Tweede hoofdstuk.

Doch het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt.

Jes. 53 : 10a.


De Middelaar leed „den ganschen tijd zijns levens op de aard”. Hij kon |394| niet lijden, dan om onzentwil; plaatsbekleedend voor ons; en in onze plaats. Zoo droeg Hij dan onze zonde van zijn geboorte af. Hij heilig in zich zelf; onnoozel, onbesmet, van alle zondaren afgescheiden, maar dragende een vreemde schuld, die buiten Hem omging, maar die Hij, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, droeg.

Deze schuld droeg Hij, niet wijl wij ze op Hem hadden gelegd. Wij toch zouden dit nimmer gedaan hebben, en óns ware dit een dwaasheid geweest. Maar omdat ze op den Middelaar was gelegd door God Drieëenig, en Hij zelf, als zijnde „God te prijzen in der eeuwigheid”, ze willig op zich nam.

Dit opleggen had in beginsel plaats in den eeuwigen Raad Gods, maar wierd eerst verwerkelijkt door de Vleeschwording. Toen toch nam de Zone Gods onze menschelijke natuur aan; niet een mensch, maar ’s menschen natuur; en die natuur gelijk ons gevallen geslacht ze alleen geven kon, en gelijk hij ze van een gevallen menschdom alleen nemen kon, ingezonken en met de woeling des doods er in.

Zoo wierd Hij dan geboren „heilig, onnoozel en onbesmet”, naar zijn innerlijk wezen, maar naar den uitwendigen staat als een „schuldige” gerekend; „gerekend met de misdadigers”; „als een die veracht was en de onwaardigste onder de menschen”; gelijk een „op wien de toorn Gods rustte”.

Had Hij niet onze natuur uit het vleesch en bloed der kinderkens aangenomen, maar door schepping zich een nieuwe menschelijke natuur bereid, zoo ware Hij noch innerlijk met zonde besmet geweest, noch ook had Hij uitwendig onze schuld gedragen.

Had hij niet slechts onze natuur, maar ook een menschelijken persoon aangenomen, zoo zou Hij zelf zondaar zijn geweest, en zou hem Adams schuld zijn toegerekend, gelijk onzer één.

Nu Hij daarentegen niet een nieuwe natuur schiep, en ook niet een menschelijken persoon, maar van ons onze natuur aannam, nu was en bleef Hij in zijn innerlijk wezen God, en daardoor heilig en onnoozel, maar droeg Hij onze schuld.

Het Woord kon niet vleesch worden, zonder dat onze schuld op hem rustte. Dat hij, vleesch geworden, onze schuld dragen zou, was naar het bestel van Gods Raad.

Niemand mag dus zeggen: „Het was een natuurnoodwendigheid; eenmaal onze natuur aannemende, moest Hij wel onze schuld dragen.” Dit is niet zoo. Het aannemen van onze schuld was een daad van goddelijk ontfermen.

Maar ook mag niemand zeggen: Hij had onze natuur kunnen aannemen |395| en toch buiten onze schuld staan. Want immers een natuur, waarop niet Gods toorn rustte, hadden we niet te geven.

En zoo hangen dan deze twee onlosmakelijk saam. Uit vrije erbarming nam hij onze schuld op zich; en om onze schuld werkelijk te kunnen dragen moest hij aannemen onze menschelijke natuur.


Op onze natuur rust na den val in het Paradijs „de toorn Gods”. Daarvan getuigt de klager in Psalm XC: „Wij vergaan door uw toorn en door uwe grimmigheid worden wij verschrikt”; wat in dezen Psalm juist van onze natuur gezegd wordt. „Van nature”, roept ook de Apostel, „worden we als kinderen des toorns geboren”.

Deze toorn is bij God den Heere heel anders en veel ontzaglijker dan bij ons, menschen.

