Vierde hoofdstuk.

Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israëls, dat God Hem tot eene Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus dien gij gekruist hebt.

Hand. 2 : 36.


Al weder belijdt de kerke Gods van haar Middelaar, dat Hij is, niet alleen „Gods eengeboren Zoon”, maar ook onze Heere.

De „Heere” is niet de goddelijke Verbondsnaam, gelijk die in Exod. III : 14 ligt geopenbaard, en in onze Statenoverzetting niet Jehovah, maar ter onderscheiding met kapitale letter, Heere geschreven wordt. Wat in 1 Cor. XII : 3 door den heiligen apostel beleden wordt, „dat niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest”; en wat de heilige apostel Petrus op den Pinksterdag jubelde, „dat God dezen Jezus, dien zij gekruist hadden, tot een Heere en Christus gemaakt heeft”, doelt op den naam van Heer in eigenlijken zin, gelijk er telkens sprake valt van een „Heere des huizes” (Matth. XIII : 27) en gelijk de Koning der koningen ook tevens Heere der Heeren wordt genaamd.

„Heere” wordt de Zone Gods genoemd, om daarmee hetzelfde uit te drukken wat God bij Maleachi tot Israël zegt: „Een knecht zal zijnen heer eeren; ben Ik dan een Heere, waar is mijn vreeze? zegt de Heere der heirscharen.”

Nu kan men „heer” over iets zijn uit tweeërlei oorzaak. Men kan „heer des huizes” zijn óf doordien men zelf dit huis gebouwd heeft, óf ook doordien men het huis, hoewel het door een ander gebouwd was, van dien ander kocht, geërfd of ten geschenke ontvangen heeft. Feitelijk kan men het ook door roof worden; maar overmits Sion nooit anders dan door recht verlost wordt, is dit hier vanzelf buitengesloten. |357|

Nu is het Eeuwige Wezen vanzelf een Heere over ons krachtens de schepping. Hij heeft ons gemaakt en geenszins wij. Hij heeft ons geformeerd en tot aanzijn geroepen. Hij is onze pottenbakker en wij zijn leem. En evenals wij menschen, indien wij zelven iets gemaakt hebben, volkomen heer en meester er over zijn, om er mee te doen naar ons welgevallen en er vrijmachtig over te beschikken, zoo ook is het met God over ons. Als een rijk man een huis gebouwd heeft, is hij er volkomen heer en meester over, om dat huis óf leeg te laten staan, óf te bewonen, óf ook om het een volgend jaar weer af te breken. Een porseleinbakker, die een vaas of schaal boetseerde, is er heer en meester over, om die zóó weer te verbrijzelen. En in veel sterker en volstrekter zin nu is het Eeuwige Wezen absoluut Heere en Meester over ons en over elk schepsel, om er meê te doen naar zijn Goddelijk welbehagen. We hebben niets in te brengen. Hij is aan niets gebonden. Hij maakt dood. Hij maakt levend. Hij zegt: „Mijn raad zal, bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen”.

Dit is het, wat de Gereformeerde kerken meest beleden hebben, als „Gods absolute Souvereiniteit” en waarop ze daarom te sterker nadruk plachten te leggen, overmits uit dit Heere-zijn van den Drieëenigen God heel de raad des welbehagens, zijn vrijmachtige verkiezing, de vastheid zijner heilige Wet, en al zijn aanbiddelijk Godsbestuur voortvloeien.


Hiervan echter moet nu geheel onderscheiden worden het Heere-zijn van den Middelaar over ons.

Als tweede Persoon in het Drievuldig Wezen is de Zoon van nature met den Vader en den Heiligen Geest eeuwiglijk onze Heere als onze Schepper.

Maar daarvan handelt thans de Catechismus niet; hij handelt hier van den Middelaar; en als de kerke Gods nu van dien Middelaar belijdt dat ook Hij als zoodanig onze Heere is, dan doelt dit niet op een heerlijk recht dat de Zone Gods (als God) van eeuwigheid als Schepper bezat, maar op een geheel ander heerlijk recht, dat de Middelaar als onze Verlosser verwierf.

Op de vraag: „Waarom noemt gij hem onzen Heere?” wordt dienovereenkomstig door den Catechismus geantwoord: „Omdat Hij ons met zijnen dierbaren bloede gekocht en ons alzoo zich, tot een eigendom gemaakt heeft.”

Dit hangt saam met onzen val in zonde.

