Tweede hoofdstuk.

Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.

Hebr. 2 : 14.


Is eenmaal recht verstaan, wat bij Immanuel bedoeld wordt met zijn tweeërlei staat, dan zal men ook in kunnen komen in wat de Catechismus betuigt: „dat de eeuwige Zone Gods, ook terwijl Hij ware menschelijke natuur aannam (en nog draagt) desniettemin waarachtig en eeuwig God is en blijft.”

De kerk vraagt niet om een „Leven van Jezus”; want ze weet, dat nooit iets de vier Evangeliën in hun heilige kunst-harmonie overtreffen zal. Neen, al wat de kerk doet, is gelooven, en dat geloof belijden. Vandaar, dat ze niet betuigt: Jezus is geboren uit Maria, Hij heeft geleden enz.; neen, maar heel anders: Ik geloof in den ééngeboren Zoon, die geboren wierd, die leed en stierf.

Velen vonden dit vreemd, dat in een geloofsbelijdenis zooveel geschiedkundige feiten wierden opgesomd. Maar wie dit dacht, vergiste zich. Neen, dit zijn geen feiten, die de geschiedenis voortbracht, zich ontwikkelen liet en afsloot. Het geldt hier, evenals bij de Schepping, feiten, die verre buiten het perk der geschiedenis uitgaan. Het zijn alle feiten, waarbij, evenals bij de Schepping, het goddelijk-Eeuwige zich naar ons toe beweegt, indringt in ons leven, en er een werking uitricht, gelijk nooit alle macht van menschen had vermocht.

Dit nu noemt de Catechismus, dat de Zone Gods, ook onder dat geboren worden, dat lijden en sterven, aldoor en rusteloos „waarachtig en eeuwig God is en blijft”.

Het wondere is niet, dat er een mensch geboren wordt en lijdt en sterft, |370| maar dit is hetgeen de aandacht boeit, dat er in de menschelijke natuur een geboren wordt, lijdt en sterft, die onder dat geboren worden, lijden en sterven aldoor eeuwig en waarachtig God is en blijft. Hij is niet God tot aan zijn ontvangenis, om nu als mensch geboren te worden, en straks eerst na de hemelvaart weer zijn Godheid terug te erlangen. Ware dit zoo, dan ja, ware er slechts een reeks van geschiedkundige feiten te constateeren en geen heilige mysteriënreeks te belijden geweest. Dan had dit geboren zijn en lijden en sterven onmogelijk in uw geloofsbelijdenis kunnen staan.

Maar nu het er op aankomt, om in die geboorte, in dat lijden, in dat sterven gedurig te bekennen, dat Hij, van wien dit alles betuigd wordt aldoor „waarachtig en eeuwig God is en blijft”, nu is er een almachtige verborgenheid, die van oogenblik tot oogenblik in heel dit wondere leven, werkt, en het is die verborgene, goddelijke achtergrond, waar het belijdend geloof van getuigt voor de wereld.


Om dit punt nu klaar en duidelijk in het licht te stellen, hebben onze vaderen er steeds nadruk op gelegd, dat de eeuwige Zone Gods niet een mensch, maar onze menschelijke natuur heeft aangenomen.

Er is niet behalve de millioenen menschelijke personen, die uit den wil des mans en den schoot der vrouw geboren worden, bovendien niog één extra menschelijk individu meer geschapen; in, dier voege, dat de Zone Gods nu in dit menschelijk individu zou zijn ingevaren, om alzoo God en mensch te zijn. Neen, geheel deze onware voorstelling moet beslist en met al haar gevolgtrekkingen verworpen. De eeuwige Zone Gods is de persoon, die zelf een menschelijke natuur aannam, en nu, omdat Hij onze natuur droeg, als een mensch onder menschen was. Het is en blijft één persoon, en die ééne persoon is en blijft aldoor waarachtig en eeuwig God. Het is niet een menschelijke persoon, die met de Godheid bekleed wordt, maar het is de heerlijke tweede Persoon der Godheid, die met al de menschheid bekleed wordt, en nu als Hoofd der nieuwe menschheid onder ons opkomt.

