Vierde hoofdstuk.

Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing.

1 Cor. 1 : 30.


Wie tornt aan het feit, dat wij, kinderen der menschen (tenzij we in het leven overgezet zijn) van nature onder de eeuwige verdoemenisse |405| liggen, woelt, ook zonder dit te bedoelen, stelselmatig alle vastigheid van onze Religie los. Dat er zonde in ons wortelt, kan niet ontkend, maar hoe kan dit zonder dat God de Heere, die u van voren en van achteren bezet, het weet; en indien Hij het weet, kan Hij het dan weten zonder er een oordeel over te hebben?

Reeds onder menschen kunt gij, die zelf onheilig zijt, niet hooren van een moeder, die haar kind mishandelt, zonder dit sterk te veroordeelen, en hoe wil God, die heilig is, dan kennis hebben van uw zondig bestaan en bedrijf, zonder daarover een veroordeeling in zijn goddelijk harte te hebben?

Hij moet rechtelijk handelen, niet omdat Hij opzettelijk als rechter gaat zitten, alsof dit iets ware dat bij zijn majesteit bijkwam; neen, maar Hij kan uw zonde niet kennen, zonder er een oordeel over te hebben; dat oordeel moet een veroordeeling zijn; en, overmits Hij uw Souverein is, die over uw leven en uw dood vrijmachtig gebiedt, en tegen wiens wet uw zonde overtreding was, moet deze veroordeeling voor u een vonnis zijn, waar uw wel en wee voor eeuwig van afhangt.

Een vonnis nu heette oudtijds doem, en naardien het oordeel, dat in de vierschaar des Heeren Heeren gesproken wordt, zooveel hooger staat dan een rechtspraak van menschen, heeft onze schoone taal nu onderscheid gemaakt en gebruikt ze vonnis voor een oordeel van den menschelijken rechter en „doem” voor het oordeel dat God spreekt.

Kon dit oordeel, deze „doem”, nu getemperd zijn, en slechts tot kleine tijdelijke straf veroordeelen, zoo zou het bij dit woord „doem” gebleven zijn. Maar dat kon niet. Het oordeel des Heeren Heeren kon niet anders dan volstrekt veroordeelend zijn. Omdat het zonde tegen de hoogste Majesteit was, zoo moest ook de „doem” luiden: De hoogste straf naar lijf en ziel, nu en eeuwig.

Dit nu noemt onze taal: verdoemenisse; het bangste woord dat ze in haar taalschat bezit. Verdoemen is zóó doemen, dat gij er geheel en volstrekt meê weg zijt. Verdoemenisse duidt den toestand aan waarin dit schriklijk feit, dat God u verdoemt, u brengt. En „eeuwige” verdoemenisse verscherpt dit nog door de bijvoeging, dat er geen eind aan komt en geen verandering in is. Geen Lazarus die naar den rijken man mag komen, om met een druppel aan het uiterste zijns vingers zijn gloeiende tong te verkoelen.

Er liggen in deze eeuwige verdoemenisse dus drie dingen in. Voor God doemschuldig, van God veroordeeld, door God geworpen in den eeuwigen dood. En hiertegenover belijdt nu de Catechismus, dat de Middelaar „door zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lijf en ziele van de eeuwige verdoemenisse verloste en ons verwierf Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven. |406|

Er staat niet overtollig bij: „Als met het eenig zoenoffer.” Integendeel deze bijvoeging heeft een rijken zin.

Vooreerst toch heft deze bijvoeging de scheiding op tusschen de kerk vóór en de kerk na de kribbe van Bethlehem. Had Israël „genade, gerechtigheid en het eeuwige leven” verworven door den dienst der offeranden in tabernakel en tempel, dan had Gods oude bondsvolk een andere Religie gehad dan wij, en begon onze Religie pas met den Pinksterdag. En daarom staat er nu bij, dat dit niet zoo is; dat al Israëls ceremoniën en offeranden niets nutten, tenzij als ziende op Christus; en dat de Middelaar niet alleen voor ons, maar in volstrekten zin, het eenig zoenoffer is. Het heilig Godslam, wiens offerande eenmaal geschied een eeuwige en dies ook terugwerkende verzoening heeft teweeggebracht.

Doch er zit meer in.

