Vijfde hoofdstuk.

Jezus antwoordde: Gij zoudt geene macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom, die mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde.

Joh. 19 : 11.


Van oude eeuwen her beleed de Christelijke kerk in haar Apostolische Geloofsbelijdenis, niet slechts dat de Christus „geleden heeft”; maar ook bijzonderlijk, dat Hij „geleden heeft onder Pontius Pilatus”.

Terecht zag de Catechismus in, dat dit niet toevallig was, maar diepen zin had, en stelt daarom afzonderlijk de vraag: Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden? en laat op die vraag uit de kern van het mysterie der verzoening dit schoone antwoord geven: Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het gestrenge oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevrijdde.

Dit nu gevoelt ieder, als het voor onze verzoening voldoende ware geweest, zoo maar het bloed van het heilig Godslam, hoe dan ook vergoten wierd, dan zou er geen oorzaak voor de vlucht naar Egypte zijn geweest, en het heilig zoenoffer reeds in den kindermoord van Bethlehem hebben kunnen vallen.

Of zegt ge, dat toch zijn optreden onder Israël noodig was, het zij zoo, maar zijn leven is ook later belaagd. Gedurig lezen wij, dat zij steenen opnamen om Hem te steenigen. Dien dood der steeniging had Jezus dan niet behoeven te ontwijken. Indien het alleen op zijn sterven door plenging van zijn bloed ware aangekomen, zou élke dood om het even geweest zijn, mits Hij maar gewelddadig stierve. Een moord (want dat is Jezus’ sterven altoos geweest) zou dan volstaan hebben; de gerechtelijke moord had kunnen uitblijven.

Maar dat is nu juist wat onze Catechismus ontkent. Neen, dat Hij stierf was niet genoeg; dat Hij gewelddadig stierf was niet voldoende; het punt waar het op aankwam was juist, dat Hij stierf als de gevonniste, gedoemde en veroordeelde. „Hij moest met de misdadigers gerekend zijn.” Zijn sterven moest over Hem komen „als een straf, die ons den vrede aanbrengt”. De „vloek”, die op ons lag, moest op Hem geladen. Hij moest „onder de wet” geboren worden, om voor de wet, en niet voor |412| den steenworp van het gepeupel of den dolk van den moordenaar te bezwijken.


Doch dit is niet al. Er staat toch niet in de Geloofsbelijdenis, dat Hij „onder een rechter”, maar met name, dat Hij „onder Pontius Pilatus” geleden heeft; en ook de zin van het noemen van dezen naam moet worden doorzien.

Vraagt men nu of in de Apostolische Geloofsbelijdenis dit noemen van Pilatus’ naam tot zijn recht gekomen is, dan koesteren we dienaangaande ernstigen twijfel. Er staat toch niet, dat Hij „gestorven is onder Pontius Pilatus”, maar dat Hij „onder Pontius Pilatus geleden heeft”, en neemt men dit naar de letter, dan schijnt het weinig meer aan te duiden dan een tijdsaanduiding. Maar de Heidelberger heeft, en terecht, ook dit geloofsartikel dieper opgevat, en in Pontius Pilatus hier gezien den wereldlijken rechter.

Van dit punt gaan dan ook wij bij onze verklaring uit, en willen pogen de hoogernstige beteekenis van deze belijdenis duidelijk te maken.

Gelijk ieder Christen toe zal geven, en met uitzondering van de Wederdoopers, heel de Christenheid steeds erkend heeft, is de „wereldlijke rechter” drager van de Majesteit Gods.

Wanneer de vierschaar gespannen wordt „is God in het midden der vergadering”. De mannen die daar zitten, zitten daar in den naam des Heeren, en zijn in zoo engen zin instrument in zijn hand en uitvoerders van zijn wil, dat de Schrift hen zelven goden noemt. En dat het juist deze overweging is, die ons het optreden van Pontius Pilatus bij Jezus’ lijden en sterven verklaart, blijkt ten duidelijkste uit Jezus’ eigen zeggen tot Pilatus: Gij zoudt geen macht tegen mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware.

