Zondagsafdeeling XVIII.



Vraag 46. Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?

Antwoord. Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordeelen de levenden en dooden.

Vraag 47. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, alzoo Hij ons beloofd heeft?

Antwoord. Christus is waarachtig mensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij nu niet meer op aarde; maar naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Vraag 48. Maar zoo de menschheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Antwoord. Ganschelijk niet; want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk en overal tegenwoordig is, zoo moet volgen, dat zij wel buiten hare aangenomen menschheid is, en nochtans persoonlijk met haar vereenigd blijft.

Vraag 49. Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Antwoord. Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons zijne lidmaten ook tot zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door welks kracht wij zoeken dat daarboven is waar Christus is zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.




Eerste hoofdstuk.

En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en eene wolke nam Hem weg van hunne oogen.

Hand. 1 : 9.


De Hemelvaart van Christus is in onzen Catechismus veel breeder opgevat dan de Opstanding.

Tegenover slechts ééne vraag, die aan de Opstanding is gewijd, staan er vier, die de Hemelvaart bespreken. |6|

Hieruit leide echter niemand af, dat de opstellers van den Catechismus de Hemelvaart in waardij boven de Opstanding plaatsten. Er bestond voor deze ongelijkmatige verdeeling een geheel andere oorzaak. Immers over de Opstanding bestond destijds onder de Christenen geen geschil. Met opzicht tot de Opstanding beleden ze allen eenzelfde belijdenis. Daar viel dus kerkelijk niet zoo over uit te weiden. Daarentegen over de Hemelvaart was meer dan een geschil, was zeer booze twist zelfs en scherpe controvers gerezen; niet tegenover de ongeloovigen, en ook niet tegenover Rome, maar tegenover de broederen, die Luther volgden.

Gemeenlijk beeldt men zich in, dat het hoofdverschil tusschen de Lutherschen en de Gereformeerden ligt in de consubstantiatieleer omtrent het heilige Avondmaal; en geen oogenblik ontkennen we natuurlijk, dat op dit punt de breuke viel en het sterkst door het volk gevoeld werd. Maar niettemin is deze voorstelling onjuist. Het geschil over het Avondmaal is slechts afgeleid, ook het geschil over de nederdaling ter helle is bijkomstig, over de praedestinatie bestond oorspronkelijk geen principieel geschil, maar wel was principieel het verschil over den Christus in zijn Hemelvaart.

Dit geschil liep in hoofdzaak over de vraag, of de menschheid in den Middelaar thans in den hemel vergoddelijkt is, dan wel of zijn menschelijke natuur ook in den hemel zijn menschelijke en creatuurlijke hoedanigheden zuiver behoudt.

Het is alzoo een geschil, niet over iets dat in het verleden ligt, maar over den toestand waarin de Middelaar nog op dit eigen oogenblik verkeert; een geschil dus ook over de wijze waarop ons verheerlijkt Hoofd ook nu nog op zijn kerk en in zijn geloovigen werkt; en alzoo een geschil voor alle eeuwen, met name ook voor de onze, van uiterst actueel belang.

Dit voelden Olevianus en Ursinus, en het was daarom dat ze dit stuk zoo uitvoerig ter sprake brachten. Dit heeft men, na hun verscheiden nog een eeuw lang gevoeld, toen men de leden der gemeente zeer breed op dit punt inlichtte. En onaandoenlijk hiervoor is men eerst in de vorige eeuw geworden, toen eigenlijk de vraag naar de levensgemeenschap met den verheerlijkten Heiland almeer onder dorre redeneering en plat zedevermaan begraven wierd.

Ook in onze eeuw heeft men in die onverschilligheid volhard. Met de Lutherschen twistte men niet meer. De Lutherschen hier te lande waren te invloedloos om hen te duchten. Meest zelfs waren ze hoogstens nog Luthersch in naam, zonder aan het kenmerkende van hun belijdenis waarde te hechten. Wat zou men dan, aan Jezus’ Hemelvaart toegekomen, de |7| saamgevloeide gemeente nog bij deze verouderde geschillen ophouden? En zoo sloeg men de 47e en 48e vraag liefst over en sprak enkel over de Hemelvaart en haar vrucht.


