Derde hoofdstuk.

En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man beken? En de engel antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen. Daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

Lucas 1 : 34 en 35.


Als er uit man en vrouw een kind ter wereld geboren wordt, dan is er met de ontvangenis en de geboorte van dat kind een nieuw wezen ontstaan, dat er eertijds niet was, maar nu ontstond. Zoo echter was het bij de geboorte van den Christus niet. Toen Hij ontvangen en geboren wierd, ontstond er geen nieuw wezen, maar bleef voortbestaan datzelfde wezen, dat reeds eertijds uitgangen vanouds, van de dagen der eeuwigheid, had, en nu optrad in onze menschelijke natuur.

Een kind onder ons ontvangen en geboren is én in die ontvangenis én in die geboorte lijdelijk; niet zelf handelend. Het wordt ontvangen en het wordt geboren, zonder er zelf iets aan af of toe te doen. Maar zoo was het bij den Christus niet. Zeer terecht zegt de Catechismus, dat Hij het zelf was die in zijn ontvangenis en geboorte „ware menschelijke natuur aannam”. Een aannemen van onze natuur, waarbij Hij zeer stellig onder de praedestinatie van den Middelaar door den Drieëenigen God werkzaam was, maar dan toch zelf werkzaam. „Hij neemt de engelen niet aan, maar hij neemt het zaad Abrahams aan”. „In de gestaltenisse |376| Gods zijnde . . . . heeft Hij zich zelven vernietigd en is den menschen gelijk geworden”.

Onder ons, eindelijk, kennen de ouders hun kind, eer het kind zijn ouders kent.

Maar bij den Christus was ook dit omgekeerd. Toen de engel Gabriël aan Maria verscheen, kende de Zone Gods de moedermaagd reeds van verre. Hij zelf was meeverkiezende in de verkiezing geweest, waardoor Maria tot deze eere van „de gezegende onder de vrouwen” was uitverkoren. Niet de moeder beheerschte hier het kind, maar het kind was vóór de moeder. Het eeuwige, nooit wisselende subject in den Middelaar is en blijft de Zone Gods.


Nu zijn er vier stukken, die bij deze ontvangenis en geboorte moeten vast gehouden: 1°. dat het was een ontvangenis van den Heiligen Geest; 2°. een geboorte uit Maria; 3°. een geboorte in gelijkheid aan de broederen; en 4°. een gelijkheid aan de broederen buiten alle zonde.

Over het eerste punt voegt ons het uiterste der soberheid.

Toen de engel Gabriël er aan Maria de eerste mededeeling van deed, vroeg Maria, in eerbiedenisse en teedere verlegenheid: „Hoe zal dit wezen, dewijl ik geen man bekenne?” En op die vraag van den eenige die er recht op had, omdat het haar eere als vrouw gold, heeft de engel haar dit heerlijk antwoord gegeven: „De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook dat Heilige, dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genaamd worden!”

Dit is ons geopenbaard. Meer niet. En wat men ook peinze of zinne, nooit zal er óf schooner antwoord óf zinrijker verklaring gegeven worden.

Nu nog, heden ten dage, is en blijft de eigenlijke ontvangenis van een kind des menschen een diepe verborgenheid. Hoe diep ook de onderzoekende wetenschap doordrong, de oorsprong des aanzijns en des levens van een menschenkind is en blijft een onontsluierd mysterie. En waar men tot de oorsprongen van het lichaam ook zóó ver moge zijn doorgedrongen, dat men waant de eerste wording bijna gegrepen te hebben, daar onttrekt alle naspeuring zelfs van den oorsprong van onze ziel zich geheel en al aan onze weetgierigheid. Zelfs de weg, die hier tot kennisse leiden kon, is ten deze nog onontsloten. We weten er schier niets van, door wat de wetenschap der physiologie en der zielkunde ons leert; en het weinige dat de Heilige Schrift ons openbaart, is uitsluitend van zedelijke strekking. |377|

Hoe wil men dan, waar reeds bij eene gewone ontvangenis, de sluier van het mysterie heel de wording des levens aan ons oog onttrekt, iets, iets ook maar van stamelen over het ondoorgrondelijk mysterie van den aanvang der vleeschwording?

