Zesde hoofdstuk.

Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; wnat er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.

Gal. 3 : 13.


Eer de Catechismus aan het sterven zelf van den Heiland toe komt, bespreekt hij afzonderlijk het kruis. Er volgt toch in de Twaalf Geloofsartikelen na de woorden: „die geleden heeft onder Pontius Pilatus” deze belijdenis: is gekruist.

Dientengevolge stelt de Catechismus zich de vraag: „Waarom onderging Jezus juist den kruisdood? De kruisdood was toch onder Israël niet gekend. Waarom is hij niet als Stephanus gesteenigd? of gelijk hij het kort uitdrukt: Heeft dat iets meer in dat Hij gekruist is, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware?

Er bestond voor die vraag alleszins aanleiding. Niet de Romeinen, maar de Joden hebben naar hun wet Jezus’ dood geëischt. Het zou dus een veel natuurlijker loop van zaken zijn geweest, zoo de Joden zelf Jezus uit den weg hadden geruimd. En werp hier nu niet tegen, dat hun het recht om een doodvonnis te voltrekken, ontnomen was; want het voorbeeld van Stephanus toont overtuigend, dat de Romeinsche procurator de uitvoering van een soort eigen rechting door de vingers zag; en bovendien de lage door de veertig gezworenen tegen Paulus gelegd, bewijst dat de Joden nog wel andere middelen kenden, om zich van een lastig tegenstander te ontdoen.

Voor de Joden als zoodanig was het om het even, hoe ze van Jezus afkwamen; zoo Hij maar uit den weg was. En als ze dan toch het niet aandurven om Hem zelven te rechten, maar met belijdenis van eigen onmacht naar den Romeinschen landvoogd gaan, dan drong hen zeker een onbestemde vrees, dat een eigen rechting eens op verzet van het volk mocht stuiten (denk aan de zware wacht bij de gevangenneming); maar hebben ze tevens alzoo den raad Gods vervuld, die niet slechts den dood des Zoons, maar bepaaldelijk zijn kruisdood eischte; eene wijze van beschikking, waarop reeds in Psalm XXII gezinspeeld was.

Voegt ge hier nu bij, dat juist het kruis van Christus het symbool der Christenheid is geworden; dat dit kruis van Golgotha voor elks verbeelding als geplant staat; dat aan dit kruis door de Christenheid symbool na symbool in vorstenkroon en eeresieraden ontleend is; ja dat dit |418| kruis den figuurlijken naam schonk aan alle lijden, dat in Christus’ naam gedragen wordt, — dan is zeker alleszins de poging der Opstellers gerechtvaardigd, om in dit kruis als zoodanig een bijzonder stuk onzer zaligheid te zien.

Dit nu wordt door den Catechismus zóó verklaard, dat op ons van nature niet slechts de straffe der ellende en des doods, maar ook van den vloek lag, en dat het deze vloek is, dien Jezus, door op het kruis te sterven, van ons op zich geladen heeft; want, zegt hij: de dood des kruises van God vervloekt was.


Om dit wel te verstaan, hebben we ons eerst af te vragen: „Wat is de vloek?” en het antwoord op die vraag ligt in het bescheid op deze andere: „Wat is zegen?” Immers vloek en zegen staan heel de Schrift door tegenover elkander.

Zegen nu duidt in de Heilige Schrift aan een uitspraak der lippen. Iemand zegenen is den zegen over hem uitspreken. Als zoodanig komt het telkens voor. Denk slechts aan Abrahams roeping; aan den zegen dien Jakob zocht. Aan Ebal en Gerizim.

Waar nu een mensch zegen spreekt, hangt het al dan niet komen van dien zegen af, niet van dien mensch, maar van God, d.i. van de vraag of het Gode belieft den inhoud van die zegenspreking te schenken. Op tweeërlei wijze kan dit. Of zoo, dat iemand macht van God ontving, om den zegen op een persoon of een volk te leggen. Of wel in dien zin, dat hij, die den zegen uitspreekt, er geen last toe ontving, maar het waagt op Gods trouwe, en dus den zegen biddende uitspreekt.

Een bedienaar des Woords b.v. heeft krachtens zijn ambt last en volmacht van ’s Heeren wege, om den zegen op de gemeente te leggen. Hij spreekt dan: „De genade van onzen Heere Jezus Christus, en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen!” Niet in den vorm van een bede, maar als verklaring.