Het is goed, hier weer sterk den nadruk op te leggen. Eensdeels, omdat de Vermittelungs-theologen, uit wie onze Irenische godgeleerden voortkwamen, op dit punt zonder uitzondering het rechte pad verlieten en een soort Godmenschelijk leven zich denken, als uit de vereeniging of doortrekking van het goddelijke in het menschelijke ontstaan. Maar ook anderdeels, overmits in de achttiende eeuw de neiging ontstond om zich „den man Christus als gepraedestineerd” te denken, in stede van Immanuel als gedestineerd tot de staten van zijn Middelaarschap. En hoe men dit ook wende of keere, beide malen gaat de belijdenis teloor van wat |371| hier heel het geloofsartikel beheerschen moet, te weten dat de Zone Gods niet een menschelijken persoon, maar onze menschelijke natuur aannam, en dat de persoon in die natuur was en bleef eeuwig en waarachtig God.

Niet, dit behoeft er wel niet bijgevoegd, alsof de Zone Gods alleen ons lichaam aannam, en alsof nu in de plaats van wat bij ons onze inwendige mensch is, bij Immanuel de Zone Gods kwam. Al zulke sufferij, als Apollinaris en zijn droomgenooten uitzonnen, zijn alleen denkbaar voor wie onze natuur met ons lichaam vereenzelvigt, dat is erger dan verdierlijkt.

Wie daarentegen weet, gelijk elk onzer weet, dat onze menschelijke natuur tweeledig bestaat, uit ziel en lichaam, als orgaan voor ons ik om én met de zichtbare én met de onzichtbare wereld in aanraking te komen, die kan dien droom niet mededroomen. Immers, hij weet, dat Jezus óf onze natuur niet aannam, óf dat hij ze moest aannemen, naar lichaam en ziel, zichtbaar en onzichtbaar beide.


Onderscheidt ge nu bij u zelven, dan vindt ge drieërlei. Vooreerst uw menschelijke natuur, naar ziel en lichaam, die u met ieder ander mensch gemeen is. Maar ten tweede ook iets bijzonders en eigenaardigs, dat u van anderen onderscheidt. Het sterkst spreekt dit in het gelaat. o, Zoo wonderbaar. Ge ziet tienduizend menschen op een hoop voor u staan. Allen hebben een menschelijk gezicht, met mond en neus, oogen en wenkbrauwen, voorhoofd en wangen. Dat is van de natuur, Maar toch is er iets, iets onnoembaars, dat het eene gelaat van het andere onderscheidt en waardoor het herkennen mogelijk wordt. En terwijl ge nu alzoo onderscheidt tusschen uw natuur, die ge niet allen gemeen hebt, en uw eigenaardig bestaan, dat u van anderen onderscheidt, zijt ge u bovendien bewust een ik te zijn. Immers, ge zegt: Ik besta uit ziel en lichaam.

Maar verder kunt ge nu ook niet vragen. Wat dat ik in u is, blijft een raadsel, dat nooit iemand u ontsluiten zal. Al wat de Heilige Schrift er u van zegt is, dat ge in uw menschelijke natuur geschapen wierdt naar den Beelde Gods.

Het gewone is derhalve, dat de menschelijke natuur haar personen ziet optreden, met sterk individueele karakteronderscheidingen, en met een ik waarin iets schuilt van Gods Beeld.

Doch zoolang het zoo stond, viel alles en zonk in. Ons stamhoofd en verbondshoofd tevens, Adam, die in onze menschelijke natuur naar den Beelde Gods moest staan, viel, en in hem en door hem en na hem al wat staan moest als hij. |372|

Maar nu komt er in Immanuel iets anders. Nu is er ook bij Hem wel deze menschelijke natuur, vol en rijk. Er is ook wel in die menschelijke natuur iets onderscheidens. Er is ook wel in haar een stamhoofd. Maar het ik, dat uit dit stamhoofd spreekt, rust niet daarin, dat het naar den Beelde Gods geschapen is, maar hierin, dat Hij zelf „eeuwig en waarachtig God is — en blijft”.

Al het mysterie ligt derhalve in deze vraag: Indien de Zone Gods machtig was in het paradijs, om in onze menschelijke natuur een waarachtigen mensch te doen optreden, doordien Hij er naar den Beelde Gods een persoonlijk ik in deed ontstaan, — zou Hij dan niet veel meer machtig zijn in diezelfde menschelijke natuur een waarachtigen mensch te doen optreden, doordien Hijzelf, als eeuwig en waarachtig God, met het ik zijner persoonlijkheid in haar ingaat?

