Zondagsafdeeling XIV.



Vraag 35. Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria

Antwoord. Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menschelijke natuur uit het vleesch en bloed der maagd Maria door de werkinge des Heiligen Geestes aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

Vraag 36. Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige ontvanginge en geboorte van Christus?

Antwoord. Dat Hij onze Middelaar is, en met zijne onschuld en volkomen heiligheid mijne zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.




Eerste hoofdstuk.

Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zelven.

Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.

Philipp. 2 : 3, 4.


We komen thans toe aan den tweeërlei staat, waarin de Middelaar verkeerd heeft; hoe hij namelijk om ons te verlossen eerst inging in den staat van vernedering, en daarna als loon voor zijn lijden macht ontving om over te gaan in den staat van verhooging.

Ook van dit stuk onzer belijdenis verstaat de hedendaagsche godgeleerdheid letterlijk niets meer. Ze moge, om zich door een antiek gewaad aan te bevelen, de termen ervan nog bijhouden, maar van de zaak die aldus beleden wordt, is ze geheel vervreemd.

Waar men in onze nieuwere godgeleerdheid op uit is, is om een leven van Jezus te bezitten. Zooals men een levensbeschrijving bezat van |364| De Ruyter en Napoleon, zoo wilde men ook een leven van Jezus voor zich hebben. Ook Jezus had immers geleefd. Eilieve, waarom kon dit zijn leven dan niet beschreven worden? En indien dit kon, wat had men dan met die vreemde voorstelling van „tweeërlei staat”, van „vernedering” en „verhooging” nog van doen? Immers in dit leven van Jezus zou alles voorkomen, wat anders bij gelegenheid van den tweeërlei staat te pas kwam. En, ge geeft toe, dan klonk „een leven van Jezus” veel verstaanbaarder en bracht den Middelaar meer onder ons bereik.

In die pogingen om „een leven van Jezus” te geven, zijn toen de ketters voorgegaan. Men heugt zich nog, wat schrik Strauss’ „Leven van Jezus” in de gemoederen wierp. En trouwe, vrome Christenen, die het niet dulden konden, dat er op zulk een manier over hun Heiland geschreven wierd, plaatsten er toen hunnerzijds allerlei „levens van Jezus” tegenover; boeken, waar soms wonder veel schoons in te genieten viel; maar die toch alle, het beste niet uitgezonderd, een misgreep en een mislukking waren, en nimmer het licht hadden moeten zien. De apologetische school, die een tijdlang te Utrecht bloeide, wierd ook hierin een slachtoffer van haar gemis aan tact, en zeer stellig zouden Van Oosterzee’s beste vrienden van achteren niets liever wenschen, dan dat de moeite en de arbeid, aan zijn „Leven van Jezus” te koste gelegd, in gansch ander spoor geleid en in het aloude kader onzer Christelijke belijdenis gevoegd ware.

Onze vaderen hebben nooit iets van deze „levens van Jezus” willen weten. Ze doorzagen uitnemend wel, hoe de vier Evangeliën in hun onderscheiding en saamvoeging een zonderling kunststuk van den Heiligen Geest zijn, en dat het nooit aan eenig mensch gelukken zal, een zuiverder beeld van den Christus op te vangen, dan vanzelf in de ziel van Gods kind ontstaat, zoo het deze vier Evangeliën hun lichtstraal in zijn binnenste werpen laat.

Wie zich aan een „leven van Jezus” durft wagen, doet daarmee feitelijk het mysterie van zijn persoonlijkheid te niet. Bij een mensch als andere menschen, dan loont het de moeite ja, om al zijn gangen en wegen na te speuren; hem te beluisteren in zijn geheimen omgang; zijn verborgen briefwisseling te bespieden; en na al deze gegevens verzameld te hebben, zich een voorstelling te maken, hoe zijn karakter gevormd wierd en zich ontwikkelde; welke invloeden beslissend op hem inwerkten, en hoe zich, bij steeds dieper onderzoek, al meer heel het geheim van zijn persoonlijkheid ontsluiert. Dan is er in zulk een leven strijd geweest. Inwerking van zonde en overwinning van zonde. En dat alles teekent dan uw pen, en uw schets poogt het leven weer te geven. En zulk een leven tot in zijn diepste schuilhoeken nagespeurd en uit den wortel verklaard, heet een biographie. |365|

