Derde hoofdstuk.

En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

Matth. 28 : 20.


De strijd van den Heiligen Geest in de Schrift gaat rusteloos tegen den afgod.

Toch was oorspronkelijk dat oprichten van een afgod geen boos opzet, maar gevolg en uitwerksel van een behoefte, die in het afgedoolde hart nawerkte, om de nabijheid des Almachtigen te ontwaren. Een hart dat nog geen zonde kent, heeft geen beeld van God noodig, eenvoudig omdat de mensch zelf naar den beelde Gods geschapen is en alzoo onmiddellijk met deze ingeschapen kennisse en oorspronkelijke wijsheid (naar de mate waarop dit aan een schepsel toekomt) den Eeuwige kent.

Maar als de zonde in het hart is geslopen, wordt dit anders. Zelf verloor men dan de trekken van Gods beeld tot onkenbaar wordens toe. Weg week de ingeschapen kennis en de oorspronkelijke inwonende wijsheid tot op enkele nietige overblijfsels, juist genoeg om onze onschuld te benemen, maar tot een wederopbouwen van onze Godskennis onmachtig. En nu, nu gaat het doolgeraakte hart, dat toch altoos inwendig door den prikkel van Gods Majesteit gedreven wordt, God zoeken. God is voor het zondig hart weg. o, Kan ik God niet zien en leven, dat ik tenminste dan het beeld Gods aanschouwe. En omdat dan dit beeld nog toefde, maakte nu de mensch zich zelf een beeld van zijn God, en zoo ontstond beeldendienst en afgoderij.

Die afgoderij, d.i. die poging van het doolgeraakte hart om door eigen toedoen het gemis van Gods tegenwoordigheid aan te vullen, is op de |19| verderving van onzen hoogeren adel uitgeloopen, en gaat nog voort het grooter deel van de menschen, die op dezen aardbodem leven, naar ziel en lichaam te vergiftigen.

Een zondaar kan zelf zijn God niet terugvinden, en hij moet wachten, tot genade zich over hem ontfermt, om tot Hem te komen.

Dit nu is geschied in Christus Jezus. Deze Jezus was „het beeld des onzienlijken Gods”. „Die Hem gezien had, die had den Vader gezien”. Het hooge doel, dat de afgoderij in krankzinnigen eigendunk had nagejaagd en daarom gemist, is in den Rabbi van Nazareth bereikt.

De afgoderij wilde zelve den Vader toonen. Filippus bad, dat „de Vader hem getoond mocht worden”. Maar wie in Christus Jezus is, poogt niet het één en bidt niet meer om het ander. Hij heeft den Vader gezien.

Nu echter past ons bij onze voorstelling van den Christus hooge voorzichtigheid. Gelijk men weet boetseerde men, met name in Indië, soms afgodsbeelden, die een geheele menigte van armen hadden. Doel hiervan was deze afgoden voor te stellen als goddelijk machtig, om op allerlei plaatsen tegelijk hulpe te bieden. Een soort van afgodische alomtegenwoordigheid. Een poging om de goddelijke eigenschap van het overaltegenwoordige ook aan het menschelijke beeld mee te deelen, en uit het menschelijk beeld de gebondenheid aan plaats en afstand weg te nemen.

En ditzelfde gevaar dreigt nu eveneens bij den Christus.

Tal van Christelijke kringen hebben metterdaad op den Christus overgebracht dezelfde onware vermenging van goddelijke en menschelijke eigenschappen, die de Indische pantheïst in zijn afgodsbeeld met de vele armen symboliseerde. En wat opmerkelijk is, ook deze Christelijke kringen deden het evenals de bewoners van de Gangesoevers meest onder pantheïstische invloeden.

Sommigen, gelijk met name de Hernhutters, gingen zelfs zoover van een soort Panchristisme te kweeken, d.w.z. aan de voorstelling ingang te geven, alsof de Middelaar, juist door zijn goddelijk doorademd menschelijk lichaam, rechtstreeks heel de Schepping doordrong. Het is onder deze Hernhuttersche invloeden, dat ook de kring van Schleiermacher gevormd wierd, en wederom door dezen kring dat de moderne orthodoxie beheerscht wierd. En zoo is het gekomen, dat het kwaad, dat in de oude Luthersche orthodoxie nog slechts in kiem school, thans zoo schriklijk in de kerk van Christus is uitgebroken, en metterdaad tot een dusgenaamde prediking van den Christus geleid heeft, die geen prediking van den Christus meer is.


Langs welken weg vond deze misvorming van den Christus ingang? |20|

Dit toont u onze Catechismus duidelijk. Hij vraagt toch in art. 47: „Is dan Christus niet met ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij beloofd heeft?”

