Vierde hoofdstuk.

Want zoodanig een Hoogepriester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden.

Hebr. 7 : 26.


Over de tweede vraag van deze veertiende Zondagafdeeling wordt veelal heengeloopen, en toch is ze van zoo uitnemend gewicht. Reeds hierom, wijl de verhouding waarin de Middelaar tot het onheilig wezen der zonde en tot onze schuld stond, alleen hier in verband met zijn vleeschwording ter sprake komt.

Beginnen we ter toelichting er van, met te onderzoeken, wanneer de Middelaar onze schuld heeft aangenomen. Pas in Gethsémané? Eerst bij den doop? Of wel reeds vroeger?

Nu zegt de Heidelbergsche Catechismus, dat „de Middelaar met zijne onschuld en volkomene heiligheid mijne zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt”. Er wordt dus niet eerst bij het kruis, maar reeds bij de vleeschwording aan den Middelaar een verzoenende macht toegekend.

Gekant tegen alle oppervlakkigheid neemt de opsteller er geen vrede |382| mee dat Christus zijn latere zonden verzoent; ook niet dat Christus zijn zondigen aard bedekt; neen, hij dringt terug tot in den oorsprong van zijn aanzijn en tot in den wortel van zijn wezen, en komt alzoo op de erfzonde. Ook die erfzonde stelt hem voor God verdoemelijk. En nu vraagt hij zeer terecht, waar de verzoening ook voor die oorspronkelijke zonde moet gezocht worden. Hoe, op wat wijs, die zonde, waarin hij ontvangen en geboren is, voor Gods aangezicht bedekt wordt.

En wat antwoordt hij hier nu op? Wijst hij nu op het kruis van Golgotha en het daar vergoten bloed? Neen, volstrekt niet, maar wel wijst hij u op de „heilige ontvangenis en geboorte Christi” (zie vraag 36), en het is uit deze „heilige ontvangenis en geboorte Christi” dat hij de macht van den Middelaar afleidt, om „met zijn onschuld en volkomene heiligheid”, waarin Hij geboren wierd, mijn schuld en mijne onheiligheid, die mij van mijn ontvangenis en geboorte af aankleefde, voor Gods aangezicht te bedekken.

Hier ligt dus in, dat de Christus niet eerst aan het kruis of bij den doop, maar reeds terstond van het oogenblik zijner ontvangenisse af, plaatsbekleedend voor ons intreedt, en geen oogenblik anders dan dragende onze schuld en onze zonde kan worden gedacht. Iets wat de Catechismus terecht aldus leert. Want immers reeds lang vóór het kruis getuigde Johannes de Dooper: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt”; en reeds lang vóór den doop is aan den Christus de besnijdenis voltrokken, en is voor den Christus het lossingsoffer in den tempel volbracht. Reeds de profeet toont ons dan ook, dat Hij op zou schieten „als een wortel uit een dorre aarde”. Hij is onze Hoogepriester niet eerst op Golgotha geworden, maar reeds als onze Hoogepriester in den Kerstnacht geboren geworden. Hij is „in het vleesch” en niet in zijn heerlijkheid bij de kribbe gekomen. Een kribbe in den stal ontvangt Hem, en niet de wieg in het vorstelijk paleis. En zou nu geheel deze nederheid bij den Christus volkomen onverklaarbaar zijn, indien Hij niet reeds toen met onze zonde te maken had gehad, zoo volgt uit dit alles klaarblijkelijk, dat de Catechismus hier geen ander verband aanwijst, dan de Schrift zelve toont.


Toch zie men toe, dat deze invlechting van het verzoeningswerk in de vleeschwording niet verkeerdelijk verstaan worde, gelijk heden ten dage van twee kanten tegelijk op stuitende en heel het heilsmysterie omverwerpende wijze geschiedt.