Dat dit echter een zeer ernstige fout was, springt terstond in het oog, als men er op letten wil, dat de Luthersche kerk in Duitschland een onbeperkten invloed bezit, in Duitschland geheel de theologische ontwikkeling beheerscht, en uit Duitschland ook onze meeste hoogleeraren en predikanten theologisch gevormd heeft.

Noch in Leiden, noch in Groningen, noch in Utrecht is een zelfstandige theologie ontwikkeld. Ook is aan geen dezer academiën de oude Gereformeerde lijn voortgezet. Maar aan al deze universiteiten is men als een sloep achter het Duitsche admiraalschip aangekomen. Schleiermacher beheerschte aller geest. En met name wat wijlen de hoogleeraren Hofstede de Groot, Van Oosterzee en Doedes, wat de zoo vroeg gestorven Chantepie de la Saussaye, en nu nog de hoogleeraar Gunning, met zijn vrienden onder allerlei naam als Groninger theologie, Vermittelungs theologie, critische theologie, ethische of apocalyptische theologie gedreven hebben en nog drijven, is altegader uit Duitschland ingevoerd en uit een vreemd Luthersch land tot ons gebracht.

Tengevolge hiervan is op hetgeen thans in Nederland voor theologie doorgaat allengs geheel het Duitsch-Luthersche stempel gedrukt, en is het Nederlandsch-Gereformeerde karakter er schier geheel aan ontnomen.

En wat er dan nog in onze godgeleerde wereld van Gereformeerde herinneringen over is, sproot veel meer uit de gemeente, dan uit de academiën. Het zijn onze boeren en lastige kleine burgers, die de verduitschte en verlutherste predikanten weer eenige Nederlandsche kruiden en Gereformeerde druppelen hebben toegediend.

Had de theologie der Overheidsscholen vrij spel gehad, dan ware er geen schijn of schaduw van een Gereformeerd wezen ten onzent meer te ontdekken, en het is de geloovige gemeente en niet de universiteit die het erfgoed der vaderen tegenover hun voorliefde voor de vreemde theologie bewaard heeft.

Want wel dreef historische zin ook aan de academiën, om nu en dan het bewijs te leveren, dat men de historische Gereformeerde paden niet vergat; maar meer dan een zeer oppervlakkigen schijn bood dit niet. Wie toch de geschriften van Van Oosterzee, Chantepie de la Saussaye, Gunning enz. kent, ziet terstond, dat hun voorstelling van de Gereformeerde belijdenis een stellig onjuiste is, en slechts strekt, om bij elk der |8| groote tegenstellingen het Gereformeerde voor het niet-Gereformeerde te doen wijken. Iets wat daarom zoo onverholen mag en zoo beslist moet uitgesproken, omdat deze reconstructie van het Gereformeerde volstrekt niet schuchter te werk ging, maar doordrong tot het fundament.

Heeft men hier nu een oog voor, en ziet men dus, hoe de oude Luthersche dwaling uit de 16e eeuw thans in geheel de ethische theologie onder vreemd etiket hier binnensloop, om eerst onze academiën, en later onze kansels van hun Gereformeerde belijdenis te berooven, dan zal men terstond gevoelen, dat we in de 18e Zondagsafdeeling over Jezus’ Hemelvaart volstrekt niet staan tegenover een verouderd verschil, dat ons niet meer zou aangaan, maar tegenover eene dwaling, die op nog veel bedenkelijker wijze dan destijds onze eigen belijdenis bedreigt, die bezig is onze kerk geheel te ontdoen van haar eigenaardig karakter.

En voelt men dat, dan is prediken over dezen Catechismus geen gedwongen werk meer, waarbij men over de belangrijkste geschilpunten heenleest, maar integendeel, een in hooge mate bezielende arbeid, waarbij men plotseling midden in de groote tegenstelling van onze eigen levensdagen staat.


De diepe vraag, die hier terstond geschil maakt, is de vraag naar wat de hemel is.

Jezus voer op van de aarde naar den hemel. Wat nu de aarde is weten we. We weten ook wie Jezus was toen hij opvoer. Maar om tot recht verstand der zaak te komen, moet men natuurlijk ook de derde onbekende in deze formule oplossen, en zich ook rekenschap geven, van wat te verstaan zij onder den hemel.