Bij ons is toorn een heftige beweging onzes gemoeds, waardoor we tegen iets, dat ons hindert, en kwaad dunkt, met al de spanning van ons bloed ingaan, om het met woord en daad te vernietigen, te bestraffen of te stuiten. Vandaar dat in ons de toorn billijk of onbillijk ontstoken kan zijn. Onbillijk, als wat ons in vlam zet zondige geprikkeldheid of baatzucht is. Billijk daarentegen als de gloed in ons ontbrandt tegen wat laag, verachtelijk en gemeen is. In dien laatsten zin is toorn dus het niet lijdelijk kunnen berusten in de openbaring der ongerechtigheid; er door geprikkeld worden; er tegen ingaan; en bij die spanning onzer ziele in ons bloed ontstoken te worden en ontstoken in het vuur onzer lippen.

Deze goede, billijke toorn nu is eenigszins een natuurlijke afschaduwing van wat de toorn eigenlijk in God den Heere is, doch meer dan een zwakke afschaduwing ook niet.

Ge moet er namelijk op letten, dat zoodra ge van het Eeuwige Wezen spreekt, er geen ongerechtigheid naast, bij of tegenover Hem openbaar kan worden, of Hij als Schepper moet zelf die ongerechtigheid dragen. Kaïn heeft Abel niet kunnen vermoorden dan met kracht die God zelf op dat oogenblik in hem onderhouden moest. Een zondaar loopt om te zondigen niet uit de Schepping weg, om nu ergens buiten de Schepping Gods en buiten den Heere om zijn euveldaad te volvoeren. Dat kan hij niet. Ook van alle zondaren geldt het: In Hem leven zij en bewegen zij zich en zijn ze. Van oogenblik tot oogenblik is het God, die ze met zijn almachtige hand draagt; die al hun kracht in hen ophoudt; die ze denkvermogen en zinnensmacht geeft; en ook bij het volvoeren, doen ze hun kwaad met een macht die Godes is. Alle kwaad wordt bedreven voor Gods aangezicht; met goed, dat Hij gaf; als in de eigen hand Gods, waarmee Hij alle natuur draagt. |396|

Onder menschen komt het soms voor, dat men gruwelen bedrijft in ons eigen huis; met ons goed; misbruikende een door ons geschonken kapitaal; schendende een door ons verleend vertrouwen. En reeds dan voelt ieder mensch in zijn nieren, hoeveel schandelijker dit het misdrijf maakt; en hoeveel heeter is, komt het uit, dan niet de ontbranding van onzen toorn!

Maar nu, bij God den Heere is dit alles in het oneindige versterkt. Tegenover Hem is alle zonde volstrekt in zijn huis, voor zijn oog, met zijn goed en door zijn kracht gedaan. Als een booswicht de hand van een moeder nam, en die misbruikte om haar zuigeling te worgen, kon er geen banger gruwen aan het hart van die moeder worden aangedaan dat gestadig ingaat tegen het Eeuwige Wezen, als dag aan dag de zondaren de vingeren van zijn goodelijke hand misbruiken om al hun zonden door te zetten.

Denk dit nu in, en gij zult Gods toorn althans eenigermate verstaan. Verstaan dat „verterend vuur”, waarbij geen onzer wonen kan. En ook vatten, waarom „toorn, grimmigheid, verbolgenheid”, woorden klimmend in kracht zijn, om het afgrijzen en gruwen van alle zonde in den Eeuwige uit te drukken.

Ge kent het woord reactie. Reactie, zooals ge vanzelf de hand afwerend uitstrekt, als ge een insect langs uw hals voelt kruipen of een ondier u naderen voelt. Reactie, om u te vrijwaren tegen de aanraking van wat uw leven niet duldt. En zoo nu is ook de „toorn Gods” een goddelijk reageeren tegen alle zonde en ongerechtigheid. Een afwerend uiten van zijn goddelijke mogendheid, om de zonde verre van zich te houden. Omdat Hij heilig is, toornt Hij vanzelf, noodzakelijk en rusteloos tegen alle onrechtigheid in zijn schepsel. En deze toorn brandt door, en brengt aan het zondig schepsel den dood.