Hier vooral hebben we ons stipt aan de Heilige Schrift te houden, en gelijk de Catechismus het volkomen juist uitlegt, die Heilige Schrift openbaart ons hier slechts twee dingen: 1°. dat, waar anders de vrouw niet baart, zonder dat er een werking des mans zij vooraf gegaan, hier niet is geweest een werking des mans, maar eene werking des Heiligen Geestes; en 2°. dat deze werking des Heiligen Geestes niet buiten den wil van hem die geboren zou worden omging, want, „hij heeft door die werking ware menschelijke natuur aangenomen”.

Dit ligt dan ook sober en kiesch in de uitdrukkingen door den engel gekozen. Ook Maria zal, evenals elke andere vrouw, eer ze baren kan, bevrucht moeten worden. Daarom had de engel gezegd: „Gij zult bevrucht worden en een zoon baren.” Maar alle werking, die in haar gewerkt zal worden, zal wonderbaar scheppend uit den Hooge zijn. Niets van de aarde. Niets van het vleesch. Niets van den wil des mans. Wat over haar komen zal is de Heilige Geest, en wat haar overschaduwen zal is „de kracht des Allerhoogsten”.

Door deze en door geen andere werking is de kiem des levens in Maria’s schoot gewekt. Zoo en niet anders heeft de menschelijke natuur, naar ziel en lichaam, zich uit Maria’s schoot, voor het wonder der vleeschwording, aan den Zone Gods gegeven.


Het tweede, waarop gelet moet, is, dat de Middelaar geboren is uit Maria, en niet door Maria is doorgegaan, gelijk de Doopers leerden.

Zij namelijk, die in den Middelaar te eenzijdig op zijn heiligheid zien en anderzijds dualistisch de zonde in het vleesch doen kleven, opperden alle eeuwen door het bezwaar, dat in dien de erfzonde met het vleesch overerft, ook Immanuel met erfsmet geboren zou zijn, bijaldien Hij geboren ware uit het vleesch en bloed, dat Maria het hare noemde. Deswege stelden zij zich de zaak zóó voor, dat Jezus wel door Maria ter wereld zou zijn gebracht, maar dat Hij in Maria’s schoot door een wonderdaad Gods als een nieuw schepsel ware ingeschapen. Zooals God Adam nieuw schiep en in het paradijs deed wandelen, zóó oordeelden ze, dat ook de menschelijke natuur van Christus nieuw ingeschapen was in Maria’s schoot. In zulk een zin, dat Hij wel door Maria gedragen en door Maria ter wereld gebracht was, maar als een vreemd kind, dat buiten haar eigen |378| vleesch en bloed, in haar nieuw ontstaan was, en haar dus niet als moeder aanging.

Dit geheel de Heilige Schrift omverwerpend gevoelen is steeds en terecht door de kerk bestreden, en onze Hervormers hebben, wel verre van in de Doopers slechts een kleine ketterij te wraken, veeleer diep gevoeld, hoe zij met deze leer omtrent de vleeschwording heel de waarheid van de verlossing, die in Christus Jezus is, verwierpen. Immers is Immanuel niet uit het vleesch en bloed van Maria, dan draagt Hij ook ons vleesch niet en vloeit ons bloed Hem niet door de aderen. Dan kan Hij voor ons niet in de plaats treden. Dan bestaat er tusschen Hem en ons geen gemeenschap des levens. Dan is Hij niet van ons en zijn wij niet van Hem. Dan is het een vreemd bloed dat op Golgotha vergoten is; en ontbreekt nog altoos het zoenoffer van oneindige waardij, dat van ons bloed moet gebracht worden.

Vandaar de nadruk, de volle nadruk, die er steeds op vallen moet, dat Hij wel ontvangen is van den Heiligen Geest, maar geboren uit de maagd Maria, en dat dit, gelijk onze Catechismus het uitlegt, zóó te verstaan is: dat Hij uit het vleesch en bloed van Maria ware menschelijke natuur heeft aangenomen. Elk dezer woorden, elk dezer uitdrukkingen heeft in den Catechismus beteekenis. Het moest wel waarlijk: uit het eigen vleesch en bloed van Maria zijn.