Eenerzijds toch leeren de Ethischen almeer, dat de verzoening van den zondaar met God eigenlijk minder in het vergoten bloed ligt, maar meer daarin te zoeken, dat in zijn vleeschwording het goddelijke zich aan het |383| menschelijke huwt, en alzoo de tegenstelling te boven komt, die aanvankelijk het goddelijke van het menschelijke scheidt. Een waarlijk booze ketterij, die de leer der zaligheid en van den troost onzer ziele oplost in een wijsgeerige beschouwing, en eindigt met de grens uit te wisschen die ons van den Eeuwige scheidt; Schepper en schepsel onderling vermengt; en alzoo de gemeente van Christus, zonder dat deze er op verdacht is, aan de afgoderij of het pantheïsme in de armen voert. Gelijk men weet, was het Prof. Valeton te Utrecht, die bij zijn inaugureele oratie in 1878 het eerst hier te lande deze zienswijze bepleiten dorst.

Doch ook anderzijds en op niet minder ernstige wijze zondigen hier de Neo-Kohlbruggianen, onder leiding van Prof. Böhl uit Weenen; en wel in ditzelfde punt, zij het ook op andere wijze. Zij toch stellen het voor, alsof „de Christus als onzer één onder de toerekening van Adams zonde en schuld ontvangen en geboren ware”. Een schriklijke leer, waarover schrijver dezes den hoogleeraar tot de orde riep in de inleiding van „De Vleeschwording des Woords”, maar die tot onze niet geringe teleurstelling door Dr Böhl in zijn „Zur Abwehr” in geheel haar omvang en strekking wordt staande gehouden; zonder dat ook maar één enkele der ingebrachte bedenkingen besproken of weerlegd is. Nu voelt ieder, dat, zoo aan Christus als aan onzer één de schuld en zonde van Adam is toegerekend, Hij niet voor ons, maar voor zich zelven leed, en gelijk onzer één niet slechts met de schuld, maar ook met de zonde is vermengd geworden.

Beide deze valsche voorstellingen moeten derhalve met alle kracht bestreden; en de kerke Gods moet gehouden bij de vaste en zeer kostelijke waarheid, dat 1º. de Christus den broederen in alles is gelijk geworden, doch uitgenomen de zonde; 2º. dat de Christus onze schuld gedragen heeft, niet krachtens zijn geboorte, maar krachtens de beschikkinge Gods; en 3º. dat de verzoening voor onze zonde in zijn bloed is, gelijk dit op Golgotha vergoten wierd, maar om vergoten te kunnen worden, uit Maria wierd aangenomen door de vleeschwording.

Bezien we elk dezer drie nader.


Vooreerst, de Christus is den broederen in alles gelijk geworden; wat volstrekt niet zeggen wilde, dat er tusschen den Christus en Johannes den Dooper bijvoorbeeld geen onmetelijk verschil bestond, daar toch de Christus „God was, te prijzen in eeuwigheid” en Johannes een nietig schepsel; maar alleen dat, voor hetgeen zijn menschheid aanging, Hij evenzoo waarachtig mensch was, des vleesches en des bloeds der kinderen deelachtig, als wij. Heel het redebeeld van den heiligen apostel in den brief aan de Hebreën toont dit duidelijk. |384|

Maar terwijl wij nu niet konden geboren worden anders dan in schuld en zonde, is hij geboren „heilig, onnoozel en onbesmet, afgescheiden van de zondaren”.

In Vraag 7 had de Catechismus geleerd, dat in het paradijs „onze natuur alzoo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden”. De erfzonde wordt hier alzoo afgeleid uit de schuld die op onze natuur rust. Wat uit vleesch geboren wordt, is vleesch. Wie in deze bedorven natuur opkomt, is zelf in zonde bevangen.

Onze Confessie zegt er in art. 15 van, dat „deze erfzonde is een verdorvenheid der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam”.

Ware dus de Christus uit ons geslacht, door den wil des mans, als onzer één geboren, dan kon het niet anders, of ook Hij zou reeds in zijn moeders lichaam met deze zonde besmet zijn geweest. Nu daarentegen kan dit natuurlijk niet. Van zonde bij den Zoon van God te spreken, is spreken van heilige zonde of zondige heiligheid. De zaak zelve is geheel ondenkbaar. En een ieder die leert, dat de Christus wel kon zondigen al zondigt hij feitelijk niet, loochent zijn Godheid.

Maar al stond het vooruit vast, dat dit niet kon, het moest dan toch in de ontvangenis en geboorte zelve afgesneden zijn. En dit nu, de afsnijding van dit geheele denkbeeld, dát is het wat de Christelijke kerk belijdt met het „ontvangen uit den Heiligen Geest, en geboren uit de maagd Maria”.