Maar bij den Immanuël is dit alles ten eenen male ondenkbaar. Er zijn omtrent Hem geen onbekende gegevens op te sporen. Al wat ge van Hem weten kunt, staat duidelijk in uw Evangelie geboekt. Bijzondere bronnen, om u door een geheime correspondentie een blik in zijn verborgen leven te gunnen, bestaan er niet. De Evangeliën zijn en blijven uw één en al. Beter rangschikken wat Hij deed en leed, dan het in de Evangeliën onder allerlei schakeering geschied is, kunt en zult ge nimmer. Al wat ge verzet en verandert, verduistert en benevelt het beeld, maar verduidelijkt het nimmer. Karakter-studie kunt ge bij den Immanuël niet maken, want karakter in den gewonen zin kan niet bezitten, wie in zijn kern zelf God, en als mensch een hoofd des Verbonds was. Karakter is een bijzondere trek, die diep in ons wezen staat ingegrift, en waardoor wij scherp van andere menschen onderscheiden zijn. Dit nu kon bij Adam niet, en kon nog veel minder bij Jezus bestaan. Wat bij al Gods kinderen in onderscheidene karakters uiteengaat, ligt als in één stralenbundel saamgevat in zijn rijke volheid.

Als evenmin onderging de Immanuël invloeden, die vormend op Hem werken konden. Van Hem zou invloed op anderen uitgaan, maar nooit invloed van anderen op Hem. Daartoe wierd wel de poging gewaagd, zoo door Satan als door den mensch. Hierin school juist zijn verzoeking. Maar even klaar en duidelijk bleek steeds daarin de grondslag der Godheid in het wezen van Immanuël, dat deze invloeden, met hoeveel aandrang op Hem aankomend, steeds terug wierden gedrongen en niets op Hem vermochten.

Zoo vervalt dus alle kans, alle mogelijkheid, alle stof voor een „leven van Jezus”. Een „leven van Jezus” is een ijdele poging, om den Onverklaarbare te willen verklaren, om het Mysterie van zijn heilige geheimnis te ontdoen, en feitelijk Immanuel neer te trekken in het kader van het gewone menschelijke.


De Christelijke kerk heeft daarom nimmer deze ontwijding van Immanuel toegelaten, maar, voor als na, altoos weer de vier Evangeliën geopend; daaruit genoten; zich daaraan verkwikt; en het is, dank zij de gestadige en geheiligde lezing van deze vier Evangeliën, dat metterdaad het beeld van Immanuel diep in het besef der Christelijke kerk is ingedrongen. En wil men nog dieper in de gemeenschap van zijn Heiland indringen, neen, sla dan geen „leven van Jezus” op, — dat leert u niets, en brengt eer van Hem af; maar zoek de gemeenschap met Immanuël in het stil geheim der eenzaamheid. In het verborgene zijner tente komt Immanuel u de lieflijke majesteit van zijn gratie ontsluieren.

Geen boekengeleerdheid en geen bestrijding van Strauss, Renan of |366| Meyboom, maar stille leering der ziel en bestrijding van de wereld, den Duivel en uw eigen vleesch brengen u die gratie van den Zone Gods soms nader.

