Derde hoofdstuk.

Gij legt mij in het stof des doods.

Ps. 22 : 16c.


Zoo leed de Middelaar dan, niet slechts op het kruis; maar den ganschen tijd zijns levens op aarde. Dit zijn lijden vloeide niet voort uit zijn innerlijk wezen, maar uit den staat waarin hij door het Besluit Gods gesteld was. En eindelijk, dit lijden ontstond niet uit een eigen persoonlijk |400| lijden, maar uit een dragen van den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslacht.

Thans komen we derhalve tot de vraag, hoe dit lijden te verstaan zij.

Op die vraag nu heeft de kerk steeds geleerd, dat Christus geleden heeft naar zijn menschelijke, en niet naar zijh goddelijke natuur; een uitspraak, die nog steeds dient beleden, mits men met den Catechismus onder die menschelijke natuur maar niet uitsluitend aan een lijden van lichamelijken aard denke, maar het oog hebbe op een lijden naar lichaam en ziele. Dat niet de goddelijke, maar alleen de menschelijke natuur lijden kon, is duidelijk. Alle lijden toch is een gedrukt worden onder den toorn Gods, ter bestrijding van iets onheiligs, en hoe zou nu ooit de toorn Gods tegen de goddelijke natuur kunnen ontbranden, of in deze goddelijke natuur iets onheiligs zijn? De aard en het wezen zelf der goddelijke natuur sluit dit uit. De naam zelf van goddelijk weerspreekt dit.

En toch, hoe sterker nadruk we hierop ook leggen, toch mag er ook weer geen voorstelling van gegeven, alsof God de Zoon met dit lijden niet in aanraking was getreden. Er is toch in den Middelaar geen scheiding, zoodat hetgeen de menschelijke natuur lijdt, onpersoonlijk alleen door die natuur zou zijn geleden, maar het is en blijft altoos de Zone Gods die deze menschelijke natuur aannam; en ze aannam gelijk ze uit ons vleesch en bloed alleen kon genomen worden, d.i. verzwakt en in het stof des doods liggende; en ze in dezen staat droeg, wetende en ervarende dat de last des toorns Gods op haar rustte.

Het is de onuitsprekelijke ontferming des Heeren, die hier moet grootgemaakt. Zijn ontferming, dat Hij, die in de gestaltenisse Gods was, zich niet alleen geleend heeft, om in gedaante als een mensch op te treden; maar ook zich leende om op te treden in de gelijkheid des zondigen vleesches; en eindelijk er zich toe leende om, in gedaante als een mensch zijnde, en in de gelijkheid des zondigen vleesches gekomen, als Hoofd der menschheid in Adams plaats te gaan staan, en nu als de tweede Adam zich voor God te stellen, als ware Hij de ergste aller zondaren, zooals Hij op zich nam en droeg den last des toorns Gods tegen de zonde van heel ons geslacht.

In zooverre was dus de Zone Gods zich volkomen van het lijden, dat Hij in de menschelijke natuur dragen zou, bewust, ook al kon het lijden zoomin als de zonde, naar de natuur zijner Godheid, in zijn goddelijken persoon doordringen.

Van dit lijden zelf nu, dat Christus in de menschelijke natuur ervoer en droeg en onderging, kunt ge u geen beter voorstelling maken, dan zoo ge dit lijden plaatst naast den staat der heerlijkheid. Ook nu nog leeft |401| de Christus in zijn menschelijke natuur, naar ziel en lichaam, maar zijn lijden heeft sinds den dag der opstanding uit. Hij leeft nu in een toestand zijner menschelijke natuur, die Hem in niets beperkt, in niets strijd werpt in zijn innerlijk wezen, maar in elk opzicht is, wat Hij, naar den aard zijner goddelijke natuur, in deze menschheid bezitten moet.

Wel is die natuur ook nu nog menschelijk gebleven, en niet, gelijk de Luthersche kerk leert, vergoddelijkt. o, Neen, de menschelijke natuur, waarin Christus ook nu nog leeft, is een geschapen natuur, die naar den aard van al het geschapene niet oneindig is, maar in het eindige besloten ligt. Het blijft ook nu nog in Hem een menschelijk lichaam en een menschelijke ziel, met al de vermogens die tot beide behooren, maar wat drukte of benauwen kon, is uit die menschelijke natuur verdwenen; ze is vrijgemaakt; ze heeft vleugelen ontvangen; en ze dient Immanuël, maar beklemt Hem niet meer.

Indien er nu voor Jezus geen lijden geweest zou zijn, dan had Immanuël reeds van de kribbe van Bethlehem in dienzelfden verheerlijkten staat moeten verkeeren, waarin Hij nu gezeten is aan de rechterhand Gods in den hemel. Nu lijdt Hij niet. In dezen heerlijken toestand is Hij van alle lijden ontheven.