In het paradijs toch stond Adam niet alleen onder God als zijn Heere, maar gedroeg hij zich ook als de knecht des Heeren, die Hem als |358| zoodanig eerde. En dat laatste moet er bij. Over een slaaf bijvoorbeeld zijt ge niet daardoor ten volle heer, dat gij hem, als hij weerspannig is, opsluit; neen, heer in vollen zin over uw slaaf zijt ge dan eerst, als uw slaaf u op uw woord gehoorzaamt en u als heere eert. Een herder, die zijn hond aan een ketting moet rondleiden en slaan met den staf, is zijn hond volstrekt niet meester; en in vollen zin meester over zijn hond is bij dan eerst, als hij zijn hond vrij kan laten loopen, en toch op zijn fluiten of roepen stipt door zijn hond gehoorzaamd wordt.

Er is dus wel geen twijfel, of ook nadat Adam viel, bleef God nog wel zijn Heere, evenals de herder heer over zijn hond blijft, ook al stelt het beest zich nog zoo kwaadaardig teweer; maar toch in de zonde zelve stak een weigering van Adams zij om God als Heere te erkennen. Het was een opzeggen van de gehoorzaamheid. Een zeggen: We willen niet dat deze over ons Heere zij. Het was een vermetele poging om het heerlijk recht van God over zijn creatuur aan te randen, en, voorzooveel dit in onze macht stond, te vernietigen. Waar een Heere is, daar moet ook ontzag en vreeze voor dien Heere zijn. En daarom vraagt God aan den zondaar: „Ben Ik een Vader, waar is mijn eere, en ben Ik een Heere, waar is mijn vreeze?”

God is en blijft Heere over alle schepsel eeuwiglijk, ook over alle zondaren, over alle heidenen, en zelfs over alle duivelen en demonen. En niet één is er, die zonder zijn wil zich roeren of bewegen kan.

Maar overmits het nu Gods wil en bestel is, dat de mensch niet aan een ketting door Hem zal worden rondgeleid, maar als de herdershond vrij zal uitloopen en Hem stipt op zijn woord gehoorzamen, wordt er aan Gods heerschappij door den zondaar afbreuk gedaan. Een zondaar blijft wel in Gods macht, maar door den ketting en door de roede. En zoo wil nu God over den mensch geen Heere zijn. Hij wil, dat de mensch als een kind bij Hem verkeeren zal, en uit stil ontzag, en in teedere, dankende liefde aan Hem als Heere zal onderworpen wezen.


Door de zonde is de band, die ons, schepselen, aan God als onzen Heere verbinden moest, dus feitelijk wel niet verbroken, maar toch gestoord in zijn werking. Een zondaar, die in zijn hart van God wegtrekt en Gode vijandig wierd, kan Hem de eere en de vreeze niet brengen, die Hem als Heere toekomt.

En nu is dit het Middelaars-mysterie, dat de Drieëenige God in zijn ondoorgrondelijke barmhartigheden langs heel anderen weg den Middelaar als Heere over ons aanstelt; ons op die wijs weer went aan het hebben van een Heere over ons; en ons alzoo ongemerkt er toe opleidt, om ons |359| weer onder Hem als onzen Schepper én Herschepper, en dus als onzen Heere met diepe eerbiedenis te buigen.

Al wat de Middelaar doet, strekt altoos om ons weer tot God te brengen. En gelijk de vorige vraag toonde, hoe de Middelaar ons slechts daarom tot zijn broeders maakte, opdat Hij ons weer tot kinderen Gods zou stellen; zoo ook toont deze 34ste Vraag, hoe de Middelaar ons slechts daarom ten Heere wierd, opdat Hij ons weer voor God den Heere, als onzen absoluten Souverein, zou doen buigen.

Het kwam hier maar aan op de ombuiging van den zin en de genegenheid des harten.

Een zondaar durft God niet als zijn Souvereinen Heere erkennen. Dat schrikt hem af. Dat brengt hem onder den toorn. Daarbij voelt hij niets dan de dreiging der verdoemenis.

En wat doet God nu?

Nu geeft Hij dien bangen, dien verschrikten zondaar aan Satan over; en onder het geweld van Satan gekomen, heeft die zondaar nu een zoo schriklijk lot, dat alle vreugd hem vergaat, de banden des doods hem omknellen en de wateren tot aan zijn ziel komen.

En als die zondaar nu, in Satans doodelijke banden geklemd, geen raad en green uitzicht meer weet, en het uitschreeuwt van weedom des harten, dan zendt God hem den Middelaar, en die Middelaar neemt het voor hem op, en grijpt Satan bij de keel, en verlost den armen zondaar uit zijn helsche benauwing.