Daarom sprak de kerk dan ook niet van een leven des Heeren, maar van zijn staten, en toonde u op het voetspoor der heilige apostelen, hoe Hij, die rijk was eerst daalde en arm wierd, om onzentwil, en daarop uit die armoê weer opklom tot hemelsche glorie, om ons te verrijken met zijn schat. Een dalen en een klimmen. Eerst naar de diepte, en dan uit die diepte de hoogte in. „Die in de gestaltenisse Gods zijnde, het geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft zich zelven vernietigd”, — en daarna „heeft Hem God uitermate zeer verhoogd”. „Zie dan op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus, die voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht, en is nu gezeten aan de rechterhand des troons van God”. Nu dit: „Hij is opgevaren, wat is het, dan dat Hij ook eerst nedergedaald is in de nederste deelen der aarde? Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.” Gij ziet dus wel, de kerk heeft deze voorstelling van de twee staten niet verzonnen, maar ze letterlijk van de heilige apostelen overgenomen. Zij, onze leeraars in alles wat Immanuel raakt, gaan er ons beslist in voor, om bij den Christus scherp en duidelijk tusschen tweeërlei beweging in zijn verschijning te onderscheiden. Eerst, dat Hij uit de heerlijkheid afdaalt tot in de diepte des doods, en dan, dat Hij uit die diepte des doods weer opklimt tot de glorie des levens!


Dat men dit nu Staat genoemd heeft, is een onberispelijk en met opzet aldus gekozen woord, mits ge slechts wel toeziet, dat ge het niet verwart noch verwisselt met toestand. Duid ik toch slechts aan, dat de Immanuel eerst in zekeren toestand van vernedering heeft verkeerd, en daarna gekomen is tot zekeren toestand van vreugde en heerlijkheid, dan is daarmee de klip van het „leven van Jezus” nog volstrekt niet gemeden. Immers, ook Strauss en ook Renan teekenen ons Jezus eerst in toestand van ellende, en daarna in toestand van verlossing, en we komen den cirkel niet uit.

Maar van dat deelen in twee toestanden heeft de kerk dan ook nooit iets geleerd. Zij sprak van twee staten. En al zijn wij thans aan dit woord minder gewoon, dan onze vaderen in vroeger eeuwen, toch is het nog zeer wel duidelijk te maken, wat hiermee bedoeld wordt. Iemands staat duidt aan de positie, die hem van rechtswege door zijn souverein is toegekend. In onzen burgerstaat is de positie van een man een andere dan |367| van een vrouw; anders van een getrouwde dan van een ongetrouwde; anders van een meerderjarige dan van een minderjarige; anders van een vrij man dan van een gevangene; anders van een eerloos verklaarde dan van een eerzaam burger. Met zulk een „staat” hangen ieders rechten en verplichtingen saam. En het is die „staat”, die hem door de wet van het land is opgelegd, waaraan hij zich als burger heeft te onderwerpen.

Stel, er komt iemand over onze grenzen, die voor onze landswet schuldig is aan allerlei overtreding, dan zal het lot van zulk een natuurlijk heel anders zijn dan van een prins uit verren lande die ons vaderland met eere bezoekt. Maar ook, stel dat die eerst schuldig gedoemde van achteren blijkt een onschuldige, veel meer nog, een heilige te zijn, dan zal zijn staat natuurlijk terstond verkeeren, en wie eerst gesmaad wierd, nu eere ontvangen.

Toen derhalve Immanuel op aarde verscheen, was de vraag: In welken staat komt Hij? Komt Hij als God, of in den staat van mensch? Natuurlijk het laatste. Maar nu verder, Hij, die in den staat van mensch komt, hoe komt Hij, als mensch van prinselijke eere of in den staat van een vertredene en eerlooze? En hierop nu antwoordt de Heilige Schrift, dat Hij „gevonden in gedaante als een mensch, zich zelven vernederd heeft, de gestalte van een dienstknecht (slaaf) aangenomen hebbende”. Slaven nu waren in een staat van onvrijheid. Ze bezaten geen eer. Ze rekenden met de eerloozen. En het antwoord luidt derhalve, dat de Immanuel niet gekomen is in zijn staat als God, maar in zijn staat als mensch, en als mensch gekomen is niet met prinselijke eere, maar in den staat van een eerlooze en schuldige. „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!”

Hij is de met schuld overladene en als overstelpte. Geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. „Met de moordenaars gerekend.”

En in dien staat ging Immanuel in, niet omdat Hij in dien toestand geraakte, maar juist omgekeerd was zijn later komen in die toestanden een gevolg van zijn geplaatst zijn in diens staat.