Dat Christus zonder zonde en buiten zonde was, heilig, onnoozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaren, leert heel de Schrift, en ook reeds aan Maria was het aangezegd: „Dat heilige, dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genaamd worden!” En zonder dat we nu dieper indringen in de vraag, hoe het toeging, dat de ontvangenis uit den Heiligen Geest en de geboorte uit de maagd Maria, den overgang van de erfschuld en erfzonde buitensloot, zoo is het toch tastbaar, dat 1°. krachtens deze ontvangenis de Christus niet uit ons geslacht, maar in ons geslacht, ingeboren wierd; 2°. dat Hij niet evenals wij in Adams lendenen gezondigd had; 3°. dat de zondige bijmenging bij zijn ontvangenis geheel was uitgesloten; en 4°. dat Hij als onzer één was, maar „onzer één” niet.


Het tweede punt vloeit vanzelf uit het eerste voort. In den Christus is nooit zonde noch ook schuld geweest. Voor zoover Hij met schuld en zonde te maken had, droeg Hij ze, als van buiten opgelegd, en niet als van binnen uit Hem voortgekomen; evenals het lam in de offerande de zonde van den offeraar draagt, zonder dat er innerlijk tusschen het leven van dat lam en die opgelegde zonde oorzakelijk verband bestaat.

Als nu aan een schaapherder een kind en een lam op éénen dag |385| worden geboren, dan draagt dit zijn kind de zonde vanzelf, noodzakelijk in zich. Maar dat lam kan eerst later met de zonde in aanraking komen, zoo ze op het dier wordt gelegd. Het kind heeft dus de schuld en zonde krachtens zijn geboorte. Daar is niets aan te doen. Maar het lam draagt straks de zonde op het altaar niet krachtens zijn geboorte, maar omdat de herder het als offerlam uitkoos.

En zoo nu ook is het hier.

Wij allen, toen we ontvangen en geboren werden, hadden terstond in onze ontvangenis en geboorte de zonde en de schuld, waaruit de zonde sproot, aan ons. Daarentegen de Christus had krachtens zijn geboorte slechts dit ééne, dat Hij was „heilig, onnoozel, onbesmet en van de zondaren afgescheiden”. Juist dus het tegendeel. Gelijk het lam van straks, zoo kan dus ook de Christus deze schuld en zonde alleen dan op zich krijgen, zoo ze op Hem wordt gelegd door een beschikking van den Vader.

Zoo dragen ook wij elk persoonlijk onze schuld uit Adam en de zonde daaruit volgende krachtens onze geboorte; maar de Christus draagt onzer aller schuld en zonde, niet krachtens zijn natuur, maar omdat de raad des Heeren het alzoo bepaald heeft.

Dit is het, waarom we in het eerste hoofdstuk van deze Zondagsafdeeling met zooveel nadruk op de Staten van den Middelaar wezen.

Immers het had kunnen beschikt zijn, dat Christus geboren. was in een staat, die beantwoordde aan zijn innerlijk wezen en dan zou Hij geboren zijn in den staat van den volmaakt rechtvaardige. Maar daarentegen is dit juist de raad des Heeren Heeren en het mysterie des heils, dat de Christus, hoewel volmaakt rechtvaardig zijnde, nochtans niet in den staat van een rechtvaardige, maar in den staat van aan aller zonde medeschuldig zou geboren worden.

Hier ligt dan ook tevens het punt, waarbij de Neo-Kohlbruggianen in den weg der waarheid kunnen terugtreden. Ja zeer zeker rust, evenals op ons, reeds bij de geboorte op den Christus schuld. Dit zag Dr Böhl zeer juist in. Maar met dit tweeërlei verschil, dat Böhl voorbijzag: 1º. dat wij onze schuld noodzakelijk krachtens onze geboorte hebben, en Hij vrijwillig volgens de destinatie Gods; en 2º. dat wij Adams schuld dragen als hebbende gezondigd in zijn lendenen, en dat Hij draagt ons aller schuld.

