Vierde hoofdstuk.

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.

Col. 3 : 1.


De belijdenis onzer kerken laat dus niets aan duidelijkheid te wenschen over. Op grond der Heilige Schrift gelooven en verkondigen we: ten 1. |25| dat Christus in zijn menschelijke natuur, door opvaren, van deze aarde naar den hemel verplaatst is; en wel verplaatst in zulk een eigenlijken zin, dat zijn lichaam voor zijn hemelvaart niet in den hemel maar wel op aarde, en omgekeerd na zijn hemelvaart niet meer op aarde, maar alsnu in den hemel moet gezocht. Belijden en verkondigen we: ten 2. dat Hij, in dien hemel vertoevende, alsnu geen gemeenschap meer met de zijnen op aarde onderhoudt naar zijn menschelijke natuur, maar aldoor met hen is en blijft naar zijn goddelijke natuur. En belijden we en verkondigen: ten 3. dat desniettemin deze gemeenschap een gemeenschap van den éénen Middelaar is, overmits deze werkingen van boven uitgaan van Hem, die eeuwiglijk Gods Zoon is, maar in éénheid des Persoons onze natuur aannam en nog bezit.

Thans echter komt de Catechismus, naar zijn practischen aanleg, in Vraag 49, nog op een vierde punt, t.w. wat deze hemelvaart Christi ons als vrucht in den schoot werpt.

Onderscheid hier wel. De Catechismus spreekt hiermee nog volstrekt niet van de vrucht die ons toekomt uit het werk Christi in den hemel, maar nog alleen van zijn zijn in den hemel voor ons.

Van zijn werk zal eerst de volgende Zondagsafdeeling handelen, als we toekomen aan het zitten ter rechterhand Gods. Dan eerst zal er gehandeld worden van wat Christus in den hemel doet, om werkingen naar de aarde op de zijnen te laten uitgaan en zijn kerk in stand te houden. Hier daarentegen in de 18e Zondagsafdeeling is nog uitsluitend sprake van het opvaren naar en zijn in den hemel, en van de beteekenis die deze aanwezigheid van Christus in den hemel, ook afgezien van zijn werkingen, voor ons heeft.

Ook al deed Christus in den hemel niets, dan nog zou zijn aanwezigheid in den hemel voor ons een zeer hooge beteekenis hebben, en wel, naar luid van den Catechismus, in drieërlei opzicht: 1. omdat reeds zijn enkele, bloote aanwezigheid ons bij God goed moet doen; 2. omdat Hij daar niet aanwezig kan zijn, zonder de profetie in zich te dragen, dat wij ook eens bij Hem komen zullen; en 3. omdat zijn aanwezigheid in den hemel ons de sterkste prikkel is tegen te groote aardschgezindheid.

Ook met dit keurig antwoord bevinden we ons dus weer midden in de heerlijke trekkingen en werkingen van de mystieke unie, die Christus als het hoofd en ons als de leden van zijn mystiek lichaam saambindt.

Een eerste vrucht van deze mystieke unie is, dat God ons in Hem rekent. Een latere vrucht zal zijn, dat Hij ons naar zich conformeert. Maar de vrucht, waaraan we nu toe zijn, is, dat deze mystieke unie onze positie tegenover den hemel en de aarde geheel omzet en verandert.

Houd u, als ge naar de vrucht van een heilsfeit vraagt, toch altoos |26| zeer eng en nauw aan dat feit zelf. De hemelvaart is een verplaatsing van de aarde naar den hemel. Alzoo moet haar vrucht ook voor u uw betrekking van dien hemel en die aarde raken.

Van nature is die positie, waarin ge tegenover hemel en aarde staat voor u een zeer ongunstige. Voor dien hemel donkere wolken; die hemel zeer verre; in dien hemel al uw zonden bekend; en uit dien hemel het oordeel en de doem u beidende. En daarentegen op aarde een trekken van uw natuur naar heur genietingen; een u thuis gevoelen in haar levenskring; een besef alsof die aarde door haar macht u tegenover den toorn des hemels veilig kon stellen.