Hier ligt dus het godvruchtig uitgangspunt van deze dwaling. Christus voer op ten hemel. Ja, maar tegelijk bezitten we toch zijn belofte, dat Hij met ons blijft tot aan het einde der wereld. Eilieve, hoe rijmt ge deze twee? Hoe kan de Christus te gelijker tijd van deze aarde weg, en toch op deze zelfde aarde met u zijn?

Hierop nu hebben de Gereformeerden steeds geantwoord, met te wijzen op het sterke onderscheid tusschen de goddelijke en de menschelijke eigenschappen van den Middelaar. De menschelijke natuur, zoo zeiden ze zeer terecht, is aan een vaste plaats gebonden, en kan op eenzelfde oogenblik slechts op één plaats te gelijk zijn. Derhalve, zoo hielden ze staande, mag nooit beweerd, dat Christus naar zijn menschelijke natuur èn opvoer èn toch op aarde bleef. Nu Hij opvoer is Hij naar zijn menschelijke natuur niet meer op aarde; en kan Hij op aarde niet weer gezien worden, eer Hij den hemel verlate en tot ons wederkome.

Maar, zoo leeraarden ze al verder, dit belet den Christus volstrekt niet, om desniettemin in het midden der zijnen op aarde te zijn, mits ge bij dat „zijn van Christus onder de zijnen op aarde” slechts niet denkt aan zijn menschelijke natuur.

Christus zelf verbiedt dit, want hij zegt, dat hij een anderen Trooster zal zenden.

Nu Hij heengaat, worden zijn discipelen weezen, d.w.z. verlatenen en van hun Heere beroofde jongeren. En nu zal Hij hen geen weezen laten; neen hun weezenstaat zal straks een einde nemen. Edoch, niet daardoor dat Hij lichamelijk bij hen blijft. Integendeel Hij vaart lichamelijk op. Lichamelijk gaat Hij van deze aarde weg en gaat Hij ten hemel in. Maar dit wondere mysterie zal verwerkelijkt worden door den Heiligen Geest. Die Heilige Geest zal een andere Trooster zijn, en toch zal in dien anderen Trooster de Christus zelf bij hen zijn, want die Heilige Geest zal het zijne nemen en zal Hem verheerlijken.

Door dit wijzen op den Heiligen Geest nu wijst Jezus zijn kerk terug op zijn goddelijke natuur. Want wel had Hij ook naar zijn menschelijke natuur den Heiligen Geest zonder mate verkregen, maar op die Hem verleende gave des Heiligen Geestes doelt Jezus hier niet. Immers Hij zegt niet, dat Hij dezen Heiligen Geest zal zenden uit zich zelf, maar van den Vader.

Met dit zeggen dringt de Middelaar dus in zijn Wezensverband met de heilige Drievuldigheid terug, en het is deze gemeenschap met den Vader |21| en den Heiligen Geest dat de Zoon, die onze Middelaar is, ook nadat Hij lichamelijk scheidde, toch geestelijk en wezenlijk nabij de zijnen blijft.

Gelijk Hij, toen Hij op aarde omwandelde, toch verklaarde, dat de Zoon die uit den hemel nedergedaald was en derwaarts weer zou opklimmen, toch te gelijker tijd in den hemel was (Joh. III : 13), zoo ook was Hij en bleef Hij op aarde nadat de Middelaar lichamelijk deze aarde zou verlaten hebben.

Tegenover het afgodsbeeld zegt de Heere bij Jeremia: „Ben ik een God van nabij en niet ook van verre? Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien, spreekt de Heere? Vervul ik niet den hemel en de aarde?” Dit geldt dus ook van den Zoon; niet voor zooverre Hij onze beperkte en aan plaats gebondene menschelijke natuur aannam, maar wel in zooverre Hij één is met den Vader en den Heiligen Geest. En daarom is het antwoord van onzen Catechismus even juist als helder: „Christus is waarachtig mensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij thans niet meer op aarde, maar naar zijne Majesteit, Genade en Geest wijkt Hij nimmer van ons.”


Hiermee echter is de zaak nog niet ten einde. Immers, aan dit punt toegekomen werpt men ons tegen, dat we op die wijs den Middelaar vernietigen, de goddelijke en menschelijke natuur uiteenrukken, en feitelijk niet meer met den Middelaar, maar slechts met den Tweeden persoon in de Drieëenheid gemeenschap onderhouden. Of, gelijk de Catechismus de vraag stelt (Vr. 48): „Maar zoo de menschheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan die twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?”