Toen Hij in die heerlijkheid inging, gleed het lijden van Hem af. Maar dan volgt er ook uit, dat Hij al dien tijd, dat Hij deze heerlijkheid dierf, aan lijden onderworpen was.

We leggen hier eenigen nadruk op, omdat men o.i. dit lijden van den Christus eer Hij aan Gethsémané toekwam, te uitwendig heeft verklaard. Men heeft gesproken van zijn „liggen in de kribbe”, van den Bethlehemschen kindermoord, van de vlucht naar Egypte, van de besnijdenis, van dat Hem hongerde, van dat Hij dorst kreeg en bij Sichars put om water vroeg, en wat kleine aanduidingen er meer in de Evangeliën zijn van gevaar, zorge en ongelegenheid.

Maar toch deze uitlegging bevredigt niet. Ze is daartoe deels te gezocht. Wat toch merkt een pas geboren wicht er van, of het in een kribbe ligt of in een wieg? Wat heeft een kindeke er voor wetenschap van, of zijn leven bedreigd wordt? Een enkel, maat dorst te hebben rekent dit onder zoo bitter lijden mee? Of maakt het verhaal van Johannes IV (de Samaritaansche vrouw) ook maar een oogenblik den indruk, dat hier het lijden van Jezus op den voorgrond treedt?

Ons dunkt neen. En zoo dat niet zoo is, dan beseft men toch hoe ook hier behoefte bestaat aan een diepere opvatting. Want waarlijk, als de Heere Jezus in de jaren van zijn jongelingschap en tot zijn optreden en gedurende zijn omwandelen geen dieper en banger lijden gedragen heeft, |402| dan dat Hem een zeer enkele maal hongerde en dorstte, en dat Hij niet had waar Hij het hoofd zou nederleggen, en dat soms zijn leven in gevaar was, — leg er dan het leven van Paulus, den heiligen apostel, naast, en vraag u af, of Paulus’ eigen opsomming van zijn velerlei wederwaardigheden en doodsangsten in macht en aantal van doorgestane smarten niet zeer verre het perk van Jezus’ lijden overtreft?

Neen, op die wijs geeft ge aan niemand, en krijgt ge nooit voor u zelven, ook maar een eenigszins waardigen indruk van het lijden dat Jezus ook om uwentwil reeds van de kribbe af tot aan Gethsémané droeg. En hoe ge er u ook tegen inzet, ge kunt u niet verweren tegen een indruk, dat Immanuël toch eigenlijk aan dat schoone Galileesche meer een vriendelijke jeugd heeft doorleefd, en zonder merkelijken tegenspoed zijn dertigste jaar heeft bereikt, en zelfs dat Hij ook daarna tot aan Gethsémané toe, nu ja ook wel onaangename ontmoetingen had, maar voor het overige toch een stil en bezielend leven leidde, dat volstrekt u geen afschrikkend beeld van een lijder, maar veelmeer het beeld van een vriendelijken profeet voor den geest roept.


Afziende van deze enkele, ons weinig toesprekende trekken, zoeken we daarom dit doorgaande lijden des Heeren, dat ook Gethsémané en op Golgotha onder al zijn ander lijden doorliep, daarin, dat Hij een gestalte droeg die bij hem niet hoorde.

Zooals Hij nu in de heerlijkheid zijn menschelijke natuur bezit, zóó hoort het bij Hem. Zoo is het geen lijden. Maar denk u eens het ondenkbare, dat plotseling van den Christus deze verheerlijkte natuur weder wierd afgenomen, en dat Hij daarvoor in de plaats ontving zulk een natuur „in de gelijkheid des zondigen vleesches”, gelijk Hij feitelijk op aarde gedragen heeft, en zoudt ge dan niet volkomen helder beseffen, welk onpeilbaar lijden daardoor over Immanuël komen zou? Hem plotseling in stee van den Koning der heerlijkheid, gelijk Hij nu is, weer maken tot den Man van smarten, gelijk Hij geweest is, zou dat iets minder dan een gestadig, altoos doorgaand lijden zijn? Niet een lijden nu en dan, maar een toestand, die als toestand lijden was.

Welnu, zoo is het dan ook werkelijk geweest, en vandaar zijn smeeken en roepen in het hoogepriesterlijke gebed: „Vader, verheerlijk mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was”.

Hij is in onze natuur ingegaan, niet gelijk die natuur zijn kon en thans in Hem is, maar gelijk ze neerlag, en gelijk David het in Psalm XXII uitdrukt: „Gij legt mij in het stof des doods.” Daarom zegt ook de profeet: „Als we Hem aanzagen, zoo was er geen gestalte, dat we Hem zouden |403| begeerd hebben; Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen.”