Hij, de Christus, is daarom niet één dermenschen die zwakheid hebben”, maar staat tegen deze allen over als „de Zoon, die in der eeuwigheid geheiligd is” (Hebr. VII : 28). Iets wat onze godgeleerden zóó verklaarden, dat Hij wel de gemeene zwakheden van het vleesch aannam, maar verre |386| bleef van die persoonlijke zwakheden, die ons in verband met ons persoonlijk leven aankleven. Vandaar dat Hij wel sterft, maar niet ziek is geweest.


En zoo komen we dan tot het derde punt: dat zijn vergoten bloed de verzoening aanbrengt, maar om vergoten te kunnen worden, moest aangenomen in de vleeschwording.

Is het waar, dat Christus niet krachtens de noodwendige gevolgen zijner geboorte, maar ingevolge de beschikking des Heeren, in den staat van een ongerechtige en als verantwoordelijk voor onzer aller schuld op aarde kwam, dan voelt ge onmiddellijk, dat eigenlijk de toerekening van onzer aller schuld aan den Middelaar reeds vóór zijn geboorte plaats greep in den raad des Welbehagens. Dit kon ook niet anders, of onze rechtvaardigmaking zou niet vast in den wille Gods zijn. En wat ge ook bemerkt, er zou geen verzoening geweest zijn voor Abraham en David en alle verlosten des Ouden Verbonds, en geen hunner had ooit als in Psalm XXXII van een „welzalig, wien de zonden zijn vergeven” kunnen jubelen.

Dit sta dus boven alle bedenking vast, dat de toerekening van onzer aller schuld aan den Christus, reeds vóór zijn ontvangenis in den raad des Eeuwigen was. Doch is dit zoo, en is Hij alleen krachtens dezen zelfden raad ontvangen en geboren, juist om als drager onzer schuld, onze zonden te kunnen verzoenen, dan volgt hier ook vanzelf uit, dat Hij niet anders dan in den staat van een ongerechtige kon ontvangen en geboren worden. „Geworden uit een vrouw, geworden onder de wet!”

In zijn ontvangenis en geboorte ligt dus tweeërlei: 1º. is Hij door zijn ontvangenis uit den Heiligen Geest feitelijk en wezenlijk „heilig, onbesmet en onnoozel”, en 2º. toch tegelijk, wat zijn staat aangaat, schuldig gesteld en schuldig gerekend voor onzer aller schuld.

Nu ligt intusschen de zoen der zonde in het recht Gods, dat voor een oneindige schuld een eeuwigen dood vraagt. Hieruit volgt alzoo, dat de toerekening van onzer aller schuld aan den Middelaar, en de verzoening van onzer aller schuld door Hem, wel afvloeit uit Gods raad, maar eerst gerealiseerd wordt, als zijn bloed wordt vergoten en Hij in den eeuwigen dood ingaat. En in zooverre mag er nooit aan getornd of iets op afgedongen: We hebben de verlossing door zijn bloed.

Maar, en hierop nu is meestal veel te weinig gelet, om zijn bloed te kunnen vergieten, nam Hij het aan, en dat aannemen zelf reeds van dat bloed. was een daad van vernedering, en droeg als zoodanig reeds een priesterlijk karakter. |387|

En dit nu is het, waarop de Catechismus ons hier wijst.

Hij wordt geboren „heilig, onnoozel, onbesmet en van de zondaren afgescheiden”. Toch wordt Hij reeds bij zijne ontvangenis en geboorte ingezet in een staat, die hiermee strijdt, en wordt Hij gerekend als met onzer aller schuld beladen.

En dit nu, die tegenstelling tusschen wat Hij in zijn ontvangenis en geboorte was, en desniettemin in zijn ontvangenis en geboorte gerekend wierd, dit is het waarin de Catechismus den troost onzer zielen aanwijst.

Immers zegt de Catechismus, dit troost, dat Hij alzoo ontvangen en geboren is, niet voor zich zelven, maar voor ons.

Zóó diep is de wortel van onze verderving en zoover achter ons gaat onze schuld en zonde, — en zóóver is Hij dan ook tot ons gekomen, om onze zonden voor ons weg te nemen.

Ook uw zonde en uw schuld, waarin gij, en waarin uit u uw kind, ontvangen en geboren wierd, ze zijn in dit heilig Kind, maar dat als een misdadig kind gerekend is, voor Gods aangezicht bedekt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002