Ook hierbij heeft de Christelijke overweging zich echter te onthouden van elke physiologische onderzoeking, en het was een fout, dat ook enkele onzer godgeleerden, op het voetspoor van de Roomsche scholastieken, zich ten deze verdiepen gingen in allerlei vragen over de wijze, waarop uit het vleesch en bloed der vrouw het nieuwe lichaam gevormd wordt. Al zulk onderzoek hoort bij de wetenschap der verloskunde, niet in de Christelijke godgeleerdheid thuis. En het eenige punt, waarop elk kind van God staan moet, is de volledige en onbewimpelde erkentenis, dat de wording van het vleesch en bloed van den Christus uit Maria zeer wezenlijk en eigenlijk toeging. Gelijk de kinderkens deel hebben aan het vleesch en bloed van hun moeder, dat ook Hij zoo desgelijks dit vleesch en dit bloed is deelachtig geworden, omdat Hij zoo, en zoo alleen, teniet kon doen den duivel, die de macht over den dood bezat.


Ten derde dient er aan vastgehouden, dat de Christus den broederen in alles is gelijk geworden.

Ware menschelijke natuur nam Hij uit Maria aan, opdat Hij het ware zaad Davids zij, den broederen in alles gelijk.” Hij kon dus niet aannemen onze menschelijke natuur, gelijk God de Heere ze in het paradijs |379| eens schiep en ook schonk aan Eva in haar wording. Die gave, reine natuur bestond als zoodanig niet meer. Er bestond niet anders dan de ongave, verlaagde en verzwakte natuur. De natuur waarin wij zondaren geboren worden, leven en sterven. En vraagt men nu: Welke natuur heeft dan Christus aangenomen? dan moet, dit spreekt vanzelf, geantwoord: Diezelfde menschelijke natuur in haar verlaging en verzwakking, gelijk wij die dragen.

De menschelijke natuur, gelijk God die in het paradijs schiep, was niet aan den dood onderworpen, maar na den val is en bestaat er geen menschelijke natuur, of ze draagt den dood in en aan zich en gaat, tenzij er genade intreedt, den dood eeuwig in. En nu beteekent de belijdenis, dat Christus niet de gave en ongeschonden, maar onze verzwakte natuur aannam, dat, dat Hij aannam die menschelijke natuur, waarin de dood woelde. Vandaar dat Hij onderworpen was aan al den nood, dien het gebrek van onze natuur thans met zich brengt, en dat Hij in die natuur op Golgotha heeft kunnen sterven.

Zooals Hebreën II : 18 er bij zegt: „Hij is daarom den broederen in alles gelijk geworden, opdat Hij, zelf verzocht zijnde, diegenen die verzocht worden, kon te hulp komen.” Dit gewichtig punt komt natuurlijk breeder ter sprake bij het lijden en bij de nederdaling ter helle. Toch moet hier reeds zooveel gezegd, dat dit aannemen van onze verzwakte en ingezonkene en met den dood bezwangerde natuur, geen schijn, maar volle werkelijkheid was. Zooals de menschelijke natuur is, waarin wij liggen en bestaan, zóó was ook de menschelijke natuur, die Hij aannam. Hij nam niet iets anders aan, maar het onze. Het onze in zijn diepe ellendigheid, met alle ellendigheid die aan deze natuur als zoodanig eigen was.

Hier ligt dit onderscheid in, dat Jezus volstrekt niet alle bijzondere ellendigheden gedragen heeft, maar alleen die ellendigheden, die aan heel onze natuur gemeen zijn. Jezus is niet melaatsch geweest. Jezus is niet door de plage der pestilentie bezocht. En zooveel meer als men zou kunnen opsommen. Wel de kiem, den wortel, het zaad van al deze menschelijke ellende, die in de kiem des doods zelf inligt, droeg ook Immanuel; maar niet uitgewerkt; niet zoo, dat Hij alle ziekte leed, alle operatie onderging, alle verdriet uitdronk, of precies leed wat alle martelaars leden. En daarom moet tegengestaan die valsche beschouwing, die het, „den broederen in alles gelijk” op alle soort van lijden doet slaan en ontheiligt door consideratie van alle eigen pijnen en smarten.


En zoo komen we vanzelf tot het laatste punt: uitgenomen de zonde.

