Tweede hoofdstuk.

Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezichte Gods voor ons.

Hebr. 9 : 24.


Staande in de stellige belijdenis van het besliste onderscheid, dat deze aarde hier beneden en den hemel daarboven tot twee ook plaatselijk verschillende deelen in Gods schepping maakt, waren onze Gereformeerde kerken te allen tijde in staat, om bij het wondere mysterie van Christus’ Hemelvaart in het rechte spoor te blijven.

Hierdoor toch konden ze, zonder eenig woordenspel, het feit zelf der |12| Heilige Schrift belijden, dat Christus metterdaad voor het oog zijner jongeren ten hemel is gevaren. Niet dat deze jongeren zich inbeeldden dat Hij opvoer, maar dat ze als getuigen er bij stonden toen Hij opvoer. Dat Hij opvoer en zij het zagen, en omdat ze het gezien en met eigen oogen aanschouwd hebben, er van hebben getuigd.

Ze merkten op, hoe de Heilige Schrift, hier onze zwakheid en natuurlijke twijfelzucht te hulpe komende, zich zelfs uitput, om deze plaatselijke hemelvaart zoo duidelijk mogelijk te teekenen. Vooreerst door te zeggen, dat de Christus met zijn apostelen den Olijfberg opging; op den top van den Olijfberg met hen was en met hen sprak; na gesproken te hebben afscheid van hen nam; toen opvoer daar zij het zagen; door een wolk van voor hun oogen wierd weggenomen; dat daarna de apostelen met hun oogen opwaarts in hen hemel ziende, Hem nastaarden en natuurden; dat er toen twee engelen bij hen stonden in menschengedaante, gehuld in witte kleeding; dat deze twee engelen in menschelijke woorden tot hen spraken; nogmaals het feit herhaalden, dat deze Jezus wel wezenlijk ten hemel was opgenomen; en er bijvoegden, dat deze Jezus, gelijkerwijs zij Hem naar dien hemel hadden zien opvaren, zoo ook uit dien hemel eens weder zou komen, naar diezelfde aarde die Hij nu verlaten had. En eindelijk dat daarna deze jongeren, die eerst met Jezus den Olijfberg waren opgestegen, nu zonder Jezus van den Olijfberg terugkeerden, en, in heilige verwachting van de dingen die komen zouden, wegscholen in Jeruzalem.

Het denkbeeld, alsof de Heere Jezus in zijn opstijgen door het firmament zijn lichaam zou hebben afgelegd en verloren, om nu voortaan alleen geestelijk in den hemel te verkeeren, kon evenmin bij onze Gereformeerde belijders opkomen. Immers ze hadden van den heiligen apostel Paulus geleerd, dat Christus eenmaal het lichaam zijner geloovigen „gelijkvormig zou maken aan zijn heerlijk lichaam door diezelfde kracht, waardoor Hij ook alle dingen aan zichzelven kan onderwerpen”. (Fil. III : 21).

Ze wisten en beleden derhalve, dat de Christus niet alleen van deze aarde opvoer, de hemelen doorging, en alzoo in het centrum van den hemel aankwam, maar ook dat Hij sinds dat oogenblik aldoor in zijn lichaam had verkeerd; slechts met deze verandering, dat dit zijn lichaam, dat eertijds het spoor van het vergankelijke droeg, thans wierd een heerlijk lichaam, en dus verheerlijking moest ondergaan hebben.

Wel bezien greep er dus een dubbel mysterie plaats, dat wel dient onderscheiden. Vooreerst veranderde de Christus van woonplaats. Aanvankelijk was Hij vleesch geworden en had onder ons gewoond. Nu had Hij ons verlaten, om in te gaan in het heiligdom daarboven.

Maar ook, ten tweede, veranderde er iets aan den Christus. Nu wonende |13| in den hemel daarboven en zijn Middelaarschap bedienende in het heiligdom, dat niet met handen gemaakt is, is de Christus anders dan Hij op aarde was. Hij is nu verhoogd en verheerlijkt.

Deze verhooging of verheerlijking van den Christus had reeds een aanvang genomen. met zijn opstanding. Niet, gelijk vele Lutherschen leeren, met zijn nederdalen ter helle, want, gelijk we bij de zestiende Zondagsafdeeling breed aantoonden, de nederdaling ter helle verzinkt diep in zijne vernedering en is van zijne verhooging eer het tegendeel. Neen, er zijn in de verhooging van den Middelaar slechts vier trappen. Ze vangt aan bij de Opstanding, wordt voortgezet in de Hemelvaart, komt tot aanvankelijke rust in zijn gezet worden aan de Rechterhand Gods in de hoogte, en zal haar eindpaal eerst bereiken bij zijn Wederkomst ten gerichte.