In dát zeggen ligt het mysterie van wat in het vellen van dit vonnis geschied is, en het is Jezus zelf, die ons met dit ernstige woord waarschuwt tegen de oppervlakkigheid, om toch niet aan Pilatus’ persoon te blijven hangen; maar wel te bedenken, dat Pilatus op den rechterstoel daar zit bekleed met macht van ’s Heeren wege.

Dit sluit natuurlijk volstrekt niet in zich, dat metterdaad het ware oordeel Gods over Jezus in het vonnis van Pilatus wierd uitgesproken. Ge weet beter. Zoo dikwijls de aardsche rechter martelaren tot den brandstapel heeft veroordeeld, heeft hij in dit ongerechtig vonnis een oordeel over zich zelven gebracht. Bovendien ook uit de lijfstraffelijke rechtspleging zijn de voorbeelden te over bekend van rechtbanken die den schuldige vrij lieten uitgaan, en den onschuldige naar de galg verwezen. De |413| aardsche rechtspleging in alle landen levert hier voorbeelden van op. En het is daarom niets dan menschelijke preutschheid en hoogheid, als men niet dulden noch lijden kan, dat er over een uitspraak van den rechter scherpe critiek ga.

Maar, en hier komt het op aan, zoodra de rechter zijn vonnis geveld heeft, ’tzij dat dit rechtvaardig, ’tzij dat dit onrechtvaardig was, bindt het van Gods wege. Men moge er kritiek op oefenen; men moge gelijk onze martelaren, er nog stervend tegen protesteeren; maar men moet er zich aan onderwerpen, niet uit noodzaak of dwang, maar om der conscientie wille, gelijk de heilige apostel in Rom. XIII leert, d.i. overmits het van Gods wege over ons komt.

Er ligt namelijk in de ongenoegzaamheid van de uitspraak van den aardschen rechter een straffe, die ons van Godswege om onzer zonden wil overkomt.

Dat ligt zóó.

In het paradijs was de mensch in zulk een toestand geschapen, dat alleen God Rechter over hem was. Alleen God bezat macht en recht om in den mensch het goed van het kwaad te onderkennen, d.w.z. rechter over hem te zijn. Maar hiermee neemt Adam geen genoegen. Op influistering van Satan grijpt hij naar de mogelijkheid, dat hij zelf als God zal zijn, kennende zelf het goed en het kwaad, d.i. om zelf rechterlijk als mensch over den mensch te oordeelen. In zijn opstand tegen Gods majesteit ligt dus ook klaarlijk dit in, dat de mensch er geen vrede mee neemt, dat God rechter over hem zal zijn, maar dat hij zelf als rechter in Gods stoel wil gaan zitten, om tusschen goed en kwaad te oordeelen. Te oordeelen zelfs over zijn God.

En wat doet de Heere nu?

Hij gunt den mensch de begeerte van zijn zondig hart. In dat zondig hart heeft de mensch begeerd, dat niet God, maar de mensch als rechter zou zitten. Welnu, God de Heere geeft hem dien wensch zijns harten. Hij stelt menschen als overheden, menschen als rechters aan, en wil nu bij de uitkomst doen blijken, of de mensch, als rechter zittende, metterdaad gelijk hij in het paradijs tegenover God beweerd heeft, kent het goed en het kwaad.

En nu treden de menschelijke rechters op; ze beoordeelen alle voorkomende gevallen; zij wijzen vonnis in al wat hun wordt voorgelegd; en ze beelden zich metterdaad in, het recht gevonden te hebben. En dat duurt tot eindelijk de Immanuël voor der menschen rechtbank verschijnt. Hier is nu de heilige, de reine, de vlekkelooze. Gij, rechter op aarde, welk oordeel velt ge nu? Kent ge nu werkelijk het onderscheid tusschen goed en kwaad? Zoo ja, dan zult ge dezen Immanuël niet slechts vrijspreken, maar zelfs met eere kronen, en voor Hem als uw rechter op de |414| knieën vallen. Maar indien ge Hem veroordeelt, wat doet ge dan anders dan belijdenis doen van uw eigen blindheid, en van de onmogelijkheid dat de mensch zelf rechter zal zijn?