In dien staat kwam Hij in gevolge de wilsbepaling en het besluit des. Drieëenigen. „Hij heeft Hem krank gemaakt.” En dat Hij zelf hierin mee bepaalde en mee besloot, en dies vrijwillig kwam uit nooit doorgronde liefde, lag alleen daarin, dat Hij zelf „eeuwig en waarachtig God is en blijft”, gelijk de Catechismus zegt, en alzoo mee besloot over zich zelf.


Zoo krijgt dus alles zijn onwrikbaar rustpunt in het Besluit. Weg valt heel de fabel van een Zone Gods, die toch mensch zou zijn geworden, ook al ware er geen zonde geschied. Pantheïstische verzinsels van o, |368| zoo gevaarlijk, geloof ondermijnend karakter! En weg ook alle voorstelling van een geleidelijken overgang van het goddelijke in het menschelijke, als door den Godmensch uit het een in het ander overgeleid! Schriklijke uitspruitsels van menschelijken hoogmoed, om niet alleen den Christus, maar God zelf te verwerpen. Neen, alles rust nu in het vaste begrip van staat. God Drieëenig heeft naar zijn ondoorgrondelijken wil over den Zoon bepaald (en de Zone Gods gaat willig in die bepaling in), dat Hij, die den staat van God had, nu over zou gaan in den staat van een mensch, en, als mensch optredende, onder hen zou verkeeren in den staat van den schuldige, den eerlooze, den verzonkene onder zonde en doem.

In beide ligt dus vernedering. Vernedering niet alleen hierin, dat Hij, mensch zijnde, nu als de onder allen verachte, omwandelde, maar veredering ook reeds daarin, dat Hij in den staat van mensch optrad.

De staat, dien God voert, als God, en die in de Heilige Schrift meest „zijn eere” heet, is een staat van onuitsprekelijke glorie en heerlijkheid. Vergeleken met dien staat van goddelijke majesteit is de staat, dien een mensch voert, altoos gedrukt, klein, nietig. Immers, zijn staat is het om afhankelijk, om beperkt, om dienende in gehoorzaamheid te zijn.

Nu beslist uw staat niet voor wat gij inwendig zijt. Een volmaakt onschuldige kan gevangen zitten, en een gruwelijk booswicht vrij uitgaan. Dan echter verkeert niet te min die onschuldige in den staat van een veroordeelde, en die booswicht in den staat van een eerzaam burger.

Al ging Jezus daarom in den staat van een mensch in, daarom was en bleef hij toch naar zijn verborgen wezen God. En zoo ook, al ging hij in den staat van een schuldigen zondaar, toch was en bleef hij niet te min in zijn verborgen wezen de Heilige. En zoo ziet ge wel, hoe juist bij den Christus dit scherp onderscheid maken tusschen staat en wezen alle ketterij afsnijdt en ons een inzicht opent in het mysterie van zijn verschijning.

Bij ons, zondaren, gaat die leer der staten even snijdend door. Adam werd geschapen in den staat der rechtheid (niet toestand) dat is, God gaf hem de positie van een volkomen gerechtige. Dat hij valt, brengt hem hier nog niet uit. Er uit komt hij eerst door zijn vonnis; en door dat vonnis wordt hij overgezet in den staat van ongerechtige. Niet door de heiligmaking, maar door de rechtvaardigmaking stelt nu God de Heere om Christus’ wil zondaren weer in den staat der rechtvaardigen, dat ze wel nog zondaars zijn, maar als rechtvaardigen voor God gerekend en door God bejegend worden.

En deze onze staten hangen nu met de staten van den Christus onlosmakelijk saam. |369|

Om bij ons overgang van staat mogelijk te maken, heeft Hij zich aan dien overgang van staat zelf onderworpen.

Hij als een arme, opdat Hij ons rijk zou maken. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijn striemen wierd ons genezing! Het is al dat ingaan van Hem in onzen staat, om ons in zijn staat over te plaatsen.

Plaatsbekleeding, maar dieper nog opgevat in staatsverwisseling.

Hem tot eeuwigen lof.