En wat wordt nu desaangaande in onze dagen meest geleeraard? Immers dit, dat de hemel niet zoozeer als een plaats mag gedacht, maar meer begrepen moet als een toestand.

In het eind der vorige en het begin van deze eeuw was men nog in de sentimenteele periode. Ook ten onzent ging Feith vooral er ons in voor, om den hemel als een soort van keurig gesierde gaarde voor te stellen, met nog fijner bloemen, met nog reiner geuren, met heerlijker dreven, met nog prachtiger zalen. En in die dreven en in die zalen was het dan vooral om de afgestorvenen te doen.

Het was een hemel zonder God geworden. En waar men nog van den Eeuwige repte, was Hij van den hemel meer sieraad, dan dat de hemel om Hem was.

Nu, dat de ethische theologie aan die ziekelijkheid een einde gemaakt heeft, nemen we haar in dank af. Dat ziekelijk spelen met de eeuwigheid |9| was ergerlijk. En dat de ethische theologie, dien sentimenteelen droom wegvagend, ons weer opriep om van den hemel niet aardschelijk en van de majesteit Gods niet zinlijk te denken, is een daad die prijs verdient; ook al loopt ze bij velen hunner door hun Chiliasme thans weer gevaar, om door de achterdeur binnen te laten, wat ze door de voordeur uitdreef.

Maar hoe hoog we haar verdienste in dit opzicht ook aanslaan, toch mag daarom geen oogenblik het oog gesloten voor de groote schade, die ze op geestelijk terrein aanrichtte, toen ze het begrip van den hemel zwevend maakte. In het zwevende ligt al de kracht der ethische godgeleerdheid. Ze wischt allerwege de scherpe grenzen uit; laat op elk terrein de eene in de andere sfeer overloopen, en verwart op die noodlottige wijze elke voorstelling en elk begrip.

Vandaar dan ook haar zeggen, dat eigenlijk de hemel geen plaats, maar een toestand is, en dat dus ook de volstrekte grens tusschen aard en hemel wegvalt.

Hiertegen nu sta in naam der Gereformeerde theologie ons zeer ernstig protest.

Al wat den hemel aardsch zou maken; al wat onze grof zinnelijke voorstelling, die aan het aardsche ontleend is, overbrengt in den hemel, is op het voetspoor van Calvijn, steeds door onze Gereformeerde kerken verworpen. Maar onder alles door, hield desniettemin onze Gereformeerde kerk steeds onverbiddelijk aan de openbaring der Heilige Schrift vast, die ons steeds den hemel leert kennen, als een eigen schepping Gods.

De hemel is een creatuur. Een creatuur in vollen zin, gelijk deze aarde en het firmament een creatuur Gods. God schiep den hemel en de aarde.

Aarde en hemel vormen dus een tegenstelling. Ze zijn niet één, maar twee. Aan den éénen kant staat deze aardsche schepping, waartoe ook zon, maan en starren hooren. En daartegenover staat een geheel andere schepping, wier bestaan ons wordt aangeduid onder den naam hemel. En zoomin iemand Gen. I : 1 lezende, ooit zou denken dat daar stond: „God schiep een toestand en deze aarde”, evenmin kan ooit met de Schrift in de hand volgehouden, dat de hemel en een toestand hetzelfde zou zijn.

Allerwegen wordt dan ook in de Heilige Schrift van dien hemel als van een afzonderlijke wereld, met een eigen aanzijn, met een eigen leven en met eigen vorm en hoedanigheden gehandeld.

De aarde hier en de hemel daarboven. Hier de sfeer der aarde en daarboven de sfeer des hemels. En in dien hemel, evengoed als hier op aarde, een volheid van creaturen en werkingen en krachten. |10|

Aarde en hemel vloeien dus niet inéén, maar zijn van den oorsprong der schepping af twee geheel afzonderlijke levenskringen, die beide hun eigenaardig aanzijn en bestaan danken aan een schepping van Gods Almacht.