Zeer juist zegt daarom de Catechismus, dat de Hemelvaart van Christus hierin bestaat, dat „Hij opgeheven is in den hemel en ons ten goede daar is, tot Hij wederkomt om te oordeelen de levenden en de dooden.”

Hierop moet zelfs nadruk gelegd. Jezus’ Hemelvaart mag niet op één lijn gesteld met Henoch’s wonderbaar wegvaren van deze aarde, noch met Mozes’ verscheiden, noch ook met Elia’s opvaren in een vurigen wagen en met vurige paarden. De hemelvaart van Christus is volstrekt niet enkel de aanduiding van de wijze waarop Hij zonder nogmaals te sterven wegvoer van deze aarde. Het is integendeel de aanvang van een lijn die doorgaat tot op den jongsten dag. Op den Olijfberg is het aanvangspunt van die lijn der glorie, maar het eindpunt van die lijn zal eerst bereikt zijn, als de heerlijkheid voor al zijn volk ingaat, en Hoofd en leden saam in heerlijkheid schitteren zullen. Al wat daartusschen ligt komt er dus bij, en wordt door den Catechismus aangeduid met de woorden, dat Hij ons ten goede daar is. Van ons weg, en toch ons nabij. Van ons gescheiden en toch rusteloos met ons en voor ons bezig. Eén machtige voortzetting van het verlossingswerk, geen oogenblik gestoord noch ooit afgebroken, en reeds in de ure der Hemelvaart profeteerende van die glorieuse einduitkomst, als eens zijn glorie volkomen zal zijn in den triomf over al zijn vijanden en de heerlijkmaking van al zijn verlosten.

Maar juist daarom kunnen noch mogen we dan ook bij het enkele feit van Jezus’ opvaren ten hemel blijven staan, en rijst met klem de vraag, welke verandering Jezus zelf door zijn hemelvaart onderging. Ook in den hemel daarboven blijft Hij met ons bezig, voor ons arbeidend, voor ons strijdend, ons ten goede daarboven in het heiligdom verkeerende; maar toch in den hemel daarboven verkeert Hij zelf in anderen toestand, dan hier op aarde. Hij is om zijn gehoorzaamheid tot in den dood, ja tot in den dood des kruises, uitermate zeer verhoogd. Hij is door lijden in zijn |14| heerlijkheid ingegaan. Hij heeft nu ontvangen een naam boven allen naam die genoemd wordt in den hemel en op aarde. Alle machten zijn Hem onderworpen. En het lichaam waarin Hij thans verkeert is niet meer in gelijkheid des zondigen vleesches, maar heerlijk.


Verandering greep er dus onmiskenbaar plaats; de vraag is nu maar, wat hebben we van deze wonderbare verandering te denken; en het is juist bij de beantwoording dier vraag dat de kerken die zich naar Luther noemen, een ander pad kiezen dan de kerken der Gereformeerden.

Immers hoort men de Lutherschen, dan weerspreken deze broederen wel de zonderlinge voorstelling van Schwenkfeld en andere geestdrijvers, alsof eerst onder het opvaren ten hemel de goddelijke natuur in den Christus zijn menschelijke natuur zou doordrongen hebben, maar dat er zulk een doordringen van de menschelijke door de goddelijke natuur bestond, leerden toch ook zij.

Ze vervielen namelijk reeds vroeg in de oude dwaling van Eutyches, alsof de vleeschwording van het Woord eigenlijk een dooreenmenging van de beide naturen zou geweest zijn. Alleen gaven ze toe, dat gedurende zijn omwandeling op aarde deze vermenging en doordringing nog niet uit was gekomen, en leerden dienvolgens, dat nu het wonder der Hemelvaart juist hierin bestond, dat deze doordringing van de menschelijke natuur door de goddelijke, die reeds van de heilige ontvangenis van den Christus al bestond, maar die langen tijd verborgen bleef, en slechts een enkel maal doorstraalde, nu, bij zijn Hemelvaart, tot volle doorbreking kwam.

Voor het onderhavig onderwerp doet het er dus niets toe, waar ze stellen dat deze oorspronkelijke vermenging of doordringing begon, want feit blijft toch dat ook volgens hun voorstelling van den Christus, gelijk Hij thans in den hemel verkeert, de goddelijke natuur metterdaad de menschelijke doordrongen heeft.

De Middelaar, gelijk zij zich dien thans in den hemel denken, is niet een Christus in wien de beide naturen onderscheiden zijn gebleven, zoodat alleen de goddelijke natuur goddelijke en de menschelijke natuur geen ander dan menschelijke eigenschappen bezit, maar integendeel stellen ze, dat de Middelaar, gelijk die thans in den hemel verkeert, de eigenschappen zijner goddelijke natuur aan zijn menschelijke natuur heeft meegedeeld.