Toch is deze toorn Gods geen vuur dat brandt alsof het bij dat branden aan Gods wil onttrokken zou zijn. De Heere vermag den toorn in te houden. Hij houdt zijn toorn niet in eeuwigheid (Micha VII : 18). Hij kan zich wenden van de hittigheid zijns toorns (Deut. XIII : 17). Er is een oogenblik in zijn toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid (Ps. XXX : 6). Zijn toorn kan een weinig en veel ontbranden. Hij kan rooken (Ps. LXXIV : l). Zijn toorn kan uitgesteld (Jes. XLVIII : 9). In den toorn gedenkt hij des ontfermens (Hab. III : 2).

Ware dit niet zoo, en ware de toorn des Heeren terstond in het paradijs in volle kracht uitgegaan, zoo zou opeens de aarde verteerd zijn en de hel geopend. Dat er sinds het paradijs nog een leven op aarde mogelijk was, is het ophouden en inhouden van zijn toorn. Een daad van genade. En dat ook gij |397| persoonlijk niet reeds lang verteerd zijt, maar nog leeft en in den tijd der genade zijt, is enkel dat de Heer zijnen toorn nog bedwingt en uitstelt. Lankmoedig ontfermen!

Zoo alleen verklaart het zich, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden en daarom der verdoemenisse onderworpen zijn, en dat toch het aanzijn op aarde nog vaak zooveel stille levensvreugd biedt.


Komen we nu op den Middelaar, dan springt het in het oog, dat in dien Middelaar niets was, dat den toorn Gods kon opwekken. Integendeel, als heilig uit Maria geboren, en als onnoozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaren, was hij het voorwerp van Gods welbehagen, gelijk bij den Doop en op Thabor en in den Tempel betuigd wierd.

Maar deze Zoon des welbehagens droeg, heilig, onbesmet en onnoozel, als Hij was, onze natuur; een natuur die Hij van ons genomen had; en genomen had gelijk wij die droegen; d.w.z. die menschelijke natuur, waarop de toorn Gods rustte. En vandaar dat Hij van zijn geboorte af, zoodra Hij met onze natuur zich omkleedde, d.i. „den ganschen tijd zijns levens”, den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen heeft.

De menschelijke natuur lag voor God geoordeeld van het paradijs af, en die geoordeelde natuur nam de Zoon Gods aan. Hij kwam in de gelijkheid des zondigen vleesches (Rom. VIII : 3). Zelf innerlijk, naar zijn wezen buiten alle aanraking zelfs met iets, dat ook maar naar zonde zweemde, maar dragende onze natuur, en dragende dus ook den toorn Gods, die op deze onze menschelijke natuur rustte.

De uitdrukking van onze Catechismus: „de toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts” is daartoe zeer gelukkig gekozen. Niet, gelijk de Arminianen dit uitleggen, als school hierin, dat Christus voor alle menschen zaligmakend gestorven, ware. Want Ursinus heeft zelf in zijn uitlegging deze woorden vlak omgekeerd verklaard. Maar wel gelukkig gekozen, omdat het de zaak niet zou uitdrukken, als er stond: „de toorn Gods tegen de zonde der uitverkorenen”. Ook de uitverkorenen toch hebben geen zonde als uitverkorenen, maar alleen als behoorende tot een zondig geslacht en staande voor God als voortgekomen uit die menschelijke natuur, waarop zijn toorn rust. Dit is het wat de heilige apostel zegt: „Gij waart van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen.”

Onze schuld en onze zonde hangt dus saâm met de schuld en zonde |398| van het menschelijk geslacht, waartoe we behooren. Dat geslacht viel in Adam, en in en met Adam al wat uit dit geslacht komen zou en dus in dit geslacht besloten lag. Adams zonde, onze erfzonde en onze werkelijke zonde, het staat al in noodzakelijk verband. En geen mensch kan zeggen: „Ik heb alleen maar te maken met mijn eigen zonde.” Dit is niet waar. Ge hebt te maken ook met de zonde van uw vrouw en kinderen; ook met de zonde van uw stad of dorp; ook met de zonde van uw volk en vaderland; ook met de zonde der menschheid. Metterdaad is dus: „de zonde des ganschen menschelijken geslachts” de eenige juiste uitdrukking, die én onze schuld in Adam, én onze medeschuld aan de schuld van anderen tot haar recht laat komen. Zou de Middelaar het rantsoen voor de zijnen betalen en hun zonde verzoenen, dan kon dit niet anders gebeuren, of er moest plaats hebben verzoening van de zonde van heel ons menschelijk geslacht; want onder geen mindere zonde liggen de uitverkorenen geoordeeld.