Is zijn zelfopoffering de eenige offerande en het eenig zoenoffer, dan is hiermee tevens alle Arminianisme afgesneden, ’tzij dit in kwansuis Protestantschen vorm opduikt, of het hoofd opsteekt in het Misoffer en de leer der verdienende goede werken. Dit volgt uit „de eeuwige verdoemenisse” rechtstreeks. Ware er toch in den zondaar nog eenig goed, hoe gering ook, over, dan kon er geen „eeuwige verdoemenisse” over hem gaan, en zou „eeuwige verdoemenisse” een ongerechtig oordeel zijn. De volstrekte veroordeeling in de „eeuwige verdoemenisse” sluit alzoo elke onderstelling en mogelijkheid van eenig overgebleven goed, dat een nog levenden wortel zou hebben, uit. En zoo sluit het uitnemend: „Eeuwige verdoemenisse” en juist deswege geen ander ontkomen dan door het „eenig zoenoffer” van een, die niet onder dit vonnis lag. Een zoenoffer, machtig om zelfs van eeuwige verdoemenisse te verlossen, maar dat dan ook geheel omging en gaat buiten hen die onder deze verdoemenisse liggen.

Zoo trekt deze aangrijpende belijdenis opeens de ziel van al hetgeen ze zich zelve mocht inbeelden af. Ze ontbloot haar ganschelijk; werpt haar geheel ter neer en verbrijzelt haar; en wijst haar nu eeniglijk op dien Eéne, wiens eenig zoenoffer redt.


Deze redding nu raakt „ziel en lichaam”. Ook dit hoort er bij, want Christus heeft „naar lijf en ziele” geleden, en hier zou geen grond noch oorzaak voor zijn, bijaldien de eeuwige verdoemenisse zich ook bij ons niet over lijf en ziele uitstrekte.

Men vraagt vaak, hoe lichamelijke straf de ziel bereiken kan. Doch zoo moet de vraag niet gesteld worden. Als ik overtreed, overtreed ik, en ik ben niet enkel een ziel, maar besta uit ziel en lichaam. Ook een lichaam te |407| hebben is niet iets bijkomstigs, dat mij voor een korte poos gegeven is, maar hoort bij mijn wezen. Een engel moge naar zijn wezen onlichamelijk zijn, een mensch is dit niet. Mensch te zijn beteekent juist, dat ge deel hebt, en dat met uw wezen zelf, aan twee werelden, de ééne zichtbaar en de andere onzichtbaar. Alzoo schiep God den mensch en zoo eerst was hij mensch. Hij vormde den mensch uit het stof der aarde; blies in zijn neusgaten den adem des levens, en alzoo eerst wierd hij tot een levende ziel. Een mensch in den staat der afscheiding na den lichamelijken dood verkeert derhalve in een verminkten, onnatuurlijken toestand, en deze toestand is slechts voorbereidend voor de ure, waarop ge uw lichaam eens voor eeuwig terugkrijgt. De uitverkorenen zullen in de eeuwige heerlijkheid eens eeuwiglijk in hun lichaam verkeeren, en Christus, hun Hoofd, zal eeuwiglijk in ons vleesch met hen zijn.

Daar nu niet uw ziel zondigt, maar gij, en gij uit ziel en lichaam bestaat, zoo is én uw ziel én uw lichaam schuldig, en beide treft de straf. Ge zoudt dus niet verlost zijn, als alleen uw ziel van de eeuwige verdoemenisse bevrijd was; ook uw lichaam moet van de eeuwige verdoemenisse ontheven; en daarom is het, dat de straf voor de zonde ziel en lichaam treft, en dat dus ook de Middelaar niet enkel naar de ziel, maar ook naar het lichaam heeft geleden. En overmits nu in het bloed het leven van ziel en lichaam zich huwt, naar de Schrift, dat de ziel in het bloed is (Lev. XVII : 11), vat de Heilige Schrift zoo schoon en doorzichtig juist onze verlossing van de eeuwige verdoemenisse daarin saam, dat „onze verlossing is in zijn bloed”, het „bloed des kruises”.


Is nu ontheffing van „de eeuwige verdoemenisse” ons genoeg?

Velen meenen ja, en spreken bijna van niets anders. Als ze maar verzoening hebben, zoo beelden ze zich in, dan zijn ze er.

Toch is dit een zeer ongodvruchtige gedachte, en we willen zeggen waarom.

Indien op aarde, in onze wereldsche huishouding, iemand diep in schulden zit, zoodat hij, ook met alles te verkoopen, letterlijk niets betalen kan, en zijn schuldeischer slaat hem aan, en hij wordt gevonnist; natuurlijk dan is al wat die benepen ziel op dat oogenblik begeert, dat een ander voor hem betalen mocht en hem vrij maken. Was hij dus vier tonnen gouds schuldig, zonder iets te bezitten, en komt er iemand die deze vier tonnen gouds voor hem betaalt, zoo ontsluit de cipier de gevangenis en hij gaat vrij uit. Niemand heeft meer iets op hem te zeggen. Al zijn schuld is betaald.