Een door en door onware en valsche verhouding dus, en die ge toch in uw eigen verleden en bij duizenden om u heen, nog telkens kunt opmerken. Schuw en schuchter om van den hemel te spreken, en gul en het hart open als ge de heerlijkheden der aarde uitstalt. Van die aarde altoos vol, aan dien hemel liefst niet denkend. Thans hier vriend en vreemdeling daarboven. Sterk door de bekoring der wereld getrokken en voor de bekoring van het Jeruzalem dat in den hemel bij God is, onaandoenlijk. En wat het ergst is, niet goed met dien God die uw zonde scherp veroordeelt, en vaak al te goed met uw medemensch die gezondigd heeft als gij; uw lotgenoot.

Een zeer verlagende toestand derhalve.

Immers, ook al staan we er zoo in ons hart aan toe, daarom weten we toch zeer wel, dat het zoo niet deugt; dat het heel anders moet zijn; dat in den hemel onze adel en op aarde onze schande geboren is; en dat, hoe meer de aarde ons assimileert en we minder geassimileerd worden door den, hemel, we des te dieper ontzinken aan onzen oorsprong, aan ons wezen en aan onze bestemming.

Vandaar dat soms door deze donkere schaduw de lichtstraal van een stil gebed schiet, en we soms, o, zoo vurig wenschen konden, anders te bestaan; er anders aan toe te zijn; niet zoo door die aarde en meer door den hemel geboeid te worden; daar meer thuis, hier meer vreemdelingen te zijn.

En zie, nu zegt de Catechismus zoo verrukkelijk schoon, dat op die bede Jezus’ hemelvaart u de verhooring brengt; want dat het feit zelf van Jezus’ aanwezigheid, (niet op aarde, maar) in den hemel; en wel zijn aanwezigheid in den hemel, nadat Hij op aarde geweest is; juist het u van God geboden middel is, om uw positie tegenover hemel en aarde op de gewenschte wijze om te zetten, en u dien hemel bevriend en de aarde tegen te maken. |27|

Als dan ook de Catechismus als eerste vrucht van Jezus’ hemelvaart noemt: „dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is”, dan moet ge wel oppassen om niet terug te vallen in Vraag 31, waarin o.m. Christus’ priesterlijk ambt, en dus ook zijn voorbiddinge besproken is.

Hier toch moet niet, gelijk daar, gehandeld van de acte zijner intreding voor ons als onze Advocaat en Pleitbezorger, maar moet gelet op het feit van zijn aanwezigheid in den hemel, waardoor Hij vanzelf ons ten goede bij het Eeuwige Wezen is.

Dit diepe immers belijden al Gods kinderen op grond van Schriftopenbaring en zielsverandering, dat ze hunnerzijds in hun verzuchtingen en gebeden, tot het Eeuwige Wezen niet anders kunnen doordringen, dan door hun gedachten saam te voegen in de aanschouwing van den Middelaar, om alzoo in „het Beeld des Vaders” den Vader zelf te aanschouwen. Maar dan ook omgekeerd dat ze weten en ervaren, hoe dat eeuwige Wezen zijnerzijds ook hen niet anders meer dan in dien Eénig Geliefde aanschouwt, en hoe, telkens als de Majesteit des Heeren tegen onze Zonde zou uitstralen, altoos die Middelaar tusschen Hem en ons schuift, om het brandpunt te wezen, waarin de uitgangen des Vaders naar ons en de uitgangen van óns hart naar den Vader saamvallen.

Zoo is de schrik weg. Weg de vreeze. En de volmaakte liefde sluit al wat afsloot en verwijderen kon buiten.

Het groote beletsel, om vriendelijk aan den hemel te denken, om met ruste naar den hemel op te zien, en zonder verschrikking gemeenschap met dien hemel te zoeken, nam Jezus door zijn aanwezigheid in den hemel dus weg.

Zoolang het nog was God daarboven in den hemel en wij hier op aarde was er strijd, schrik en wegvlieding. Nu, nu de Middelaar in onze natuur in dien hemel voor het aangezicht zijns Vaders staat, nu is reeds zijn enkele aanwezigheid in den hemel voor ons een bedekking tegen den stormwind van Gods toorn, een opheffing van den strijd, een oorzaak van ruste en van vrede.


