën”, |71| door haar afbeeldingen, en door haar sensualistische bespreking van het „bloed Christi”, aan het uitwendig Lijdensdrama een machtige plaats in de voorstelling van ons toenmaals levend geslacht te verzekeren. Elke tot zelfs de kleinste bijzonderheid uit het lijden van Christus had zeer hooge beteekenis gekregen, was door- en ingedacht, en opgenomen in den kring der heilige dingen, waarmee het publiek gemeenzaam wierd. Maar in de uitwerking en de inwendige toepassing van het heil was de toenmalige kerk sober geweest. Wel was er veel van de uitwendige toepassing verhandeld, en waren tot in het minutieuse toe de uitwendige kerkplichten geregeld en aan de schare alle middel ingeprent, waardoor ze aan den heilschat deel kon erlangen; maar dat alles raakte nog het inwendige werk, het eigenlijke werk van den Heiligen Geest niet.

Dat inwendige werk zag men wel niet voorbij. Er wierd wel op gewezen. Maar meest in zwevend en dwepend mystieken zin. En zoo ontstonden er in de toenmalige kerk twee zeer duidelijke herkenbare stroomingen; eenerzijds een strooming van hen, die vrede namen met een werktuiglijk en uitwendig zaligmakenden heilschat door biecht, communie, bedevaart en aflaat, en anderzijds een strooming, u uit Thomas à Kempis’ „Navolginge Christi” wel bekend, die, zonder dit werktuigelijke te verachten, toch doordrong naar veel inniger opvatting; maar bij die inniger opvatting dan ook alle klaarheid en doorzichtigheid teloor liet gaan, en opzettelijk lust had aan het zwevend en onhelder mystieke.

Onze Hervormers, van ouder tot ouder uit zulk een omgeving herkomstig, trokken, nadat hun de oogen voor Rome’s gebrekkige zijde geopend waren, natuurlijk bijna uitsluitend te velde tegen deze werktuigelijke strooming, en al hun scherp gewette wapenen keerden zich tegen biecht, mis en aflaat; terwijl ze omgekeerd tot de mystieke strooming zich sterk aangetrokken gevoelden. Door deze mystieke predikers was het goud bewaard. Uit hun handen en van hun lippen hadden de Hervormers geestelijke schatten ontvangen. Bij hen was nog warmte en bij den gloed dier warmte was ook hun ziel ontdooid. Maar dit bracht dan ook het euvel met zich, dat juist op dit punt het dogma nog minder scherp ontwikkeld was, en men hier meer dreef op bevinding en gewaarwording, dan dat men zich sterk gevoelde door helder inzicht. En nu hebben onze Hervormers ongetwijfeld reeds zeer veel gedaan, om deze leemte aan te vullen, en terstond op het dogma van den Heiligen Geest meer bijzonder hun aandacht gericht; maar toch, de ontwikkeling van een dogma is altoos een werk van eeuwen geweest; en zij konden nog niet anders doen, dan de eerste lijnen trekken, waarlangs eerst na hen deze ontwikkeling zich zou voortbewegen. Zelfs nu, drie eeuwen na hun verscheiden, ontbreekt er aan de zuivere |72| en volledige ontwikkeling van dit leerstuk nog, o, zooveel. En onze broederen, die voor nu veertig jaren vertelden, dat de eigenaardige roeping van onze eeuw lag in de ontwikkeling van het eschatologisch dogma, d.i. in de ontwikkeling van het leerstuk over de laatste dingen, zouden der kerke Christi veiliger dienst bewezen hebben, zoo ze eigen kracht, en die van hun tijdgenooten, meer op het leerstuk van den Heiligen Geest hadden saamgetrokken.