Wat dunkt u, als ik zeg dat een vader, die tevens koning is, een zoon heeft die in gevangenschap van vreemden kwam, en dat hij nu als vader niet bij zijn zoon kan en hem niet kan redden, maar als koning door zijn leger en vloot zijn banier in ’s vijands land kan planten en zijn zoon verlossen, — deel ik dan dien vader en dien koning in tweeën, of onderscheid ik dan slechts tusschen de eigenschappen die de vader en de eigenschappen die de koning bezit? En zal niemand er ook maar aan twijfelen of het desniettemin toch niet het vaderhart is, dat in de besluiten en maatregelen van den koning meesprak? En als ik nu evenzoo zeg, dat Christus God en mensch is, en nu als mensch broederen heeft die in ’s vijands macht zijn geraakt, en als mensch onmachtig is om ze te verlossen en niet bij hen kan, maar als God alomtegenwoordig werkt en zijn broeder uitredt, ruk ik dan God en mensch uitéén? of onderscheid ik slechts beider eigenschappen, zonder dat er ook maar bij iemand twijfel kan rijzen, of in |22| hetgeen Hij als God deed, ook het trekken van zijn menschelijk hart meespreekt?

En nu weten we wel, dat al zulke vergelijking de zaak niet uitput, omdat de onderscheiding hier veel verder reikt, maar ze stopt den tegenspreker toch den mond.

Onze ziel en ons lichaam toonen ons dezelfde tegenstelling. Ons lichaam is in zijn loomheid zeer stipt aan één plaats gebonden. Zelfs in ons eigen huis kunnen we maar in één vertrek te gelijk zijn, en in datzelfde vertrek slechts op één stoel te gelijk zitten. Van de tien palmen van een el kan onze hand slechts één palm tegelijk omklemmen. Maar zoo is het met onze ziel reeds niet. Ook onze ziel is wel eindig en gebonden aan perken, maar toch de perken voor de werking onzer ziel zijn zooveel ruimer gesteld. Met onze gedachten leven we in eeuwen achter ons terug en profetisch eeuwen vooruit. Met het lichaam kan ik afwezig van u, zijn en toch met de ziel nabij u. Ja, niet zeldzaam komt het zelfs voor, dat iemand geheel in angst of zorgen verzonken, niets bespeurt van wat in het vertrek omgaat waar hij neerzit, en daarentegen geheel leeft in wat voorvalt op verren afstand. Als een moeder de schriklijke tijding overvalt dat het schip, waarop haar kind uitvoer, schipbreuk leed, dan ligt ze ’s nachts op haar bed en met het hoofd op een bepaalde plek op haar kussen, en toch is ze daar niet maar ze is daar ginder verre, op die zee, bij die stranding warend langs het wrak heen. Haar ziel is bij haar kind.

En waar ons zoo ons menschelijk leven reeds de feitelijke onderscheiding leert van een plaatselijk gebonden zijn en een te gelijker tijd rondwaren van onze gedachten en van onzen geest op verre afstanden, wat wonders ligt er dan in, dat deze zelfde onderscheiding nog veel sterker uitkomt bij Hem, in wien èn de goddelijke natuur èn de menschelijke haar werking deed?

En zegt men dat hier wel iets van aan is, maar dat dit alles alleen nog maar in de gedachten omgaat, terwijl de Christus niet slechts met zijn gedachten bij ons is, maar kracht in en om ons werkt, dan toont toch ook ons menschelijk leven ons reeds zwakke afschaduwingen van zulk een werking in de verte. Ook al zijn wij plaatselijk door ons lichaam gebonden, toch kan door telegraaf en telephoon reeds onze menschelijke liefde op verren afstand helpend en reddend voor de onzen werken. Als uw kind in een ander werelddeel in nood en verlaten zit, en gij zijt hier en hebt wel goud en zilver om hem te redden, maar kunt het hem met uwe hand niet in de zijne leggen, dan kunt gij, nietig menschenkind, door de wondere kracht, die God in een magnetischen draad legde, nu reeds op verren afstand, in dat andere werelddeel, goud en zilver in beweging |23| brengen, en maken dat het in de hand van uw kind komt. En waar zoo reeds het eindig schepsel op die wijs plaatselijk gebonden kan zijn, en toch op verren afstand werken, wat zult ge dan twijfel en bedenking opperen, als er sprake is van Hem, die geen metalen draad of magnetische kracht van noode heeft, maar beschikt over goddelijke almogendheid.