En dan vindt de zondaar dat zoo onuitsprekelijk heerlijk van dien Middelaar, en zoo onbeschrijfelijk zalig, om van dien Satan verlost te zijn, dat hij wel verre van dien Middelaar te laten loopen, integendeel dicht bij Hem schuilt, uit vrees dat Satan hem weer overvallen en wegsleuren zal, en voorts niets zaliger en geen heerlijker troost kent, dan dat die Middelaar hem nu voor altoos bij zich neemt en eeuwiglijk Heere over hem zijn wil.

Dat Heere-zijn van den Middelaar is dus niet iets, waaraan de verloste zich poogt te onttrekken, maar waar hij om vraagt, om smeekt, om schreit; waar al zijn heil en al zijn behoudenis in ligt. Want anders, dat weet hij, dan komt terstond Satan terug.

En zoo is dan het doel bereikt.

Want immers de zonde was, dat hij geen Heere boven zich dulden wilde; — en zie, nu zoekt hij zelf dien Heere, omdat hij voelt dat hij zonder dien Heere boven zich, weg en verloren is.

En als hem nu gevraagd wordt: „Wat is uw eenige troost beide in leven en sterven?” dan antwoordt diezelfde persoon, die in het Paradijs |360| van zijn Heere wegliep: „Hierin is mijn eenige troost, dat ik niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die mij uit het geweld des Duivels verlost heeft!”

En nu, is het niet goddelijk schoon, zoo wonderbaar als het goddelijk mededoogen ons wist om te zetten?

In het paradijs was het: „Niet Godes eigendom, maar mijns wil ik wezen. Mijn eigen heer en meester.”

En nu is het geworden: „Al mijn troost is, dat ik niet mijns, maar eens anderen ben, en dat mijn Middelaar Heere over mij is, naar lichaam en naar ziel!”


De zondaar, en daarin ligt het geheimnis, was in het Paradijs bedrogen uitgekomen. Hij wilde zijn eigen heer en meester zijn, en verwierp daarom de heerschappij van het Eeuwige Wezen over zich. En toen dacht hij alsnu vrij te zullen wezen, maar de teleurstellende uitkomst was, dat hij eerst nu zijn vrijheid recht kwijt was.

Satan, die ’t hem had ingefluisterd: „Niet onder God moet ge staan, ge kunt als God wezen”, had Adam bedrogen. Want zoo viel de mensch niet van God af, of hij bevond zich aanstonds in Satans macht, onder Satans geweld, d.i. onder de heerschappij van den Duivel.

Zoo had hij nu toch een heer en meester over zich, maar welk eenen?

o, Als ge dat indenkt, wat het is, God niet als zijn Heere te willen hebben, en dan zonder het te weten, onder Satan als zijn heere terecht te komen, zeg zelf, is dat niet iets vreeselijks?

Onder den Satan, die nooit liefde gekend heeft; die nooit van barmhartigheid geweten heeft; die harder dan het hardste in al zijn bestel over u is; onvermurwbaar en door geen tranen te verbidden. Die het op niets anders aanlegt dan op uw ondergang. Wiens bedrijf bij nacht en bij dag geen ander is dan om u ongelukkig te maken en te verderven en in eeuwige rampzaligheid te storten. En die onder dat alles u dan bedwelmt, en met erger dan amfioen, kostelijke droomen van geluk u laat droornen, opdat ge eens, als die bezwijmeling en die droom uit is, ontwaken zoudt in eeuwige gruwzaamheid, en hij u, als ge kermt in uw verlorenheid, gillend uit zou kunnen lachen en bespotten in uw verderf.

Welnu, uit die vreeselijke macht, uit die verdervende en onteerende slavernij verlost u nu de Middelaar.

Terwijl ge in dien droom aan den rand van den afgrond slaapt, komt een stille werking des Heiligen Geestes u plotseling die bezwijmeling stuiten. Ge wordt een oogenblik wakker. Ge ziet waar ge ligt. Ge gluurt |361| huiverend in dien afgrond. En al wat in u is siddert van schrik en afgrijzen en ontzetting. En terwijl ge in uw angst opziet, vertoont zich daar opeens die lieflijke gestalte van uw Heiland, en strekt hij de armen zijner ontferming naar u uit, en neemt u op, en redt u van dien afgrond, en draagt u uit dien schriklijken staat van menschelijke zelfonteering weg.