Hierop zegt de verborgenheid der vleeschwording Amen, en zoo eerst komt het, waarachtig God en waarachtig mensch tot zijn recht.


Nog op een andere wijze hebben onze oude godgeleerden dit pogen uit te drukken, door te belijden, dat de kennisse Gods, die de mensch Christus Jezus bezat, langs anderen weg verkregen was dan de kennisse aangaande God, die én Adam eertijds én nu de wedergeborene bezit.

Bij Adam was deze Godskennisse een afdruksel dat hem was ingeprent; bij den wedergeborene is het een verlichting, die door den Heiligen Geest in zijn bewustzijn inkomt; maar bij den Middelaar, zoo zeiden zij, komt deze kennisse Gods vanzelf tot stand door de persoonsgemeenschap.

Omdat Hij zoo na als voor zijn vleeschwording „waarachtig en eeuwig God is en blijft”, is het de ongerijmdheid zelve te wanen, dat iets Hem van buiten zou moeten worden aangebracht. Alleen maar, de kennisse Gods die Hij als God bezit, bezit Hij daarom nog niet in zijn menschelijk bewustzijn. In zijn menschelijk bewustzijn kan Hij niets beseffen of weten, dan in eindigen, beperkten vorm. Vandaar, dat Hij zeer zeker alwetend is en blijft, omdat Hij waarachtig en eeuwig God is en blijft, maar nooit is Hij daarom alwetend in zijn menschelijke bewustzijn. Voorzooverre Hij door en in dit menschelijk bewustzijn leeft, is ook zijn kennisse aan perken gebonden en vatbaar voor toeneming.

Als „eeuwig en waarachtig God” wist Hij, toen het kindeke in de kribbe lag, niets minder dan toen Hij opstond uit de dooden. Maar voor zooveel Hij door zijn menschelijk bewustzijn leefde, wist Hij in de kribbe nog niets, en schitterde Hij in heerlijke kennisse bij zijn verrijzen. |373|

Deze toeneming wordt daarom opzettelijk bericht. „Hij nam toe in wijsheid”. Maar, en hier komt het nu op aan, deze toeneming greep bij Hem anders plaats dan bij ons, zoo leerden de ouden. Bij ons komt ze ons van buiten toe, maar bij Hem van binnen. Het was de goddelijke kennis zelve, die zich door de persoonsgemeenschap der twee naturen inwendig in Hem ontsloot. (Theologia unionis.)


Hierbij echter moet men staan blijven. Te verklaren is hier niet, enkel te belijden; al wie te dezen rijker wijsheid poogt uit te stallen, dan de Heilige Schrift biedt, verheldert het mysterie niet, maar verduistert.

Scherp en duidelijk moet in taal van ons bewustzijn uitgesproken, wat de Schrift ons in Oostersche beeldspraak biedt, maar van alle poging ter verklaring van dit ondoorgrondelijk mysterie moet afgezien, zoolang men godvruchtig in zijn spreken en schrijven wil blijven.

Men moet niet gedoogen, dat allerlei ketters, onder den eerbiedigen schijn van aan den sluier, die over deze verborgenheid hangt, niet te durven raken, der kerke ongemerkt haar levenden Christus ontstelen, om er een phantasiebeeld van Moderne of Ethische philosophie voor in de plaats te stellen. En daarom moet rusteloos met den Catechismus beleden dat de Zone Gods ook als Middelaar waarachtig en eeuwig God is en blijft. Moet scherp en beslist staande gehouden, dat de Zone Gods zich niet met „zekeren mensch Jezus” heeft vereenigd, maar dat Hij aangenomen heeft de „ware menschelijke natuur”, wat heel iets anders is, dan dat Hij „een mensch” had aangenomen. Moet volstandig betwist en ontkend, dat de Middelaar een soort tusschenwezen zou geweest zijn, die half God half mensch, uit deze beiden een nieuw soort Godmenschelijk wezen zou hebben saamgesteld. Moet tegengestaan en bestreden elke voorstelling, alsof Hij de rijkste bloesem van ons menschelijk geslacht en als zoodanig bijna aan God rakende, vanzelf als in het goddelijk leven was overgevloeid. En moet tegenover deze oude en nieuwe ketterijen, die den persoon en het beeld van den Christus vervaIschen en vernietigen, met stille eerbiedigheid onveranderlijk beleden, wat de Catechismus u zoo schoon op de lippen legt, „dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, ware menschelijke natuur aangenomen heeft”. Het kan niet korter, niet zuiverder, niet zaakrijker uitgedrukt. De gekozen woorden zijn bier vooral onovertrefbaar juist en schoon.