En toch, die mensch die als rechter zit, hij spreekt vonnis over den heilige, hij veroordeelt en doemt den onschuldige, hij verwijst Jezus als een overtreder ten doode. Maar hierin eet dan ook alle menschelijke rechtspraak zich zelf den dood. De Majesteit Gods, die in het paradijs beleedigd wierd, is gewroken. God alleen kan Rechter zijn. De mensch ontstal aan God die eere. Hij zelf zou zijn „kennende het goed en het kwaad”, en zie nu op Gabbatha, hoe hij Barabbas vrijlaat, en Jezus uitzendt naar den kruisheuvel.


Doch we gaan verder.

Toen God de Heere na het paradijs, Overheidsmacht en dus ook macht tot rechtspraak in zijn naam op menschen gelegd had, deed Hij dit, zeer zeker, om de dwaasheid van ’s menschen pretentie te laten uitkomen en zijn eigen majesteit te wreken; maar toch ook in dit oordeel mengde Hij genade. Niet die bijzondere genade, die zaligmakend is, maar wel die algemeene genade, die onder alle volk gespreid is, en waardoor God de verdierlijking en verduiveling van ons geslacht heeft tegengehouden, om een menschelijk leven op aarde mogelijk te maken.

Heel de rechtsbedeeling op aarde moet dan ook als een genade worden aanvaard, waarin Gods ontferming spreekt.

Nu heeft God de Heere die rechtsbedeeling niet aan alle volken in gelijke zuiverheid gegeven. Bij de Oostersche volken was deze rechtsbedeeling uiterst gebrekkig; en eerst bij de Westersche volken ziet ge rijker rechtsbedeeling opkomen.

Maar toch ook onder die Westersche volken, is er maar één, waaraan God de Heere het genie van het recht geschonken heeft, en dat volk zijn de Romeinen. Te Rome ontwikkelde zich een talent voor het recht en voor de rechtsbedeeling zooals schier nergens elders; en al mogen thans de Europeesche volken nog in menig opzicht boven het oude Rome staan; toch is van Rome uit de drang naar en het inzicht in wat recht is voor alle volken uitgegaan.

Het was daarom volstrekt niet onverschillig voor wat rechter Jezus terecht stond. Voor een Pharao of Belsazar zou zijn vonnis niet het vonnis van het menschelijk recht geweest zijn. Dat wierd het eerst doordien het de uitspraak wierd van een Romeinschen rechter. Of Herodes Jezus al veroordeelde, dat deed de zaak niet af. Neen, Hij moest geoordeeld worden door Pontius Pilatus. |415|

Meer nog.

De rechtsbedeeling is verbonden aan de macht der Overheid als zoodanig. Rechtsbedeeling is geen liefhebberij van eenige billijke of onbillijke beoordeelaars, maar rechtspraak van den Souverein. Alle recht wordt gesproken in den naam van koning of keizer of senaat.

Zoo was het dan noodzakelijk, dat deze twee saamvloeiden: én dat Jezus bezweek in een Romeinsche vierschaar, én dat hij gevonnist wierd door een Romeinschen rechter op een oogenblik, dat de Overheidsmacht in Rome op het grootst was.

Dit nu was het geval onder Pontius Pilatus. Te Rome zat de keizer, en het was de keizer van Rome die heerschappij bezat over heel de bekende wereld.

Een vonnis van Pontius Pilatus was alzoo een vonnis gesproken naar uitwijzen van de toen zuiverst ontwikkelde rechtsbedeeling, die ineengesmolten ligt met de grootst denkbare Overheidsmacht. Wat Pontius Pilatus vonniste, was een vonnis door den keizer der Romeinen gewezen, en de keizer van Rome was metterdaad de rechter der gansche aarde, in vollen zin de wereldlijke rechter.


Let er nu op, hoe in het vonnis van Pontius Pilatus God de Heere én de genade die ook in de aardsche rechtsbedeeling ligt handhaaft én tegelijk ons menschelijk rechtspreken veroordeelt.