Natuurlijk alle vergelijking is hier zwak. Maar denk u dat gij, man of vrouw van beschaving en fijne vormen, van ontwikkeling en kennis, en die dus de menschelijke natuur bezitten moogt in een edeler vorm dan de Hottentot of de Boschjesman, plotseling u ingezet zaagt in de menschelijke natuur gelijk de Hottentot die bezit, en dat ge daarbij toch de herinnering, het besef, het heimwee van uw edeler aanleg behieldt, zou het u niet schriklijk, als een opsluiting in een kerker, als een beklemming in een dwangbuis, als een stikken van uw leven zijn? Zou het u niet wezen één toestand des lijdens, en zou niet al uw gebed zijn, om weer in den toestand uwer natuur, gelijk de fijner gevormde Europeaan die bezit, hersteld te worden?

Welnu, het komt niet in ons op, om met deze vergelijking het lijden Christi te willen uitputten. Daartoe zou elke vergelijking hier tekort schieten. Daar is geen maatstaf voor. Maar zooveel zal dit eenvoudige beeld dan toch kunnen uitwerken, dat ge er u eens in kunt denken, als het worden van een Hottentot voor u reeds zoo vreeslijk lijden zijn zou, welk lijden het dan niet in den volsten zin des woords voor den Zone Gods moet geweest zijn, om al de dagen zijns levens op aarde in een gestalte te verkeeren, die beneden de gestalte zijner heerlijkheid nog zoo oneindig veel dieper staat, dan een Hottentot op zijn slechtst beneden den Europeaan op zijn best.

En dit is het, waar het op aankomt. Heel dit dragen van onze menschelijke natuur niet in verheerlijkten toestand, gelijk nu, maar in de gelijkheid des zondigen vleesches, gelijk toen, is ééne beklemming en beperking, ééne inkerkering en benauwing, één doorloopend weerzinwekkend zeer doen van zijn innerlijk besef geweest. Tegen heel dezen toestand had Hij een innerlijk huiveren, waardoor we dan ook lezen, dat Jezus meer dan eens innerlijk als het ware geschud wierd en beefde, gelijk er letterlijk staat. Zijn innerlijk wezen kromp telkens voor de aangenomene natuur terug, gelijk onze hand zich onwillekeurig terugtrekt bij de aanraking van wat de kilheid van het lijk heeft. Zijns was het leven, en wat Hij aangenomen had en droeg, bracht Hem van oogenblik tot oogenbIik met vezeIen des doods in aanraking. En zoo kon zijn innerlijk wezen geen harmonische rust erlangen in de natuur waarin Hij op aarde omwandelde.

En waar dit reeds een lijden in zijn persoon was, door de onharmonische tegenstrijdige saamvoeging van zulk een „natuur in de gelijkheid des zondigen vleesches” met zijn innerlijk volkomen heilig wezen, wierd dit lijden natuurlijk nog gestadig verhoogd door zijn aanraking met de wereld, waarin Hij die natuur droeg. De wereld die bij Hem hoort is de |404| hemel, gelijk dit nu ook zoo is. Maar bij Hem hoorde niet de omgeving van deze wereld. Een paradijs ware nog te gering voor Hem geweest, maar een wereld zonder een paradijs waaide Hem uit heel haar levensuiting een reuke des doods tegen. Die wereld deed Hem zeer. Die wereld wondde Hem, zonder dat Hij het merkte. Zij had geen atmosfeer voor zijn gewaarwordingen. Ze ging tegen Hem in. En om een beeld aan het stoffelijke te ontleenen, gelijk iemand van fijner reukorgaan het niet uit kan houden in een ziekenvertrek, dat niet gelucht is, maar waaruit de pestwalm u tegenslaat, terwijl toch de kranke zelf er geen hinder van heeft, zoo ook moet heel deze wereld voor Jezus als in een pestwalm gehuld zijn geweest. En zijn omgaan in onze natuur en zijn verkeeren in deze wereld was één strijdigheid tegen zijn Wezen, één beleediging van zijn innerlijk zijn, één gestadig zeer doen van zijn teederste beseffen.

Nog meer. Als er oorlog op til en het land in gevaar is, slaapt de landman nog rustig en zal morgen eens hooren, wat er gaande is. Maar de raadsman des konings, die de zaak beslissen moet, doorleeft duizend nooden, duizend angsten. Geen sluimer komt over zijn oogleden. Hij lijdt voor heel zijn land, omdat hij als hoofd handelt. En ook dat mag bij Jezus’ lijden niet vergeten. Hij kwam als Hoofd der menschheid. Hij kende zorgen, die ons nooit over het hart kruipen. De angst ook van heel een wereld drukte op zijn ziel.

En zoo ge dit alles nu saamneemt, ons dunkt, dan zult ge iets althans er van verstaan, wat dat lijden van den Zone Gods al de dagen zijns levens moet geweest zijn; en ge zult niet langer u kunnen bepalen tot de opmerking, dat Hem een enkele maal dorstte en dat Hij geen legerstede had, waarop Hij sliep.