Doch daarbij blijft het niet. De Catechismus wijst nog op een tweede vrucht, die ’s Heeren hemelvaart ons toebrengt, eveneens reeds enkel door zijn aanwezigheid in den hemel. Zijn vleesch toch ’t welk ons vleesch is, verstrekt ons tot een zeker pand dat Hij als het Hoofd, ons, als zijn lidmaten, ook tot zich zal nemen.

Ook dit moet streng genomen.

Wat toch maakt, dat we in den regel zulk een sterke aantrekkelijkheid |28| naar de aarde en zulk een geheimzinnige vreeze voor den hemel koesteren? Immers het feit van den dood. Het feit dat onze weg naar dien hemel gaat door uiteenscheuring van ons wezen. En dat wel onze ziel in kan gaan, maar dat al het zichtbare, al het tastbare, al het werkelijke om dien hemel moet prijsgegeven. Zoo ontstaat de indruk, alsof de hemel wel voor onze ziel, maar niet voor onzen geheelen persoon, niet voor onzen geheelen mensch, naar ziel en lichaam, een levenswereld aanbiedt, en komen we dus voor de keus te staan tusschen een aarde waarop we naar ziel en lichaam leven kunnen, en een hemel die de helft van ons wezen afsnijdt.

Nu echter, door Jezus’ hemelvaart, wordt dit op eenmaal anders. Hij droeg onze menschelijke natuur naar ziel en lichaam ten hemel in. Hij droeg ze ten hemel in zonder dood. Uit dit feit nu volgt met stellige zekerheid, dat de hemel niet alleen een levenswereld voor een afgescheiden ziel oplevert, maar wel terdege ook een levenswereld heeft voor onzen geheelen mensch, voor onze geheele persoonlijkheid, voor onze ongedeelde natuur naar ziel en lichaam beide.

Hierdoor vervalt derhalve de vroegere tegenstelling. Niet langer blijft het, een aarde voor heel mijn menschelijke natuur, en een hemel alleen maar voor mijn ziel. Neen het wordt nu, èn op aarde èn in dien hemel een levenswereld voor ziel en lichaam beide. En als we dan nu die beide levenswerelden vergelijken en denken eenerzijds aan die aarde, waarop wij met onze ziel zoo schriklijk tobben en met ons lichaam zoo vaak kwijnen, en dien hemel, waarin Jezus naar de ziel heerlijk bloeit en naar het lichaam schittert in glorie, dan is al de voorkeur aan de aarde ontnomen en op den hemel overgedragen; mits slechts die hemel ook voor ons kan zijn.

En ook hiervoor nu biedt Christus’ hemelvaart ons het zekere pand. Immers er bestaat een mystieke unie. Hoofd en leden zijn organisch één. Ze zijn niet daadwerkelijk te scheiden. En zoo is dan Christus’ zijn in den hemel naar lichaam en ziel voor ons de stellige profetie, dat ook wij in dien hemel naar lichaam en ziel zijn zullen.


En zoo komen we vanzelf op de derde vrucht aldus door den Heidelberger omschreven: „dat Hij ons zijnen Geest als een tegenpand zendt, door welks kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.”

Pand en tegenpand zijn hier ontleend aan twee scheidende vrienden, die als teeken van wederzijdsche trouw elkander over en weer bij het scheiden iets meegeven of nazenden. En zoo nu stelt de Catechismus het voor, alsof |29| wij den Christus bij zijn hemelvaart ons vleesch meegaven naar den hemel, en dat Hij ons zijn Geest nazond. Ons vleesch het pand dat Hij van ons meenam: de Geest het tegenpand dat wij van Hem ontvingen. Ook hier mag bij de bespreking van den Geest dus niet de fout begaan om te vervallen in Vraag 51, waar over de krachten en gaven des Heiligen Geestes die Hij ons zendt en in ons uitstort, zal worden gehandeld. Al wat hier te bespreken is, is de uitstorting van den Heiligen Geest op den Pinksterdag. Hierop toch en hierop alleen doelt dit antwoord, gelijk ten overvIoede blijkt uit de verwijzing naar Hand. II : 34.