Doch waarom voelt die man zich nu vrij? Hierom, wijl hij de kracht |408| in zich voelt, om opnieuw zaken te beginnen, en op die wijs, geleerd door het verleden, alsnu op voorzichtiger wijze zaken te gaan doen, en zich een eerlijk stuk brood te verdienen.

Zijn diepste gedachte is dus: Als ik van die schuld maar af ben, heb ik niemands hulp meer noodig, dan zal ik voorts mij zelven wel redden.

Maar zie nu, hoe ongodvruchtig dit wordt, zoo ge dit op den zondaar tegenover God overbrengt.

Hij is schuldenaar aan God, en kan niet betalen. Dies ligt hij onder de eeuwige verdoemenisse. Nu komt de Borg en betaalt voor hem voluit en geheel af. De eeuwige verdoemenisse bestaat nu niet meer. En nu denkt hij, nu zal ik weer kracht hebben, om er mij bovenop te werken, en mij zelven weer een gelukkig bestaan te verschaffen.

Dit is dus de ongodvruchtige en onvrome, ja, diep goddelooze inbeelding, alsof gij, als uw schuld er nu maar af was, voorts wel kracht in u bezat, om u zelf een eeuwige gelukzaligheid te verwerven.

Ongodvruchtig in tweeërlei opzicht:

Vooreerst toch mag men bij wijze van beeldspraak onze schuld voor God wel bij een betaalsom vergelijken, mits men nooit vergete, dat het een vergelijking en niets meer is. Het is toch niet waar, dat onze schuld voor God evenals een betaalsom buiten onzen persoon zou omgaan. De zonde heeft onzen persoon aangetast; kleeft in onzen persoon; heeft heel onzen persoon ontsteld en alle kracht in ons gebroken. En zoo komt het, dat een zondaar, die deel in het Zoenoffer van het heilig Godslam krijgt, niettemin zondaar blijft tot zijn dood toe. En dit nu ziet ge goddelooslijk voorbij, zoo ge denkt: Voor mij is betaald, dus ben ik weer vrij man in mij zelf. ja, in Christus zijt ge vrij man; maar in u zelven geenszins.

En in de tweede plaats is dit ongodvruchtig gedacht, omdat ook al waart ge in uw persoon van alle inwonende zonde af, het toch geen schepsel ooit betaamt, om zich in te beelden, als had hij een bron van kracht in zich zelf. Neen, kracht hebt ge, ook van de zonde afgerekend, niet. Ge zijt geen bron. In uw ziel vloeit niets en kan niets vloeien dan een afgeleid beekje. De bron is in God, en blijft dus verloren, tenzij uit de Springader des eeuwigen levens het leven u toevloeie.


Zeer godvruchtig en vroom leert daarom onze Heidelbergsche Catechismus, dat Christus ons tweeërlei verwerven moet: 1º. de verlossing van de eeuwige verdoemenisse door zijn bloed; maar ook 2º. de gift van „de genade, de gerechtigheid en het eeuwige leven”.

Van het eerste is thans genoeg gezegd, we bepalen ons nu alleen tot het laatste. En dan zij opgemerkt, dat Christus, die God was en is en |409| blijft, als God natuurlijk alle gunste Gods, alle gerechtigheid en alle eeuwig leven bezat en bezit en bezitten zal eeuwiglijk.

Maar dit baat u niet.

U baat alleen datgene, wat Christus als mensch, als uwe natuur deelachtig in uw natuur, als uw Hoofd en uw Heere, niet voor zich, maar voor zijn volk bezit.

En in dit opzicht nu bezat uw Middelaar toen Hij in de kribbe van Bethlehem lag niets. En al wat Hij nu bezit, heeft Hij verworven. Verworven door strijd en verzoeking. Verworven door worstelen en lijden. Verworven door het volbrengen onder tegenstand en aanvechting, van de Wet Gods.

Daarom legt de Heilige Schrift zulk een nadruk op de gehoorzaamheid Christi. Gehoorzaamheid nu is wetsvolbrenging. En zoo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, en dus als Zoon van God alles bezat, naar zijn menschelijke natuur alles verworven.