Op de Synode te Dordrecht drukte men dit uit door te zeggen: „dat de dood des Zoons van God de eenige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonde is; van oneindige kracht en waardigheid; overvloedig genoegzaam tot verzoening der zonde van de gansche wereld.” Maar de vrucht er van, en dus de werkelijke verzoening, komt alleen tot stand bij hen, op wie de verzoening wordt toegepast naar Gods raad.


Deze „toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts” en dus tegen de menschelijke natuur, bestaat daarin dat God den dood in die natuur brengt, en dien dood er niet weer uitneemt, tenzij die natuur van het vleesch afga en zich bekeere tot den Geest.

Niets minder dan den dood brengt deze toorn. Dood niet in den zin van vernietiging, zoodat het ophoude te bestaan. Zulk een dood toch kent de Heilige Schrift niet; althans niet voor den mensch. Voor den mensch is, evenals voor den engel, de dood, zoo hij hem overkomt, eeuwig. Vandaar het onwezen der hel; zijnde de doodsexistentie, gelijk er nu nog is existentie van leven.

Sloeg nu de dood zijn slag op eens, zoo zou er geen lijden zijn, maar de volle dood op eens intreden. Maar dit is niet zoo. God legt het zaad van den dood in u; en dan ontkiemt dit zaad des doods allengs; en eerst over zekeren tijd voleindt die dood zijn vrucht; naar ziel en lichaam beide.

Nu is lijden dit geheele proces van de langzame ontkieming van het zaad des doods in ons, onder den gloed van Gods toorn. |399|

Dat zaad des doods heeft de Heere in het paradijs in den wortel van ons geslacht gelegd. Hij had gezegd: „Zoo gij eet, zult gij den dood sterven”, d.i. den dood in u krijgen, en terstond na den val kreeg de mensch dan ook den dood in zich, en sinds is er nog nooit uit man en vrouw een kind geboren, dan met dat zaad des doods in zich. In allen mensch om u heen, zit, evenals in u zelven, dat zaad des doods in. Uw leven is een gestadig sterven; zooals het Doopsformulier zegt. Van de wieg tot het graf, groeit de dood in ons, tot hij ons ten leste overschaduwt.

Bij ons is dit lijden dus natuurnoodwendigheid. Of we willen of niet, het overkomt ons. En het eenige wat in deze noodwendigheid verschil en onderscheid aanbrengt, is het voorzienig bestel onzes Gods, zonder wiens wil geen haar van ons hoofd zal gekrenkt worden.

Maar zulk een noodwendigheid was nu het lijden Christi niet. Bij Hem was alles vrij en willig. Louter ontferming. Enkel goddelijk mededoogen. Vóór zijn ontvangenis. Na de kribbe. Tot aan het kruis.

Geen oogenblik wil Hij anders. Had Hij anders gewild, het zou anders geweest zijn. En door dien wil komt op Hem onze natuur, en komt op Hem de toorn Gods die op die natuur rust, en komt op Hem het lijden in vollen omvang, dat uit dien toorn Gods vloeit.

Toch is er ook hier een proces.

De Middelaar gaat niet op eens in den dood. Eerst leeft Hij drie en dertig jaar. Al die jaren lang is er inhouding van den toorn Gods, die slechts met mate op Hem komt. Een eerst tegen het einde zijns levens wordt deze toorn een zeer grooten toorn, een ontzaglijke verbolgenheid, toen de Heere al onze ongerechtigheid op Hem deed aanloopen.

En toen klom het lijden. Klom het van oogenblik tot oogenblik. Winnende in heftigheid; ingaande in onpeilbare diepte; tot het nederdaling ter helle wierd; een uitbreken van den eeuwigen dood; maar van een dood dien Hij verslinden kon, omdat Hij de Zoon was, waar wij eeuwiglijk onder dien doodenden toorn hadden moeten bezwijken.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002