Het kwam de Luthersche kerk hierbij voornamelijk aan, op die majestueuse eigenschap der goddelijke natuur, die wij in onze stamelende taal noemen Gods heilige alomtegenwoordigheid.

Het Eeuwige Wezen is door niets beperkt of gebonden. „Zoo ik opvoer ten hemel, zie, Gij zijt daar, of bedde ik mij in de hel, zie Gij zijt daar!” |15| Dat nu deze goddelijke eigenschap van alomtegenwoordigheid ook aan den Zoon met den Vader en den Heiligen Geest gemeen is, spreekt vanzelf, en wordt door alle kerken beleden. Daarover loopt dus het geschil niet. Maar overmits de Zoon het vleesch heeft aangenomen, en dus, God zijnde en God blijvende, thans in onze menschelijke natuur verkeert, rees de vraag, of deze alomtegenwoordigheid, die aan zijn goddelijke natuur ongetwijfeld eigen is, nu ook wierd medegedeeld aan zijn menschelijke natuur; en wel in zulk een zin, dat ook aan het lichaam van Christus alomtegenwoordigheid moet worden toegekend.

En op die vraag nu antwoordt de Luthersche kerk even beslist ja, als onze Gereformeerde kerken daarop neen zeggen.

Niet, gelijk oppervlakkige taal vaak beweert, alsof de Lutherschen dit enkel zoo leeraarden om hun Avondmaalstheorie te redden. Zoo gaat in geen kerk van Christus het leven en het denken toe. Neen, èn deze Avondmaalstheorie èn deze leer van de alomtegenwoordige eigenschap van Jezus’ verheerlijkt lichaam, waren beide gelijkelijk uitvloeisel van éénzelfde gronddwaling, die veel dieper ligt, dan de meeste wanen.

God en menschen moeten uit elkander worden gehouden. God en mensch zijn twee. De Schepper en zijn schepsel zijn in den grond van hun wezen en bestaan onderscheiden. Er ligt tusschen God, en mensch een grens die niemand overschrijden kan. God is en blijft eeuwig God, en het schepsel is en moet eeuwig schepsel blijven. En elke poging om deze grens uit te wisschen of te verflauwen, loopt er altoos op uit, dat de mensch als God wil zijn, en in God en het goddelijke niets dan een verhoogd en verheerlijkt menschelijk aanzijn erkennen wil. Het is de diepe zonde van het Pantheïsme.

En nu komt het natuurlijk niet in ons op, om onze Luthersche broederen uit de dagen der Hervorming te beschuldigen, als ware het hun toeleg geweest, om aan het Pantheïsme ingang te verschaffen. Eer streden ze daartegen met al hun macht. Maar desniettemin moet volgehouden, dat ze ongemerkt, onbewust en zonder het te bedoelen, metterdaad dit kwaad in de hand hebben gewerkt.


Hoe dit bij de erkende vroomheid des gemoeds, die hen ijveren deed, toeging, valt niet moeilijk in te zien.

Als ge u toch goed indenkt, wat het zegt, dat er zulk een grens, zulk een diepgaand onderscheid en dus zulk een afstand tusschen u en uw Schepper bestaat, zult ge ook vatten, hoe in het vroom gemoed de stille bede en de heilige drang kan opkomen, om, kon het en ware het mogelijk, dezen afstand in te korten, en zoo in hooger en inniger zin nabij God te zijn. |16|

Er is namelijk tweeërlei afstand die ons van den Eeuwige scheidt. Tusschen onzen God en ons gaapt eenerzijds de schrikkelijke kloof der zonde, en ligt anderzijds de onmetelijke afstand die ons als eindige creaturen van den Oneindige scheidt. Nu is die klove der zonde tegennatuurlijk, alleen door onze schuld ontstaan en moet dus weg, maar is die andere tegenstelling tusschen het eindig creatuur en de oneindigheid van het Eeuwige Wezen bestemd om eeuwig te blijven. Die kan nooit weg.

Staat een kind van God dus zuiver, dan schreit hij in zijn ziel over de klove die hem van den Eeuwige scheidt, voorzoover die klove door eigen zonde ontstond. Dáártegen worstelt hij in. Die klove bidt hij dat zijn Middelaar voor hem dempe. Over die klove heen dorst zijn ziele naar de gemeenschap met den levenden God.

Daarentegen die andere klove, die in het onderscheid tusschen zijn kleinheid en eindigheid en de oneindige majesteit des Heeren Heeren gaapt, meet hij, in stee van die te willen dempen, al breeder uit. Hoe verder hij op den weg des levens voortschrijdt, hoe grootscher gedachten hij van de majesteit Gods en hoe kleiner gedachte hij van zijn eigen nietigheid krijgt. Die afstand wordt steeds grooter. En hoe grooter die afstand wordt, hoe inniger en zaliger zijn aanbidden van het Eeuwige wezen.