En dan kust ge dien Zoon! Niet uit schrik, maar uit onuitsprekelijke, dankbaarheid. o, Mijn Jezus, van wat schriklijkheid hebt Gij mij gered!


En die redding ging tot den prijs van zijn dierbaar bloed. Goud noch zilver kon hier baten. Als het met goud of zilver ware te doen geweest, o, lag het niet opgetast in de schatkameren der vorsten en in de trezoren der tempels? Maar dat hielp niet. Integendeel. Satan kent ook de Mammongestalte. Goud redt niet, maar verderft eer; en zilver behoudt niet, maar trekt nog dieper in de verderving in. En al had heel de menschheid al het goud der mijnen en al het zilver van zijn sieraad en al zijn peerlen en keurgesteenten saamgebracht, ze zouden al te zaarn nog niet als rantsoen, noch als losprijs één eenige ziel des menschen hebben kunnen redden.

Satan is voor geen goud of zilver te vermurwen, dat hij u los zou laten. Wat heeft hij aan goud, hij, de Booze, wien het in zijn vijandschap tegen God er alleen om te doen is, om uw ziele voor eeuwig aan God te ontrooven?

Neen, de band, die u aan Satan bindt, en waarmeê hij u vasthield, was niet uw schuld aan hem, maar uw schuld aan God. „Tegen U, Heere, tegen U alleen heb ik gezondigd!” Aan God en niet aan Satan moest het rantsoen betaald. Want niet door Satans overmacht, maar alleen door Gods rechtvaardig oordeel waart ge onder Satans geweld gekomen.

En nu, wat zou God de Heere met uw goud te vermurwen zijn? Of zijn niet al de goudmijnen Zijns, is niet het zilver in duizend bergen zijn eigendom? Wat woudt ge Hem dan brengen, dat Hij niet heeft?

En daarom, niet met goud en zilver, neen, maar met zijnen dierbaren bloede, waarin het leven was, heeft uw Middelaar Gode zijn recht voor uw oneindige schuld gegeven, en eerst doordien die schuld geboet wierd, sprong de kluister, waarmee Satan u, naar Gods bestel, omklemd hield.


Doch nu verdwijnt de Middelaar niet, als een die u vrijkocht en loskocht, en nu zegt: Wandel nu voorts weer op uw eigen wegen! Och, dan zou het aanstonds weer een vallen in zonde zijn en het laatste van dezen mensch erger dan het eerste.

Daarom heeft God het dan ook anders besteld. |362|

Neen, losgekocht en vrijgemaakt, geeft Hij u nu aan den Middelaar. Hij verwierf u. Hij kocht u. Ge zijt nu zijn eigendom. Niet uws zelfs maar van Hem.

Om het rantsoen dat hij betaald heeft, is de Middelaar nu uw Heere geworden, die nu macht en recht heeft om vrijelijk over u te beschikken, en u te gebruiken in zijn heiligen dienst.

Hierin ligt de grondslag van alle toewijding des Christens.

Christus is zijn Heere, hij is Christus’ eigendom geworden, en alzoo is al wat hij is of het zijne noemt, niet meer zijns, maar zijns Heeren.

Van dien Middelaar is nu zijn lichaam. Daarom geeft de martelaar het willig in den vuurdood. Geeft de kranke het willig aan de smarte. En geeft de stervende het volvaardig aan het graf.

Van dien Middelaar is zijn ziele. En daarom moet al de kracht van hoofd en hart en ziel en al de liefde en genegenheid zijns harten voor dien eenigen Heere zijn.

Voor dien Middelaar is zijn vrouw en zijn kroost. En daarom kan hij niet rusten, eer hij ook uit zijn huis de eere voor den Christus ziet rijzen.

Van dien Middelaar is zijn invloed en zijn macht en zijn woord. En daarom kan hij niet arbeiden, of het is hem een dienen van dien Eenige geworden.

En ook, voor dien Middelaar is al zijn goud en zilver. En daarom weet bij van geen geven aan Jezus of geven voor Jezus. Alles hoort aan Jezus toe. En wat hij uitdeelen mag, deelt hij in Jezus’ naam uit, niet van het zijne, maar van hetgeen van Jezus is.

En al dit wonder werkte de ééne en dezelfde Geest in zijn ziele, want „niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest”.

En nu is er ruste. Zalige ruste. Ruste, die niet weer gebroken kan worden.

Hoor maar.

Jezus zelf zegt het: „Niemand kan ze rukken uit mijn hand, die de Vader mij gegeven heeft.”




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002