Zondagsafdeeling XV.

Vraag 37. Wat verstaat gij bij het woordeken: Geleden?

Antwoord. Dat Hij aan lijf en ziele den ganschen tijd zijns levens op aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lijf en ziele van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve.

Vraag 38. Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden?

Antwoord. Opdat Hij onschuldig, onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het streng oordeel Gods dat over ons gaan zoude bevrijdde.

Vraag 39. Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruist is geweest, dan of Hij met eenen anderen dood gestorven ware?

Antwoord. Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag op zich geladen heeft: want de dood des kruises van God vervloekt was.


*

Eerste hoofdstuk.

En met de overtreders is gesteld geweest.

Jes. 53 : 12.


In de Twaalf Geloofsartikelen volgt terstond op de belijdenis van Jezus’ geboorte de belijdenis van zijn lijden. Immers het heet: „Ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria”, en terstond daarop: „die geleden heeft onder Pontius Pilatus”.

Uit die bijvoeging: „Die geleden heeft onder Pontius Pilatus” ziet ge klaarlijk, dat de Twaalf Geloofsartikelen spreken van het lijden des Heeren aan het einde zijns levens. De Catechismus daarentegen blijft daarbij niet staan, maar onderzoekt ook het voorspel of wilt ge den wortel van dat latere lijden, en spreekt daarom van een lijden, dat de Heere „den ganschen tijd zijns levens op aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens” gedragen heeft. Als er toch gevraagd wordt: Wat verstaat gij onder het woordeke „geleden”? dan luidt in antwoord 37 het bescheid van den Catechismus aldus: |389|

„Dat Hij aan lijf en ziele, den ganschen tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lijf en ziele van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwig leven verwierve.”

Reeds dit eerste is van hoog gewicht.

Heel het denkbeeld toch, alsof Jezus eerst ruim dertig jaren lang een stil en genoeglijk menschelijk leven had gesleten, en alsof eerst aan het einde van dit leven het lijden Hem overkomen was, valt er mee weg. Wat men wel gesproken heeft van een „Leven van Jezus” wordt zoodoende overgezet in „de geschiedenis van Jezus’ lijden”. En heel de blik op den Rabbi van Nazareth wordt reeds van de kribbe af de aanblik van het Kind, den Jongeling en den Man van smarten.

Toch ontsta hier geen misverstand. Slaan we toch de Evangeliëën op, dan vernemen we eerst van dat lijden bijna niets, en eerst tegen den afloop van het ons daar geschilderd tafereel komt er een oogenblik, waarop „Jezus van toen aan zijn discipelen begon te zeggen, dat Hij moest opgaan naar Jeruzalem en veel lijden van de overpriesters, en gekruist worden, en ten derden dage weer opstaan van de dooden.” Hier is dus metterdaad een indeeling van zijn leven op aarde in twee deelen, waarvan in het laatste deel pas zijn eigenlijk lijden begint en dus het eerste deel nog van dat zwaarder lijden verschoond is. En toch strijdt dit geenszins met de voorstelling van onzen Catechismus. Immers ook de Catechismus maakt onderscheid tusschen tweeërlei lijden, eerst een lijden van zijn geboorte aan, en daarna een bijzonder lijden, dat eerst aan het einde zijns levens kwam. Juist gelijk de Heere zelf het zegt, niet, dat bij zijn opgaan naar Jeruzalem eerst zijn lijden aanving, maar dat toen eerst begon dat bepaalde lijden, dat Hem overkomen zou van de overpriesters en schriftgeleerden en bij zijn overgeleverd worden aan de heidenen.

Welk belang heeft het dan, om ook op dat vroegere lijden te komen? En dan antwoorden we: Dit groote belang, dat het juist hieraan hangt, of Christus in den staat van een rechtvaardige of van een schuldige geboren is. Begon het lijden pas bij Gethsémané, dan treedt Hij eerst bij Gethsémané in den staat van een schuldige over, en is Hij van te voren ongerept als een rechtvaardige. Maar dan blijft tweeërlei volstrekt onbegrijpelijk. Vooreerst, hoe de Christus zoo plotseling, op een gegeven oogenblik, onze zonden op zich neemt. En ten andere, hoe Hij reeds vroeger in steê van in heerlijkheid te schitteren, in zoo gedrukten levenstoestand verkeert. |390|

Liefst denkt men daar dan niet over, en laat het in het duister liggen, en troost er zich mee, dat de Christus op Golgotha dan toch metterdaad onze zonde aan het hout draagt. Maar hoe die zonde op Christus kwam, wanneer Hij ze op zich nam, en op wat wijs Hij ze droeg, daar geeft men zich geen rekenschap van. En toch, daarbij kan men niet blijven staan. Onze zonden zijn niet als een vervoerbaar pak, dat tot op Gethsémané ergens rusten kon, en dat toen door Hem in Gethsémané op zich genomen is, om het bij zijn sterven weer af te leggen.