Toch is er nog een andere oorzaak, die den Heidelberger hier korter dan anders doet zijn. Het is namelijk onmiskenbaar, dat het dogma van den Heiligen Geest nooit voor zoo duidelijke ontleding en breede omschrijving vatbaar zal blijken, als het leerstuk van den Vader en den Zoon. Immers, het dogma van den Vader of van onze Schepping, wordt opgebouwd uit bestanddeelen die het zichtbare raken. De geschiedenis ligt geschreven voor ons. Dit raakt al de waarneembare feiten. En feiten bovendien waarmee ieder mensch, ook de ongeloovige rekent. Een kind weet er reeds van, en gebruikt dit dogma, als ’t bidt om een bete dagelijksch brood, of als moeder krank ligt, smeekt dat God haar geneze. En evenzoo is het met het dogma van den Zoon of onze Verlossing. Ook het Verlossingswerk toch, voor zoover het van den Zoon uitging, heeft zijn uitwendige zijde: Christus en dien gekruist. Dat kruis wordt als voor onze oogen geteekend. En van Bethlehems kribbe tot aan het opvaren ten hemel van den Olijfberg is het al waarneembaar en vatbaar om voorgesteld te worden. Ook hier geldt het, dat een kind er reeds van weten kan. Dreutels van vier jaren zingen reeds van het Kindeke in de kribbe en op Paschen zingen onze kleinen reeds van Jezus’ opstanding mee.

Maar zoo is het met God, den Heiligen Geest niet. Bij den Heiligen Geest wordt het grootere publiek en worden onze kinderen alleen op den Pinksterdag bepaald, en als het aan dat hooge feest toekomt, ontsnapt hun opeens de glorie en de majesteit van wat geschied is. Ze hooren van „verdeelde tongen als van vuur”; ze lezen van „een spreken in velerlei talen”; dan van een toespraak van Petrus en van een bekeering van drie duizend personen; maar dat alles is nog het eigenlijk komen van den Heiligen Geest niet. De bijzaak boeit hier, voor de hoofdzaak wordt het oog niet ontsloten. En als Pinksteren weer voorbij is, leven ze weer gedachteloos voort, alsof er van den Heiligen Geest nooit gehoord was. Zelfs de prediking op en na Pinksteren schiet dientengevolge meestal tekort in haar roeping, en hoogst zelden kreeg de gemeente een predikatie op dit feest te beluisteren, waarin metterdaad de uitstorting van den Heiligen Geest het feit was, dat indrukwekkend op den voorgrond trad. |73|

Het is eenmaal niet anders. De werkingen des Heiligen Geestes liggen alle op het verborgen terrein des harten. Ze zijn inwendig. Het bloot zinlijk oog kan ze niet waarnemen. Ze hebben gestalte noch vorm, waardoor ze in de verbeelding kunnen inleven. En dies is, wie zelf de bewerking van den Heiligen Geest niet persoonlijk onderging, bijna geheel onbekwaam om met Zijn werkingen te rekenen. Hoever dan ook de ontwikkeling van het dogma van den Heiligen Geest in de toekomst moge voortschrijden, toch zal deze ontwikkeling nooit de klaarheid en breedheid van het Christologisch dogma kunnen erlangen. De onzienlijke werkingen zijn ons slechts bij benadering en in overdrachtelijke sprake bekend.

Een ander punt waarop hier dient gewezen, is, dat deze Catechismusvraag geen dubbel wil geven van wat reeds in de achtste Zondagsafdeeling is afgehandeld. Het dogma van de heilige Drieëenheid hoort niet hier, maar in Vraag 25 thuis; en het zou een fout zijn, zoo de uitlegging van den Catechismus hier ter plaatse herhalen ging, wat dáár reeds ten einde wierd gebracht. In de Apostolische geloofsbelijdenis, waaruit hier de woorden: Ik geloof in den Heiligen Geest worden opgenomen, komt de belijdenis van den Heiligen Geest uitsluitend in verband tot onze zaligheid voor. Daarom volgen ze op de belijdenis van de Verlossingsdaden van den Zoon. Het door den Zoon tot stand gebrachte heil moet inwendig aangelegd, ingewerkt en toegepast worden, en het is met het oog op die innerlijke verwerkelijking van het heil, dat hier de belijdenis van den Heiligen Geest wordt ingevoegd.