En komt ge nu op het hoe der vleeschwording, dan herhaalt de Catechismus zeer juist de eeuwenoude zegswijs der Geloofsartikelen: „Ontvangen van den Heiligen Geest en geboren uit de maagd Maria”, en legt die uit „dat de Zone Gods zelf ware menschelijke natuur |374| aangenomen heeft, ten eerste door de werking van den Heiligen Geest, en ten anderen uit de maagd Maria: en dit wel „opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.”

Soberder kan het al niet gezegd; maar elk woord in deze uitlegging is dan ook zwaarwichtig.

Geen schijnkind was het, dat te Bethlehem in de kribbe lag, maar een wezenlijk geboren kind. Het had ook anders kunnen zijn. Toen Abraham bij de eikenbosschen van Mamre de drie mannen naderen zag, die hem Izaäks geboorte kwamen aanzeggen, had hij met schijngestalten te doen. Immers, die mannen waren geen geboren menschen, maar menschelijke figuren, die opzettelijk voor die ééne openbaring geschapen waren en straks weer vernietigd wierden. Van zulke schijngestalten lezen we gedurig in de Schrift. Iets, waar niets bijzonders in ligt, overmits God de Heere, die den mensch uitdacht, formeerde en tot aanzijn riep, natuurlijk ook machtig is, om een onwezenlijke menschengestalte te scheppen. Ook de Christus was in vroeger eeuwen wel in zulk eene menschelijke schijngestalte verschenen. Denk slechts aan Hagar, aan Manoachs vrouw, aan Jozua. Getuigde Hij van Abraham niet zelf: „Abraham heeft zeer begeerd mijnen dag te zien en heeft dien gezien en is verheugd geworden?”

Metterdaad hebben velerlei ketters straks dan ook, reeds bij het leven van de Apostelen, het gerucht uitgestrooid, dat de Middelaar ook gedurende de jaren van zijn omwandeling op aarde zich slechts van zulk een schijngestalte bediend had; dus eigenlijk niet stierf; en slechts in schijn opstond en ten hemel voer.

En overmits nu door deze kwade doling heel de vrucht van Jezus’ lijden en sterven voor de kerk teloor dreigde te gaan, heeft de heilige apostel Johannes met zooveel nadruk gewaarschuwd tegen een iegelijk, die niet belijden zou, dat Immanuël wezenlijk „in het vleesch gekomen is”. Zulk een was de Antichrist. Leerde uit den Booze. En was vervloekt. Ook bij het kruis moest Johannes het daarom zoo duidelijk aantoonen, dat er bloed en water uit de speerwonde vloeide, want bloed en water heeft een schijngestalte niet.

En heel deze gedrochtelijke afdoling nu is het, die de kerk van Christus in haar twaalf Geloofsartikelen met zooveel doorzichtige en voorzichtige wijsheid bij den wortel afsneed, toen zij tegenover al soortgelijke docetische voorstelling vasthield aan het „ontvangen en geboren”.

Ontvangen en geboren, dat is de schijngestalte niet. En daarom, met dit „ontvangen van den Heiligen,Geest en geboren uit de maagd Maria” lag de belijdenis der vleeschwording onwrikbaar vast in taal, die heel de kerk verstaan kon. |375|

Ontvangen is elk menschenkind en maanden na die ontvangenis geboren is elk onzer.

Welnu, de Middelaar is anders, dan wij ontvangen, niet uit den wil des mans, maar door de werking van den Heiligen Geest. Hij is anders dan wij geboren, niet uit een vrouw, die om moeder te worden ophield maagd te zijn, maar uit eene maagd die moeder wierd en toch maagd bleef.

Anders dus, o, gewisselijk.

Anders, naar den hoogen eisch dezer goddelijke verborgenheid.

Maar met dit al, het feit als feit blijft.

Ontvangen en geboren wij. En ontvangen en geboren ook de Immanuël!