Bedoeld is hier dus-niet de persoonlijke schenking van den Heiligen Geest aan de enkelen, maar het uitzenden van den Heiligen Geest in de kerk van Christus, in heel het lichaam. In Jesaja LXIII : 11 heet het: „Die zijn Heiligen Geest in hun midden stelde”, wat daar zag op de heilige tegenwoordigheid Gods, op het verzoendeksel tusschen de cherubijnen, en dus nog slechts profetie was van de inwoning des Heiligen Geestes in het lichaam der geloovigen.

Maar nu met den pinksterdag heeft ook deze uitstorting van den Heiligen Geest in het mystiek lichaam Christi plaats gegrepen. De Heilige Geest woont thans in dit mystieke lichaam als de levensgeest in, gelijk het Avondmaalsformulier zoo juist zegt: „door éénen Geest die in Hem als het Hoofd en in ons als lichaam inwoont”, vereenigd.

Ware het anders bedoeld, dan zou er alleen troost in liggen voor hen, die ook persoonlijk reeds werkingen des Heiligen Geestes ondergingen, en dan nog wel alleen in die oogenblikken, waarin zij deze werkingen ervoeren. Nu daarentegen nu bedoeld is, de inwoning van den Heiligen Geest niet in de enkelen, maar in het mystieke lichaam, nu is de inwoning een derde vrucht van Jezus’ hemelvaart, die strekt om ons den hemel minder vreemd te doen zijn, en ons op aarde minder thuis te doen wezen.

Nu toch bewerkt ons niet langer alleen meer de publieke opinie, de geest der aarde, d.i. de geest die in de wereld inwoont, maar werkt ook op ons het verborgen oordeel van den hemel, d.i. de Geest die in het mystieke lichaam Christi inwoont. Dit tempert voor ons de macht van verleiding en de aantrekkelijkheid die van de wereld uitgaat. Het maakt ons tegenover de aarde vrijer en bindt ons sterker aan de levenswereld die in den hemel bij Christus is.

En zoo is dan de vrucht van Jezus’ hemelvaart, gelijk de Catechismus die zoo precies en zoo keurig teekent saam te vatten in deze ééne belijdenis, dat Jezus’ aanwezigheid in den hemel wegneemt wat ons van den hemel deed terugschrikken; en ons integendeel naar dien hemel sterke |30| trekkingen geeft; terwijl het omgekeerd ons vervreemdt van de aarde en op die aarde minder thuis doet gevoelen.

Denk u een gezin, van man, vrouw en kinderen, dat een tijdlang in ons vaderland leefde, maar waarvan het hoofd straks ons land verliet en naar Amerika overtoog, — zou het dan niet natuurlijk zijn, dat het voor vrouw en kinderen hier eenzaam en vreemd begon te worden; en dat ze omgekeerd met hun gedachten en verlangens zich in Amerika thuis maakten en ten leste hunkerden naar het oogenblik waarop vader hun schreef: „Komt nu allen tot mij over!”

En hoe zwak nu dit beeld ook zij, toch zegt het u eenigermate, wat hier de trekkingen der liefde voor den Eenig Dierbare is.

Hij was hier met de zijnen. Hij woonde hier met zijn kerk op aarde. Maar nu verliet Hij ons. Hij vertrok naar het beter vaderland. Hij voer op naar den hemel. Is het dan niet natuurlijk, dat het met zijn heengaan voor ons thans leeg en vreemd en verlaten wierd? En getuigt het niet tegen de liefde van ons hart, zoo we, nu Hij daar ginds is, niet onwillekeurig verlangen, om óók van vaderland te mogen verwisselen, en weer te zijn waar ons Hoofd is?

En zoo spreekt dan in de vrucht van de hemelvaart Christi een allerteederst trekken der verlatene liefde.

„Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij mij zijn die Gij mij gegeven hebt!”

Zoo bidt de Christus.

En de kerke op aarde antwoordt:

„Ik heb verlangen om ontbonden te wezen en met Christus te zijn.”