Maar, en dit nu is het groote gevaar, waaraan vrome, mystiek-aangelegde zielen steeds bloot staan, die beide zeer onderscheidene kloven worden nu vaak verward.

Omdat de klove die in de zonde gaapt, weg moet, neigt men er nu toe om ook die andere klove te dempen die tusschen ’s Heeren oneindigheid en onze eindigheid ligt, en raakt door die bittere verwarring op een schriklijk dwaalspoor.

In het Paradijs ziet ge duidelijk, hoe deze laatste klove tusschen God en mensch door God zelf gesteld en verordineerd is, en hoe niet God maar Satan er den mensch toe verleidt, om die tweede klove te overbruggen. De mensch moest mensch blijven, en moest niet als God zijn. Maar Satan treedt aanstonds op, om hem in het oor te fluisteren: „Die klove tusschen u en uw God moet weg. Uw oogen moeten geopend worden, en ook gij moet als God zijn.”

Wel verre van daar dus, dat er ooit iets vrooms of heiligs zou gelegen, zijn in dit mystieke pogen om den afstand tusschen den oneindigen God en ons eindige wezen op te heffen, ligt veeleer in elk pogen van dien aard het eigen wezen der zonde. Zeer bedekt, het is zoo, maar niettemin wezenlijk. In zeer vrome windselen gewonden, maar niettemin zeer onvroom in zijn innerlijke drijfkracht.

En het is dit kwaad nu, dat door Eutyches het eerst in de belijdenis |17| van den Christus wierd ingedragen, en dat door de Luthersche godgeleerden overgebracht is op de verhooging van den Middelaar.


Christus is metterdaad als Middelaar de geroepene en van God verordineerde, om de klove tusschen den Heere Heere en ons, zijn gevallen schepselen, te dempen. Maar welke klove dempt Christus door zijn Middelaarschap? Op die vraag komt het alleen aan. En dan zeggen we, dat Christus gekomen is eeniglijk en uitsluitend om die klove te dempen, die de zonde tusschen den heiligen God en ons onheilige zondaren groef; maar in geen enkel opzicht als Middelaar geroepen was, om de klove te dempen die ons, eindige wezens, afscheidt en onderscheidt van den Oneindige.

Integendeel, wil men het Middelaarschap van den Christus ook met die tweede klove in verband brengen, dan zeggen we zoo beslist mogelijk, dat Christus door zijn Middelaarschap die tweede klove juist verbreed heeft en weer teruggebracht tot haar oorspronkelijke van God bestelde afmetingen.

Onze zonde was het die, op Satans aansporen, die klove had pogen weg te nemen, en Christus is het, die al wat wij in de klove geworpen hadden er weer voor ons uittrok, opdat voor het bewustzijn van Gods kinderen die van God verordineerde klove weer in al haar onpeilbare, bodemlooze diepte zou ontkomen.

En al de namelooze ellende, die deze valsche mystiek der geestdrijvers, die de vloek van het Pantheïstisch drijven, en de valsche ader der Vermittelungstheologie over Christus’ kerk gebracht heeft, is nu juist hierin gelegen, dat men den Middelaar dienst laat doen, ja, ook om de klove der zonde weg te nemen, maar toch eigenlijk eerst en meer nog om ook die andere klove tusschen Gods oneindigheid en onze eindigheid voor ons zielsbewustzijn te dempen.

En dit nu is de zonde, die ook in deze averechtsche leer van de verkeerd voorgestelde verhooging van den Heiland ligt.

Christus was God. Deze Christus die God was nam onze natuur aan. Zoolang ik dus belijden blijf, dat de goddelijke en de menschelijke natuur, als oneindig de ééne en eindig de andere, ook in den Christus principieel van elkander onderscheiden blijven, loop ik zuiver. Maar bega ik de fout om in den Christus de grens tusschen die beide op te heffen, en te zeggen dat in den Christus de ééne natuur de andere doordrong en aan de menschelijke natuur een oneindige eigenschap van alomtegenwoordigheid wierd meegedeeld, dan is op dit ééne punt althans de klove, die het creatuurlijke en den Schepper vaneenscheidt, weggenomen, en het „als God zijn” toegekend aan een geschapene menschelijke natuur. |18|

En daarom blijven we ons met hand en tand tegen zoo diep onware voorstelling verzetten.

Christus’ menschelijke natuur was evengoed creatuurlijk als de natuur waarin wij leven, want immers onze natuur nam Hij aan. Te zeggen dat in Christus deze menschelijke natuur als Gods natuur wierd, is derhalve zeggen dat onze natuur vergoddelijkt is. En dit te bedoelen of over de lippen te laten komen, wat is het anders dan nog eens, en nu op vrome wijze terugvallen in de oude zonde van het Paradijs?




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002