Dat desniettemin de Catechismus daarbij begint met een uitspraak omtrent het Wezen van den Heiligen Geest, heeft zijn goede oorzaak. Geen gevaar toch ligt meer voor de hand, dan dat men de werking van den Heiligen Geest als de werking van een instrument opvatte. Die ons redt is de Vader, die ons uitredt is de Zoon, en deze beiden gebruiken daarbij, zoo stelt men zich het dan voor, den Heiligen Geest. Vandaar dat de ongelukkige voorstelling, als ware de Heilige Geest slechts een kracht of een gave Gods, zoo diep in veler bewustzijn is doorgedrongen, en dat het den meesten zulk een inspanning kost, om metterdaad tot den Heiligen Geest te bidden zooals ze bidden tot den Vader en den Zoon. Dat de Vader persoonlijk is, spreekt hun vanzelf. Ook dat de Zoon een persoon is, hebben ze nooit betwijfeld. Maar om den Heiligen Geest als persoonlijk God zijnde aan te bidden, valt hun zwaar.

Men versta dit niet verkeerd.

Het kost toch metterdaad weinig moeite, om op de catechisatie of kansel duidelijk uit de Heilige Schrift aan te toonen, dat de Heilige Geest in de |74| Schriftuur als persoon voorkomt. Als gezegd wordt dat de Heilige Geest „zijn gaven deelt aan een iegelijk gelijk Hij wil”, is reeds deze ééne toekenning aan den Heiligen Geest van een wil volkomen genoegzaam om de persoonlijkheid van den Heiligen Geest te bewijzen, want een instrument of een kracht kan geen wil hebben. Ook als Paulus in denzelfden eersten Korintherbrief de eene maal zegt dat we „tempelen Gods zijn, die in ons woont”, en een ander maal dat we een „tempel zijn van den Heiligen Geest die in ons woont”, dan is de openbaring van den Heiligen Geest als God onbetwistbaar. Maar ge vergist u, zoo ge waant, dat ge hiermee uw pleit gewonnen en uw doel bereikt hebt. Teksten op zichzelf hebben wel bewijskracht voor onze overtuiging, maar geven daarom nog geen vorm en wezen aan wat ge belijdt voor uw innerlijk besef.

De zaak is dan ook zoo eenvoudig niet.

Indien er toch nooit anders in de Heilige Schrift van den Heiligen Geest dan als van een persoon gesproken wierd, zou de gestadige lezing der Heilige Schrift ons veel geleidelijker in die eenig ware voorstelling inleiden. Maar zoo is het niet. Er wordt ook, en zelfs meer, in de Heilige Schrift van den Heiligen Geest gesproken, als van een gave die ontvangen, en van een kracht die ingestort wordt. En overmits nu ook die gave en die kracht herhaaldelijk kortweg met den naam van „Heilige Geest” worden bestempeld, raakt men licht in de war. Als Jezus op zijn discipelen blaast, en tot hen zegt: „Ontvangt den Heiligen Geest”, en als dan daarna pas op den Pinksterdag de Heilige Geest op de apostelen en de verzamelde geloovigen wordt uitgestort, voelt men toch terstond, dat in dat eerste zeggen niet een ontvangen van den Heiligen Geest als persoon kan bedoeld zijn. En evenzoo, als het persoonlijk komen van den Heiligen Geest tot zijn kerk pas op den Pinksterdag plaats greep, en David niettemin in Psalm LI bidt: „Heere, neem uwen Heiligen Geest niet van mij!” dan is het toch duidelijk, dat hier niet de persoon, maar slechts de inwerking en de kracht van den Heiligen Geest kan bedoeld zijn.