Dit gaat zoover, dat, ware er van niets anders sprake dan van werkingen die Christus op ons uitoefent, zelfs de vraag zou kunnen rijzen, of wellicht de menschelijke natuur in haar verheerlijkten staat niet metterdaad over ons nog onbekende krachten beschikt, en of de Middelaar niet, ook afgezien van zijn goddelijke natuur, zijn werkingen naar ons kon doen uitgaan. Een vraag waarop we het antwoord natuurlijk schuldig moesten blijven.

Maar zoo is het niet. Er is niet alleen sprake van werkingen die Christus op ons uitoefent en gaven die Hij ons toezendt, maar ook van zijn tegenwoordigheid. „Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”, woorden die men verzwakt door ze figuurlijk op te vatten. Waar twee of drie in zijn naam te zamen zijn, daar is Hij in hun midden.

Op die tegenwoordigheid komt het dus aan. Niet daarop dat Hij aan ons denkt en voor ons bidt, noch ook daarop dat hij werkingen naar ons laat uitgaan, neen, maar dat Hij bij ons is, en zijn tegenwoordigheid bekend wordt.

En dit nu, dit alomtegenwoordig zijn, dit overschrijdt geheel en volstrektelijk het perk van. het menschelijke. Zulke alomtegenwoordigheid is een goddelijk merk. Wel is Hij als Hoofd, zoo ge wilt, steeds waar zijn lichaam is, en bestaat reeds hierin een organische tegenwoordigheid. Maar wat de Middelaar ons beloofde is meer. Niet slechts het „Ik in u en gij in mij”, d.w.z. de organische tegenwoordigheid, maar ook „Ik ben in uw midden”, „Ik ben met u”, wat het organische perk geheel te boven gaat.

Vandaar dat onze Gereformeerde kerken naast deze organische of immanente tegenwoordigheid, steeds standvastig de transcendente tegenwoordigheid van den Christus hebben beleden door zijn Majesteit, zijn Genade en zijn Geest.

En als men nu tegenwerpt, dat dan toch dit goddelijke en menschelijke in den Middelaar uiteen worden gerukt, antwoordt de Catechismus helder en kort, door te wijzen op de miskenning juist van de goddelijke alomtegenwoordigheid die in zulk een tegenwerping schuilt.

Uiteenrukken van de goddelijke en menschelijke natuur onderstelt toch, dat de menschelijke natuur een perk of grens aan de goddelijke zou kunnen stellen, en dat men zou kunnen zeggen: Hier is wel de menschelijke, maar niet de goddelijke natuur. |24|

Overmits nu echter de goddelijke natuur juist alomtegenwoordig is, en men dus nooit zeggen kan, dat waar de menschelijke natuur is de goddelijke niet zou zijn, zoo vervalt deze tegenwerping vanzelf.

Nooit en nergens kan van de goddelijke natuur gezegd worden, dat ze ergens niet zou zijn. Ze is overal, en dus moet ze ook in de menschelijke natuur des Middelaars zijn. En de Catechismus antwoordt dan ook zeer terecht: „Overmits de Godheid onbegrijpelijk 1) is, d.w.z. door niets bevat, besloten of begrensd kan zijn, en dus overal tegenwoordig is, zoo moet volgen dat ze te gelijk én buiten hare aangenomen menschheid is, én nochtans persoonlijk met haar vereenigd blijft.”

En wat men hiertegen heeft ingebracht, dat in dien zin de presentie des Heeren ook in de hel en in den duivel is, en dat zulk een redeneering dus óf niets óf te veel zegt, houdt geen steek.

Want immers, het is volkomen waar, dat ook al beddet gij u in de hel, God ook daar zijn zou, maar, en dit wordt door wie zoo spreekt uit het oog verloren, God is in zijn schepsel tegenwoordig op zeer onderscheiden manier en in elk schepsel naar zijn aard.

Anders in de electrische kracht dan in het groeien van de lelie. Anders in uw lichaam dan in uw ziel. Anders in een goddelooze dan in een godvruchtige. Anders in een engel dan in een duivel. Anders in hen die om Christus’ wil worden aangenomen dan in den eeniggeboren Zoon.

En overmits het nu in den Middelaar is een persoonlijk zijn van den Zoon in onze aangenomen menschheid, zoo openbaart zich de Godheid in dien Middelaar ook op geheel eigene wijze. Niet inwonend noch instralend, maar zijnde in den Middelaar de Persoon zelf, die onze natuur aannam.




1. Onbegrijpelijk had oudtijds tweeërlei beteekenis, eigenlijk en overdrachtelijk. „De zee is onbegrijpelijk” beduidde: De zee is zoo groot dat ze nergens in kan besloten of begrepen worden. Nu is onbegrijpelijk alleen nog figuurlijk in gebruik.