Men kan dit niet uitwendig noch physisch opvatten. En het moet derhalve klaar en duidelijk voor ons bewustzijn zijn uitgemaakt, wat met dit dragen van onze zonden is bedoeld. En dit nu ziet ge nooit in, en op dit punt blijft ge altoos haperen, zoolang ge Jezus’ lijden en het dragen van onze schuld pas bij Gethsémané laat beginnen; en licht daagt u in deze donkerheid eerst dan, als ge met den Catechismus, blijkens Vraag 36, het dragen van onze schuld zijn aanvang reeds laat nemen, in zijn ontvangenis en geboorte, en dienovereenkomstig dan ook, blijkens Vraag 37, zijn lijden reeds laat beginnen bij het begin van zijn leven.

Dit gevoelt ge toch, alle mechanische, uitwendige voorstelling moet hier afgelegd. Al het spreken der Heilige Schrift van een „dragen van onze zonden op het hout” en wat dies meer zij, met name van een Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt, is figuurlijke, overdrachtelijke taal, ontleend aan den offerdienst. Maar niet die offerdienst is het wezenlijke. Ook die offerdienst op zich zelf was slechts figuurlijk en zinnebeeldig. En het wezenlijke was alleen het beslotene in Gods raad, dat door dien offerdienst wierd afgebeeld.

Om zich van dit dragen onzer zonde, en dientengevolge van de striemen die ons genezing aanbrachten, een klare voorstelling te kunnen maken, moet ge dus terstond het oog op God den Heere richten, en u afvragen wat in heel deze zaak van ’s Heeren wege geschiedt.


En dan sta op den voorgrond, dat er noch van schuld, noch van zonde, noch van een staat, noch van een lijden sprake kan zijn, dan enkel tengevolge van Gods rekening en Gods doen.

Denk u in een land de Overheid en de wet en den rechter weg, en er is in dat land geen overtreding en geen schuld en geen vonnis en geen straf meer. Alles is er om het even. Maar zoodra de Overheid komt en de wet en de rechter, dan wordt er overtreding aangebracht, schuld afgewogen, vonnis geveld en straf toegewezen.

Schuld is dus niet iets, dat in de lucht hangt of op zich zelf wezenheid heeft, maar alleen geboren uit de rekening en het oordeel Gods. Uw schuld |391| bestaat alleen in zijn eisch aan u, waarin ge tekort schoot. Hieruit is uw schuld geboren. En voorts dat Hij zijn pretentie op u niet loslaat, maar u zijn wet blijft opleggen, én voor eertijds én voor nu, daar bezwijkt ge onder.

Uw staat, of ge als een zondaar of als een rechtvaardige voor Hem zijt, hangt dus insgelijks aan zijn oordeel, en aan zijn oordeel alleen.

Zoolang een dief niet ontdekt is, blijft hij in den staat van een eerlijk mensch. En ook zoolang een valschelijk beschuldigde niet in zijn onschuld is uitgekomen, blijft hij in den staat van een schuldige verkeeren. Voorzoover dit nu echter enkel hangt aan de publieke opinie, heeft dit nog geen rechtsgevolgen. Maar als de overheid, als de rechter u óf schuldig verklaart, hoewel ge niet misdeedt, óf ook vrijsprak, niettegenstaande ge schuldig waart, rekent uw staat voortaan niet meer naar wat gij wezenlijk zijt of deedt, maar enkel naar de uitspraak van den rechter. Verklaart hij u eerloos, ook al zijt ge onschuldig, dan zijt ge in het land uw eere kwijt en geldt voor een eerlooze. En omgekeerd, verklaart hij u onschuldig, ook al waart ge wel terdege schuldig, dan blijft ge in het land uw eere genieten, ook al zijt ge voor uw zielsbesef uw eere kwijt.

Zoo nu kan het gebeuren, dat er een moord is geschied, de eigenlijke moordenaar vrijloopt en als eerzaam burger rond blijft wandelen, terwijl een onschuldige wordt gegrepen en als moordenaar veroordeeld. Welnu, in dat geval, draagt deze onschuldige de straf, die voor den moordenaar bestemd was; hij wordt als die moordenaar gerekend, en staat voor den rechter als dragende de schuld van zijn moord.

En is het nu, dat in eenig land het overnemen van iemands schuld toe is gestaan, en er was een moord gepleegd, en een onschuldige bood zich vrijwillig aan, om in plaats van den moordenaar de straf voor dien moord te boeten, dan zou deze persoon voor den rechter staan, dragende de schuld van den moordenaar; als moordenaar door hem worden veroordeeld; en met de straf die op moord gesteld was, door hem worden gestraft.

En zoo nu is het ook bij den Heere onzen God.

Wij allen staan voor den Heere als eerloozen en doemschuldigen, want God weet, hoe we allen voor Hem in de schuld liggen, als overtreders van zijn wet en schenders van de eere van zijn majesteit. Niemand onzer staat van nature bij God in den staat der eere, maar allen worden we ontvangen en geboren in den staat van den goddelooze en eerlooze.