Was Pilatus, als rechter in naam van den keizer, en alzoo in den naam van God, rechtsprekende onbekwaam en onmachtig, om het recht in Jezus’ proces te vinden? Geenszins, want hij zelf geeft keer op keer getuigenis van Jezus’ onschuld. Zelfs legt heel het Evangelisch verhaal hierop vollen nadruk. Neen, hetgeen waarvoor Jezus bezwijkt is de macht die in den rechter kleeft, en die ook de booze macht inhoudt, om tegen beter weten in, en ondanks de keurigste rechtsvormen, toch den onschuldige te veroordeelen. Vandaar dat ook Jezus zelf juist op die macht den nadruk legt: „Gij zoudt geen macht tegen mij hebben, zoo het u van boven niet gegeven ware.”

Zoo blijkt dus dat God de Heere wel in de menschelijke rechtsbedeeling genoegzame klaarheid gelegd had, om schuld en onschuld te onderscheiden, maar dat de mensch die als rechter zit, te verdorven is om het als recht vast te houden.

Doch hoe ongerechtig ook het vonnis tot stand komt, het is en blijft een vonnis in den naam des Heeren gesproken. De veroordeelde mag er niet tegen ingaan. En zoo is metterdaad de Heere zelf, en hierop komt het nu aan, die in het vonnis door Pilatus gesproken, ons oordeel op den |416| Immanuël gelegd heeft. „Hij heeft onzer aller ongerechtigheid metterdaad ook rechterlijk op Hem doen aanloopen!”

Vandaar dat de Heilige Schrift de opstanding van Christus allerwegen rechtstreeks met dit vonnis van Pilatus in verband brengt. Christus sterft als een overtreder, door den wereldlijken rechter, in den naam des Heeren gevonnist. En naar den stand der algemeene genade moet dus Jezus onder dit oordeel bezwijken. Maar juist omdat dit vonnis van Pilatus geen menschelijke opinie, maar een in naam van God gesproken oordeel was, kan nu ook de uitspraak van het oordeel Gods over heel deze wereldlijke en menschelijke rechtsbedeeling niet uitblijven, en moet God de Heere, die in Pilatus’ rechthuis een oordeel door den menschelijken rechter sprak, nu zelf als Goddelijk rechter optreden, om én Immanuël te rechtvaardigen én de menschelijke rechtspraak te veroordeelen.


En nu zult ge dan ook gevoelen, hoe de Catechismus zeggen kon, dat dit bezwijken van Jezus onder het vonnis van Pilatus ons van het oordeel dat over ons gaan zoude, bevrijdt.

Wat wachtte ons? Een oordeel Gods, niet waar? Ziet ge dus in het vonnis van Pilatus niet een oordeel Gods, hoe ter wereld zou dit vonnis u dan kunnen bevrijden?

Maar voelt en tast ge, dat Pilatus, in weerwil van al zijn schuld en gebrekkigheid en gruwelijk onrecht, toch als rechter op Gabbatha in den naam des Heeren daar zat, zoodat er in zijn oordeel een oordeel Gods kwam, dan merkt en ziet ge ook, hoe hiermeê een oordeel „dat over ons gaan zoude”, op Christus kwam, en Hij, de Immanuël, door dit schriklijk oordeel te dragen, ons van het oordeel bevrijd heeft.

De Heere had gezegd: „Uw God is uw rechter”; de zondaar had geantwoord: „Neen, maar de mensch zal mijn rechter zijn!” En nu, dit geeft hem God nu naar de begeerte zijns harten, en het is dan nu door het instrument van een menschelijken rechter, dat Hij zijn oordeel uit laat gaan.

Wie nu daarbij staan blijft, die zinkt weg, en voor dien is er geen ontkomen. Maar wie, ziende het vonnis van Pontius Pilatus, den opstand van het paradijs herroept, en betuigt: „Neen, Heere, wij zijn niet kennende het goed en het kwaad! Wees Gij zelf, o, onze God, weer rechter over ons!”, voor dien daagt in Jezus’ verrijzenis niet slechts de rechtvaardiging van den Gekruiste, maar ook de rechtvaardiging zijner eigen ziele.

Overgeleverd om onze zonden, maar ook om onze rechtvaardigmaking opgewekt!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002