De Heilige Schrift leert dit zoo kras en duidelijk en legt hier zoo den |380| vollen nadruk op, dat het voor een kenner der Heilige Schrift schier overtollig is, dit punt nog opzettelijk ter sprake te brengen. Toch sloop hier een verwarring in, die toelichting eischt, een toelichting, die we bij de bespreking der slotvraag van deze afdeeling hopen te geven. Alle zonde moet van Jezus afgescheiden, maar ook alle schuld van meet af, reeds in de ontvangenis, op Hem rusten. Dit is de hoofdgedachte der vraag, die een volgend hoofdstuk uiteen zal zetten, en die door Prof. Dr Böhl en de zijnen wel gevoeld, maar onjuist begrepen is, en die hen verleid heeft tot de schrikkelijke dwaling, om van erfschuld, als bij ons, bij den Christus te spreken.

Wat echter nog bij de eerste vraag hoort, is de oorzaak der afscheiding ten deze tusschen den Middelaar en ons. Rome zoekt die in de onbevlekte ontvangenis van Maria. Ware toch reeds in Maria’s geboorte de overgang der erfzonde gebroken, zoo was zij zelve zonder zonde, en kon derhalve den Christus rein baren uit haar reinen schoot. Afgezien echter daarvan, dat de Heilige Schrift ons desaangaande niets leert, valt niet in te zien, wat men met deze onbevlekte ontvangenis vordert. Kon Maria onbevlekt ontvangen worden, niettegenstaande haar vader en moeder bevlekt waren, waarom kon dan de Heilige Geest ook bij de ontvangenis van den Christus niet allen overgang van zonde stuiten? Zelfs al nam men dit leerstuk aan, men vordert er niets mede. Ja erger nog, kon door onbevlekte ontvangenis de overgang der zonde rechtstreeks gestuit worden, eilieve, waarom is dan bij de geboorte van Kaïn en Abel en Seth ditzelfde niet gebeurd; dan zou er geen voortplanting van zonde geweest zijn, en opeens alle gevolg van den val vernietigd. Wij blijven daarom met de Heilige Schrift Maria als een uitverkoren vat, als „de gezegende onder de vrouwen” eeren; en zien zelfs niet in hoe men ooit bewijzen zal, dat ze nog moeder wierd van andere kinderen; maar al deze, niets ter zake doende bijzonderheden daargelaten, is zij ons een medezondaresse, met ons in zonde ontvangen en geboren, die niet anders dan wij, alleen door het bloed van Golgotha vergeving kon verwerven bij God.

Het gewone zeggen, dat reeds het wondere van Jezus’ ontvangenis en geboorte de zonde uitsluit, is evenmin beslissend. Ook Izaäks geboorte was een gansch wondere. Een leven uit den dood. Zie Rom. IV : 20 v.v. En toch is op Izaäk de zonde overgegaan.

Neen, het eenig hier te geven antwoord is, dat in onze natuur wel de dood, maar de zonde alleen in de verbinding van ons ik met die natuur kleeft.

Had dus de Middelaar zekeren „mensch Jezus” aangenomen en zich met dezen mensch vereenigd, dan zou die mensch onder zonde gestaan |381| hebben. Maar nu dit niet zoo was, nu de Middelaar niet een „mensch” maar „ware menschelijke natuur” heeft aangenomen, en van niemand onzer een menschelijk ik heeft geleend, maar zelf als Zone Gods in deze menschelijke natuur is opgetreden, nu kon er geen overgang van zonde zijn, omdat het ik niet overging, maar alleen overging onze menschelijke natuur.

Dit nu, dat het Ik van jezus, waarmee Hij zei: „Ik, een mensch die u de waarheid gezegd heb”, het Ik zelf van den Zone Gods was, dit maakte allen overgang en ontstaan van zonde onmogelijk.

En daarom moet tevens als diep onwaardig alle meening en voorstelling verworpen, als had Jezus wel kunnen zondigen, en als zou zonder dat zijn verzoeking niet werkelijk geweest zijn!

Tot het uiterste toe moeten zij weerstaan de dwalenden en de dwazen, die aan het bloote denkbeeld, dat de Zone Gods in zonde kon vallen, ook maar een plaats geven.

Wie dat zeggen, ze hebben metterdaad den Zone Gods in den Middelaar, die voor ons verzocht wierd, geloochend.