Treedt daarentegen iemand op, die niet in het ambt staat, die mist dien last en die heeft niet zulk een volmacht. Hij kan daarom den zegen niet op de gemeente leggen, maar wel dien van God voor de gemeente afbidden. Zulk een zal dus niet de handen over de gemeente spreiden, maar ze biddend saamvouwen, en nu bidden: „Dat de genade van onzen Heere jezus Christus, de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes met ons allen zij!” Er zich zelven bij insluitend. Waarbij tevens nog zij opgemerkt, dat de inlassching van woorden als: „de liefde Gods [des Vaders] en de [troostvolle] gemeenschap des Heiligen Geestes zij [en blijve] met u allen!” volstrekt ongeoorloofd is, gebrek aan theologische |419| helderheid verraadt, en rechtstreeks indruischt tegen de eerbiedenisse die we aan de Apostolische formule schuldig zijn.

Doch dit daargelaten, zooveel blijkt dus reeds, dat zegen oorspronkelijk een uitspraak is, waarbij iets goeds en begeerlijks als belofte op iemand gelegd, of van God over hem afgebeden wordt.

Hiermee echter is het begrip van zegen nog niet doorgrond. Immers de eigenlijke zegen is niet de zegen dien menschen op ons leggen of ons toebidden, maar de zegen, dien God zelf over ons spreekt. En dit nu staat in verband met de Schepping. „Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt.” „God sprak: Er zij licht, en er was licht, en God zag dat het goed was!”

De oorsprong der Schepping ligt dus in Gods raad, maar komt uit dien raad door het Woord. God spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er.

Zoo leven we dus van den adem zijner goddelijke lippen. Spreken die goddelijke lippen ons ten goede toe, zoo is er leven, zoo is er vrede, zoo is er zaligheid. Houden die lippen zich in, zoo is er verdorring, matheid en verkwijning. En eindelijk openen zich die lippen over ons ten kwade, zoo is er ondergang en verderf.

De rijkste onderwijzing geeft hier Deuteronomium VIII, waar Mozes er zoozeer den nadruk op legt, dat Israël nog niet gebaat is met een berg van voedsel voor zijn aangezicht, want dat eigenlijk niet de spijs zelf, niet het eigenlijke brood, ons leven onderhoudt, maar dat onze voeding en onderhouding en de instandhouding van ons leven te danken is aan den zegen, dien het God belieft tot dit brood te spreken; of gelijk hij het in vs 3 uitdrukt: Dat ons leven in stand blijft, is te danken aan „het woord (van zegen) dat van den mond des Heeren uitgaat”. „Van enkel brood kan de mensch zijn leven niet behouden, maar wel van het woord dat over dat brood van den mond des Heeren uitgaat.” En vraagt ge dan voorts, wat dit woord van zegen dat uit den mond des Heeren uitgaat, doet, dan zegt Mozes ons in vers 18, dat dit hierin bestaat: Dat Hij het is, die u kracht geeft, om vermogen te verkrijgen.

Zoo trekt dus alle nevel op, en wordt de zaak duidelijk. Er is én schepping én onderhouding van het eens geschapene. Welnu, beide en die schepping én die onderhouding gaat door het woord des Heeren. En waar dat spreken, dat woord des Heeren, nu de onderhouding in gelukstaat van het eens geschapene bedoelt, daar draagt dit den naam van zegen.


Tegenover dezen zegen staat nu de vloek. Ook deze vloek nu kan door menschen gesproken worden, hetzij op last van God, ’t zij in heiligen toorn met de bede dat God dien vloek doe komen. Evenwel, gelijk Salomo |420| in Spreuken XXVI : 2 zegt: „Gelijk een musch is tot wegzweven, alzoo zal een vloek die zonder oorzaak is, niet komen.” Vandaar dat het voor een kind vreeselijk is, als zijn vader of moeder hem naar recht vloekt; maar dat een verwensching, ons in drift of toorn toegeworpen, niet ons maar den vloeker deert.

Doch gelijk bij den zegen, zoo is ook bij den vloek de wortel der zaak niet in den mensch, maar in God. Als God den vloek op u legt, dát is het vreeselijkst. En wilt ge nu weten wat zulk een vloek is, ga dan naar het paradijs, waar het aardrijk vervloekt is om uwentwil.