Ware, om dit onderstellenderwijs uit te spreken, alleen een zoenoffer te brengen geweest, zoo zou de Middelaar terstond bij het ontwaken van zijn menschelijk bewustzijn zijn kruis hebben kunnen zoeken en voor ons zijn bloed hebben kunnen vergieten.

Maar juist omdat het zoenoffer nog iets anders inhield dan rantsoen en ook het verwerven bedoelde van een schat van eeuwige gerechtigheid en eeuwig leven voor de zijnen, daarom moest Hij eerst al die jaren lang de verzoeking doorstaan, den strijd des levens strijden, en de wet Gods voor ons volbrengen.

Dit is het onderscheid, dat onze vaderen steeds maakten tusschen zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Zijn lijdelijke gehoorzaamheid, d.i. het lijden, dat Hij in gehoorzaamheid aan Gods wil onderging, verloste van zonde, maar de dadelijke gehoorzaamheid verwierf de gerechtigheid. Lijdelijke gehoorzaamheid is gehoorzaamheid in wat Hij leed; de dadelijke gehoorzaamheid is gehoorzaamheid in wat Hij deed. Art. 22 van enze belijdenis drukt dit laatste aldus uit: „ons toerekenende alle zijne verdiensten, en zoo vele heilige werken als Hij voor ons in onze plaats gedaan heeft.”

En hierdoor nu is het geschied, dat onze Middelaar niet alleen „de straffe droeg, die ons den vrede aanbrengt”, maar dat Hij ook bovendien nog verwierf „genade, gerechtigheid en eeuwig leven”, die Hij nu, niet als God, maar naar zijn menschelijke natuur, bezit; niet voor zich zelf, maar voor ons als ons Hoofd; zoodat een iegelijk, die door het geloof aan dit Hoofd verbonden is, nu niet alleen niet verloren gaat, maar ook het eeuwige leven heeft. |410|

Toch wachte men zich hierbij voor te sterke scheiding. Wat Jezus voor ons leed en voor ons deed, zijn „lijdelijke” en „dadelijke” gehoorzaamheid, zijn wel onderscheiden, maar niet gescheiden. Ge moogt dus niet zeggen: Tot op het Kruis was het dadelijke gehoorzaamheid, en toen wierd het lijdelijke gehoorzaamheid. Hij leefde dus om mij de gerechtigheid te verwerven en de wet voor mij te volbrengen en stierf om mij het rantsoen te verwerven. Met zulk een voorstelling toch zoudt ge uiteenrukken wat saâmhoort.

Neen, de Middelaar leed „al de dagen zijns levens op aarde”, zooals ons eerste hoofdstuk aantoonde, en ook in al dit lijden was tevens een daad. Beide zijn ineengemengd. Ze vloeien door elkander en zijn ineengevlochten. En nergens mogen wij een scheidslijn trekken, om te zeggen, dat dit nu wel lijden maar geen wetsvolbrenging, of ook wel wetsvolbrenging maar geen lijden was.

Doordien Jezus gekomen is in onze menschelijke natuur en in de gelijkheid des zondigen vleesches, kon er geen wetsvolbrenging voor Hem zijn, die niet tevens een lijden in zich sloot. En daarom houdt de Cate- chismus het rechte spoor, die hier bij het „geleden” de „dadelijke” gehoorzaamheid inbrengt, en ook „de genade, de gerechtigheid en het eeuwig leven” uit het zoenoffer, als het hoogtepunt zijner zelfofferande afleidt.

Dat nu „genade, gerechtigheid en eeuwig leven” afzonderlijk genoemd worden, is niet een zinledige woordenrijkheid.

Eeuwig leven” is de toebedeeling van eeuwige gelukzaligheid. Om die toebedeeling te kunnen erlangen, moet het kromme in uw ziel recht zijn gezet; en dit is de gerechtigheid. En om aldus gelukzaligheid in het reine hart te kunnen smaken, moet de gunste en de liefde Gods u toevloeien, en dat is zijn genade.

Genade is, dat waar het eerst vreezen en vluchten was, nu de liefde komt en de trekking naar den Eeuwige. Gerechtigheid dat het in uw ziel niet meer strijdt tegen God, maar loopt in het goddelijk spoor. Eeuwig leven, dat u gelukzaligheid toekomt, waar de rampzaligheid van u vlood.

Deze genade, deze gerechtigheid en eeuwig leven nu bezit ge hier op aard, ook al zijt ge bekeerd, niet in u zelven, maar die is alleen voor u in Christus.

En alles hangt dus maar aan de mystieke gemeenschap, die ge door wedergeboorte en geloof met den Middelaar hebt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002