Voor alle dingen is het dus hoog noodig, dat we ons duidelijk en klaar dat onderscheid tusschen de tweeërlei beteekenis van den Heiligen Geest in de Heilige Schrift scherp voor oogen stellen. Het moet ons diep ingeprent, dat de gaven, krachten en werkingen van den Heiligen Geest, juist omdat het geestesgaven, geestelijke krachten en geestelijke werkingen zijn, die met de krachten en werkingen van onzen eigen geest niet mogen verward worden, herhaaldelijk kortweg met den naam van Heilige Geest bestempeld worden. Zoo zeggen ook wij nog: „Hebt ge Brakel, hebt ge Lodenstein gelezen? Kent ge à Marck of Maestricht?” en dan antwoordt de kenner |75| onzer oude godgeleerdheid dankbaar ja, ook al heeft bij noch Brakel, noch Maestricht ooit gezien, noch ook persoonlijk eenig contact met hen gehad. Hij had nooit iets anders te zijner beschikking dan hun boeken, hun werken, de denkbeelden en voorstellingen die van hen zijn overgeleverd. Maar omdat bij een geestelijk persoon die persoon en zijn werkingen voor ons saamvallen, vindt men er toch niets vreemds noch onoirbaars in, om te zeggen, en te zeggen zonder vrees voor misverstand: „Ik ken Brakel, ik ken Voetius!” En waar dit nu reeds onder menschen zoo gaat en geldt, hoeveel meer moet dit dan niet gelden bij den Heiligen Geest, die eeuwig en alomtegenwoordig nooit van zijn werkingen en kracht is al te scheiden, en in zekeren zin altoos in zijn eigen gaven en werkingen tegenwoordig is.

Dat Schriftgebruik is dus in het minst niet storend, noch min juist. Integendeel, omdat de Heilige Geest steeds in zijn eigen werken leeft en tegenwoordig is, moest het zoo worden uitgedrukt. Maar dit neemt niet weg, dat het den minkundigen kenner en Schriftlezer toch vaak in verwarring brengt.

En daarom is het nu, dat de Catechismus hier zoo kras en duidelijk de belijdenis op den voorgrond plaatst, dat de Heilige Geest te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is.


Dit is de uitlegging van de woorden: „Ik geloof in den Heiligen Geest.” Daarna volgt er: „Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke kerk”, zonder dat in er bij. En juist in dat zeggen: „Ik geloof in den Heiligen Geest”, ligt dus de belijdenis, dat ons geloof zich op den Heiligen Geest als God richt. We kunnen gelooven dat er vergeving van zonde is. We kunnen gelooven aan wederopstanding des vleesches. Maar „gelooven in” kan alleen van het geloof in een Goddelijk Wezen gezegd worden. Zelfs van een mensch, hoe heilig ook, kunt noch moogt ge ooit zeggen: „Ik geloof in u”. Ge kunt iemand gelooven. Ge kunt aan iemand gelooven. Maar gelooven in een schepsel, is afgoderij.

De bijvoeging dat de Heilige Geest niet maar waarachtig en eeuwig God is, maar dit is „te zamen met den Vader en den Zoon”, heeft hier een eigenaardigen zin. Er is toch sprake van het Verlossingswerk. Van dat Verlossingswerk, dat dusver als een daad des Vaders en een daad des Zoons is uiteengezet. Voor de innerlijke verwerkelijking van deze Verlossing treedt nu de Heilige Geest op, en keer op keer meldt ons de Heilige Schrift, dat de Vader en de Zoon deze Verlossing in ons verwerkelijken door den Heiligen Geest. Juist hierin schuilt dus het gevaar, om den Heiligen Geest ons voor te stellen als een dienende macht, die door den Vader en den Zoon bij het werk der Verlossing wordt aangewend. Zij, de Vader en de Zoon, |76| blijven dan de eigenlijke werkers, en de Heilige Geest komt in ondergeschikten rang voor, als hun ten dienste staande en door hen gebruikt.

Deze dwaling nu moet bij den wortel afgesneden, en het is daarom dat de Heidelberger aanstonds op den voorgrond stelt, dat er tusschen den Vader en den Zoon eenerzijds en den Heiligen Geest anderzijds, geen het minste verschil bestaat van waardigheid of rangorde, want dat Hij wat Hij is, is met den Vader en den Zoon van evengelijke waardigheid en eere.