Wat toch vindt ge daar? Dat krachtens dat spreken van vloek door den Almachtige de aarde . . . . . . versterft en vergaat? Neen dat niet; integendeel, er komt uit dien vloek een rechtstreeksche werking voort evenals bij den zegen. Alleen is het verschil maar, dat deze scheppende werking Gods, die bij den zegen ten goede werkt, bij den vloek rechtstreeks een kwaad voortbrengt. Als God zegenend spreekt, rijpt het koren en de most u ten goede, maar als Hij spreekt in vloek, dan schiet de doorn en de distel op en schrijnt uw voet en hand ten bloede, en vernielt uw koren en uw wijnstok.

De vloek des Heeren over ons is derhalve, dat Hij als God spreekt; dat dit spreken in verbolgenheid een werking doet; en dat deze werking niet ter vernietiging, maar ten verderve is.

Vloek is derhalve, dat uw levenskracht, uw levensgang, uw levenstoekomst ten kwade gekeerd wordt, en hellend naar het verderf gedoemd wordt, om steeds dieper in dat verderf te verzinken. Vloek is een gebod Gods over ons, om ter helle neder te dalen.

Als eenmaal zulk een vloek is uitgesproken, dan baat geen tegenstreven, geen nogmaals beproeven meer; dan is het uit; en wat ge dan ook doet of wat inspanning ge dan ook aanwendt, dan is de vrucht van uw arbeid weg; het gaat alles tegen u in; alle honig verkeert voor u in alsem; er beklijft niets meer en gedijt niets meer; een ban ligt op u; en die ban jaagt u na tot in de diepte der verdoemenisse.

Niet, dat spreekt vanzelf, alsof God de Heere dien vloek niet weer kon opheffen. Wat toch zou anders heel de zaligmakende genade zijn? Maar dit ligt in den vloek, dat wie er onder ligt, er zelf niets meer aan doen kan, en dat zijn eenige toevlucht is in het borgtochtelijk lijden van zijn Heiland en in de ondoorgrondelijke barmhartigheden Gods.

Paulus had ook dien vloek gevoeld, want hij zegt: „Ook wij waren kinderen des toorns gelijk als de anderen”; maar toch weet hij van ’s Heeren volk te getuigen: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God!” |421|

Blijft derhalve alleen de vraag, hoe wij, die onder den vloek lagen, door het borgtochtelijk lijden van Immanuël van dezen vloek bevrijd zijn; een vraag, waarbij tweeërlei moet onderscheiden: 1°. hoe we onder den vloek kwamen; 2°. hoe Christus dien vloek op zich nam.

Ge kent de ontzettende bedreiging, die aan het Verbond met Israël was toegevoegd: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven staat in het boek der Wet, dat hij dat doe.” Voor Israël is de zaak dus uitgemaakt. Israël heeft het Verbond van Horeb aanvaard. Het heeft uitgeroepen: „Al wat de Heere geboden heeft zullen we doen!” Het heeft geweten, dat het den vloek op zich haalde, zoo het Gods verbond schond. En toch heeft het niet alleen niet al Gods geboden gehouden, maar het heeft er geen van gehouden, ja veeleer een onovertrefbaar proefstuk geleverd, hoever een volk wel in schending en verachting van de wet zijns Gods voort kon schrijden.

Voor Israël is de quaestie dus uitgemaakt. Gansch Israël kwam onder den vloek.

Maar hoe gaat deze vloek nu ons aan? Zeker niet krachtens het Verbond van Horeb, dat wel met Israël, maar niet met ons gesloten was, en waar wij nooit ingekomen zijn. Maar wel kwamen wij onder gelijken vloek in het Paradijs. Immers de zaak is deze, dat de gestalte van het Werkverbond, die in het Genadeverbond van Horeb was ingevoegd, zuiverlijk overgenomen was uit het Werkverbond, waarin de Heere Adam plaatste, toen Hij het schiep en inzette in het paradijs.

Zooals deze gestalte van het Werkverbond in het Genadeverbond van Horeb ligt ingeschoven, zoo is ze getrouwelijk overgenomen uit het Werkverbond dat met Adam was opgericht. Iets wat we daarom weten, overmits de Eeuwige God onveranderlijk is, en zijn Wet met zijn menschen kinderen onveranderlijk vaststaat in zijn heiligen wille. Vandaar ook dat Hosea zegt: „Zij hebben het verbond overtreden als Adam!”