Toch vatte men dit niet zoo op, alsof volgens de Heilige Schrift, alle overeenkomst en trek van gelijkheid tusschen den hemel en deze aarde ontbreken zou. Dit kan niet. Reeds hierom niet, overmits de menschen van deze aarde worden opgeroepen, om eens dien hemel in te gaan, en omgekeerd de engelen uit den hemel op aarde verschijnen en zich hier aan menschen openbaren in een menschelijk woord.

In de woestijn, op den berg, toonde God de Heere dan ook aan Mozes het voorbeeld der hemelsche dingen (Exod. XXV : 40), en beval hem, dat hij een tabernakel naar dit hemelsch model maken zou. Gelijk voorts de Heilige Schrift ons er allerwegen in voorgaat, om zekere overeenstemming tusschen den hemel en de aarde aan te duiden. Let slechts op het Jeruzalem hier beneden en het Jeruzalem daarboven; op het Vaderhuis met zijn vele woningen; en op den troon der majesteit in de hoogste hemelen.

Hemel en aarde zijn dus wel twee onderscheiden scheppingen, maar toch geen twee scheppingen, die niets met elkander uitstaande zouden hebben, of als twee afgesloten sferen niet tevens voor elkander zouden bestaan. Integendeel, hemel en aarde zijn twee deelen van de ééne groote schepping Gods, die uit één raad des willens voortgevloeid, dienstbaar wordt gemaakt aan de volvoering van het ééne groote en aanbiddelijke Godsplan.

Slechts met dit vaststaand onderscheid, dat de hemelsche schepping of de hemelsche wereld hooger staat, en het doel van dit aardsche leven niet in de aarde zelve maar in den hemel ligt.

Hiermee overeenkomstig is dan ook de tegenwoordigheid van het Eeuwige Wezen wel in beide scheppingen, maar toch in de hemelsche schepping veel klaarder openbaar. In den hemel is zijn troon, en de aarde is slechts de voetbank zijner voeten. En gelijk nu bij een mensch de rijkdom van zijn persoon veel sterker in zijn hoofd en hart dan in zijn voeten is, ook al is ook in die voeten het leven van zijn persoon waarneembaar, zoo ook is op aarde de tegenwoordigheid Gods wel herkenbaar, maar toch op verre na niet zoo sterk als in den hemel. Hij is en blijft, ook waar Hij op aarde ons met zijn ontferming bezoekt, toch altoos onze Vader in de hemelen.

Zoo ziet men dus, dat het ontzeggen aan den hemel van een plaatselijk karakter onhoudbaar is. |11|

Met welke ongelooflijke snelheid de lichtstraal zich ook voortbeweegt, toch is ook de lichtstroom altoos ergens. Geen creatuur, hoe ook gedacht of hoe ook voorgesteld, kan ooit bestaan zonder een creatuurlijk zijn te hebben, en van het creatuurlijke zijn is het begrip van plaats steeds onafscheidelijk. Wat niet ergens is, is overal en overal is alleen God zelf. Zijns is de alom- en overaltegenwoordigheid. Dit is zijn Scheppersmajesteit, de glorie zijner Godheid, zijn niet-creatuur zijn.

Ook van den hemel moet daarom beleden en erkend, dat hij wel terdege ergens is, dat hij plaatselijk is, dat hij niet alomtegenwoordig is, en volstrekt niet als een blooten toestand mag begrepen.

En al is het nu ook, dat we in onze onwetendheid te belijden hebben, dat we elke beschrijving van dit plaatselijk karakter des hemels schuldig moeten blijven, en zeer zeker de mogelijkheid moeten toegeven, dat de plaatselijkheid des hemels een veelszins ander karakter draagt dan de plaatselijkheid dezer aarde, toch mag deswege nooit toegegeven, dat de hemel het onmisbaar kenmerk van het creatuurlijke missen zou.

De hemel heeft een grens. Hij is niet God. Hij is niet de chaos. Hij is niet de aarde. Hij heeft een eigen bestaan, een eigen zijn, een eigen levensvorm. God kan zeggen: Daar is de hemel, en daar is de hemel niet.

En zoo verklaart het zich dan ook, hoe de Schrift ons leeren en de Catechismus belijden kan: dat Christus van deze aarde naar dien hemel is opgevaren; dat Christus de hemelen is doorgegaan en thans uit dien hemel op ons werkt en ons regeert.