Doch dit is niet genoeg. Er mag toch, hoe ook voor ons besef het werk des heils in deelen uiteenvalt, geen scheiding noch deeling in het werk der Verlossing worden gedacht. Als wij menschen werken, dan ja wordt het ééne stuk na het andere afgewerkt. Eerst wordt een psalmmelodie door den componist gedacht; dan wordt ze door hem in noten gezet; en eerst daarna blaast de orgeltrapper den wind in de pijpen en wordt het stuk uitgevoerd en gespeeld. Hier komt dus de ééne werking na de andere, en zonder noodzakelijke opvolging. Een psalmmelodie kan gedacht zijn door den componist en door zijn muzikaal oor beluisterd, zonder dat hij ze ooit op schrift brengt. En ook, ze kan op schrift zijn gebracht, zonder dat ze ooit wordt bespeeld. Er is hier deeling van actie; in deelen die los van elkaar zijn; en elkaar niet noodzakelijk opvolgen. Ook behoeft hier niet dezelfde componist te bedenken, te schrijven en te spelen. Hij kan bedenken, en het aan een tweede mededeelen, die schrijft, en het weer door een derde spelen laten.

Maar zoo mag het Verlossingswerk tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest niet gedeeld. Er is hier goddelijke samenhang en persende goddelijke éénheid en noodzakelijkheid. In het denken des Vaders is reeds de wezenlijkheid van het werk des Zoons in. De Zoon voert niet uit wat Hem vreemd was, maar wat Hij dacht met den Vader. En zoo ook de Heilige Geest past niet een heil toe, waarvan Hij eerst kennis neemt nadat het door den Zoon tot stand was gebracht, maar omgekeerd een heil, dat Hij mededacht in het bedegken van Vader en Zoon, en dat Hij in den Zoon, die als Messias vol des Heiligen Geestes was, medeuitvoerde.


Er zijn hier dus niet drie schalmen, die eerst elk afzonderlijk bereid werken, om daarna ineen te worden geklonken, maar het is als de aire en de halm en de stengel. In den stengel, die uit de tarwekorrel opschoot zat in de kiem de halm en de aire reeds in; eri de halm kon niet uit den stengel opschieten, zonder dat de air er tegelijk uit opschoot.

En zoo nu ook is het in het Verlossingswerk. Het is van eeuwig. Van eeuwigheid af is het volkomen. En de heiligen des Ouden Verbonds, die in het paradijs of in de arke, of bij Mamre, of in het land van Gosen, of |77| in Kanaän, of bij Babylons stroomen op het heil des Heeren gestorven zijn, hebben zich niet vertrouwd op iets, dat nog komen moest, maar op iets dat alleen nog maar moest uitkomen, doch niettemin in Gods raadsbesluit er reeds van eeuwigheid was. En bij het uitkomen van dit heil heeft er geen deeling of scheiding plaats. De halm schiet niet naast den stengel op, maar er uit, en de aire biedt het goudgeel graan niet op zekeren afstand van den korenair, maar er in. En zoo ook komt het Verlossingswerk des Zoons uit het Verlossingswerk van den Vader, en wederom het Verlossingswerk van den Heiligen Geest uit het werk van Vader en Zoon.

Dezelfde Heilige Geest, die het Verlossingswerk in u persoonlijk toepast, heeft met den Vader en den Zoon het raadsbesluit der verkiezing gemaakt. De Vader en de Heilige Geest waren in het Verlossingswerk, dat de Zoon volbracht. En als de Heilige Geest tot de toepassing van het verworven heil komt, dan zijn het wederom de Vader en de Zoon, die in en door den Heiligen Geest woning in onze harten maken.

Het onderscheid der werkingen valt daarom niet weg; maar geen oogenblik mag door het letten op dit onderscheid een scheiding in deze werkingen worden ingedacht, en het is daarom dat de Heidelberger er zoo noodig en juist nadruk op legt, dat ge mis en feil gaat, zoo ge hier aan den Heiligen Geest als los van Vader en van Zoon wildet denken. En dat ge u integendeel den Heiligen Geest, ook waar Hij u zijn eigen toepassing van het heil teekent, niet anders moogt denken, dan met den Vader en den Zoon geheel en volmaakt één, en met deze beiden te zamen eeuwig en waarachtig God.

Ook op dat laatste moet zeer ernstig gelet. God zelf komt in den Heiligen Geest tot u; maakt woning in u; vormt u tot zijn tempel. Doch dit eischt breeder toelichting. Daarover dus in het volgende hoofdstuk.