Ook in het paradijs was het dus: „Blijven in al mijn Wet, of mijn zegen over u zal zich in vloek verkeeren!”, en toen Adam er niet in bleef is de zegen vloek geworden, en is zelfs het aardrijk vervloekt om zijnentwil. Dat nu de werking van dezen vloek, door de tusschenkornende algemeene genade getemperd en opgehouden is, en eerst na den dood en na het oordeel in de eeuwige rampzaligheid ten volle uit zal komen, doet aan het wezen der zaak niets af of toe. Een ter dood veroordeelde blijft ter dood gedoemd, ook al wordt zijn terechtstelling verschoven.


Een der vormen nu, waarin het afgrijzen en de verafschuwing van hetgeen ons menschen, reeds met de diepste verontwaardiging vervult, is |422| van ouds her geweest, dat men het lijk van een ter dood gebrachte ten toon hing aan een hout.

Hem te steenigen, te dooden, zijn leven uit te roeien was niet genoeg, ook zijn lijk boezemde nog afschuw in. Zelfs dat lijk mocht de aarde niet meer aanraken. En daarom hing men het lijk dan aan een paal of hout of rek op. Dan kon een ieder den gruwelijke zien. De gieren konden op zijn aas aanvliegen. Het nachtgedierte kon huilen om zijn gruwzaam overschot!

Zoo deed men bij een mensch, die een vreeselijken gruwel bedreven had, ook wel bij Israël. Doch wijl het land den Heere gewijd en heilig was, mocht dit bij Israël slechts één dag duren. Vóór den avond moest zulk een veracht en verafschuwd lijk in den grond weggestopt, want, zegt de Schrift: „Voorts wanneer in iemand eene zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben; zoo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Heere, uw God, ten erve geeft.” (Deut. XXI : 23 v.v.)

Zulk een opgehangene, d.i. iemand wiens gedood lichaam te schande aan een paal was opgehangen, was voor den Heere een vloek en verontreinigde zijn erve.

Vandaar dat bij Israël dan ook geen dood der kruisiging bestond. Die werd in Israël gebracht door de Romeinen. Maar de Jood haat; hij haat bitter; en toen nu het fanatieke gepeupel van Jeruzalem lucht wilde geven aan zijn gruwen tegen Jezus, toen riep het niet maar: „Dood Hem, dood Hem!”, neen, maar: „Kruis Hem! kruis Hem!”. Het had er een duivelsch begeeren aan, om Jezus als een vloek en een, afgrijslijken verworpeling aan het hout te zien hangen. Eerst als Hij daar hing „als een van God vervloekte” zou hun wrok en wraakzucht, hun dorst naar vertrapping en krenking van dien Rabbi van Nazareth voldaan zijn.

En zoo is het dan geschied, dat ook Immanuëls lijk aan het hout heeft gehangen! Dat de toeleg, om Hem als een vloek aan het hout ten toon te hangen, gelukt is. Iets wat een Romein niet zoo zou gevoeld hebben, maar wat Jezus diep en zeer diep moest voelen. Hij was uit Israël. Hij kende de sprake Gods in Deut. XXI. o, Toen het „Kruis Hem, kruis Hem!” hem in de ooren klonk, drong de beving voor dien vloek door heel zijn wezen. Dat vloekhout kon Hij dan ook niet torsen. Hij bezweek er onder. Maar toen het opgesteld was, is Hij er aan gehangen. En toen hing Hij daar als een gevloekte van God! |423|

„Als een van God gevloekte!” leg daar nadruk op. Want nogmaals zij hier herinnerd, wat ons vorig hoofdstuk bewees, t.w. dat het vonnis van Pilatus door hem in naam des keizers van Rome geveld was, en dat deze keizer bij de gratie Gods regeerde. In Pilatus’ vonnis school dus een oordeel in den naam des Heeren in.

En nu staande voor dit mysterie: „De heilige Gods, en die heilige Gods in den naam des Heeren door den wereldlijken rechter tot den vloekdood overgegeven”, ving Paulus in zijn ziel dit licht des Geestes op, dat hij in Gal. III : 13 schreef: „Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.”

En op dit woord van eeuwige verlossing spreekt al het volk des Heeren, spreekt heel de kerk van Christus haar lofzeggend Amen uit.