Omgekeerd is het de grondslag van Gods waarheid, dat de Immanuël niets misdeed, maar in volkomen heiligheid verkeert en altoos verkeerd heeft en heilig is tot in den diepsten wortel van zijn wezen. |392|

Moet dus God de Heere én ons én Hem aldoor rekenen in dien staat, die overeenstemt met ons beider innerlijk wezen, dan kan het niet anders zijn dan voor Immanuël de staat van den rechtvaardige en de staat van den goddelooze voor ons.

Maar, en hier ontsluit zich nu juist de toegang tot dit mysterie, dit is niet zoo. De staat hangt niet aan het eigenlijke wezen, maar alleen aan de rekening en aan het oordeel Gods.

En nu komt de raad des vredes, en is in Immanuël de wil om zich door God als een goddelooze te laten rekenen, indien Hij mensch geworden, daardoor tot stand kan brengen, dat vele goddeloozen als rechtvaardigen worden gerekend.

Zoo komt het tot de Vleeschwording. De Zone Gods neemt uit de maagd Maria het vleesch en bloed der kinderen aan. Hij verschijnt onder menschen. Maar in welken staat zal het nu zijn? Zal het wezen: Hij alleen in den staat der rechtvaardigen onder die allen die in den staat der goddeloozen verkeeren? Neen, neen, maar ook Hij komt in den staat der goddeloozen op! Als een wortel uit een dorre aarde! Meer nog. Hij komt op, niet in den staat dier anderen, maar in een geheel exceptioneelen staat, als de oneerzaamste onder de eerloozen. „Er was geen gedaante noch gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen!”

Niet, dit vat ge nu toch, naar zijn innerlijk zijn, want hij was innerlijk volkomen goddelijk en heilig, maar van zijn staat. Hij wierd gerekend „als een die van God geplaagd, geslagen en gedrukt was.” Hij wierd behandeld, als had Hij alleen dat alles misdaan, wat wij misdaan hadden. Hij is met de overtreders gerekend.


Dat dit nu niet bij vergissing geschied is, gelijk een aardsch rechter soms bij vergissing een schurk vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt; dat het ook niet bij dwang geschied is, gelijk soms een legerbevelhebber den tienden man voor den kop schiet, als zoen voor verzet van heel het regiment; en dat het ook niet figuurlijk geschied is, gelijk bij het offerlam; maar dat dit geschied is, naar Gods raad en wil en behoudens zijn goddelijke alwetendheid, niet buiten Christus zelf om, maar met diens eigen gedoogen en volle bereidwilligheid; en dat niet in schijn, maar zóó wezenlijk, dat eindelijk zijn bloed van het kruis afdroop, dát is het heilgeheim, welks volkomen diepte ge nooit peilen zult.

Maar bekent ge eenmaal, dat iemands staat geheel verschillen kan van zijn wezen, zoodat zelfs een onschuldig man nog als een moordenaar aan de galg kan komen, dan doorziet ge toch, hoe ook de Christus zelf volkomen |393| heilig, onbesmet, onnoozel en onschuldig in zijn wezen en innerlijke gestalte kon zijn, en toch desniettemin geheel in den staat van den diepst schuldige kon worden ingezet, en dienovereenkomstig behandeld, bijaldien de wil des Heeren Heeren het als souverein Rechter alzoo besloot.

En overmits Hij dit nu zelf gewild heeft, en hoewel zich innerlijk volkomen van zijn volstrekte heiligheid van oogenblik tot oogenblik bewust, niet heeft willen optreden in den staat van een rechtvaardige, met de daarbij passende eere en heerlijkheid, maar door eigen wilsdaad opgetreden is in den staat van een goddelooze, ja, van den diepst schuldige, wiens ééne schuld aller schuld saam evenaarde, met de daarbij passende smaad en schande en verdrukking, nu heeft van zijn ontvangenis af, in dien staat der vernedering, aldoor onze zonde gedragen en is geen oogenblik zonder het dragen van onze schuld geweest.

Geheel hiermee in overeenstemming leert dan ook de Heilige Schrift, dat het de Heere was, die onzer aller ongerechtigheid op Hem deed aanloopen. Niet wij hebben onze zonden op den Christus gelegd, en ook niet Hij heeft ze op zich genomen, om nu eerst daarna, met onze zonden voor God verschenen, als een ongerechtige gerekend te worden.

Neen, de werking gaat van het Besluit uit. Daar liggen de oorsprongen van dit mysterie. En het is krachtens dit Besluit dat „Hij het geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft zich zelven vernietigd, de gestaltenisse eens dienstknechts aangenomen hebbende.”

Immers dit laatste hoorde er bij.

Als Tweede Persoon in de Drieëenheid kon Hij geen zonde of schuld dragen. Hij kon ze alleen dragen door het aannemen van onze natuur.

In onze natuur kon Hij als Zoon van God geen schuld dragen naast de onze, of gelijk aan de onze, want dan had Hij een menschelijk individu naast andere individuen moeten wezen.

Neen, al wat kon, was, dat Hij, onze natuur aannemende, ze aannam met al de zonde en de schuld die er op rustte, en zoo inderdaad droeg onze schuld en onze zonde, of gelijk de Catechismus het zoo juist uitdrukt: den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002