Derde hoofdstuk.

En hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.

1 Joh. 4 : 9.


Tusschen het Zoonschap Gods, dat den Middelaar eigen is, en het kindschap Gods dat ons uit genade verleend wordt, stelt de Catechismus deze tegenstelling: Dat de Middelaar van eeuwigheid tot eeuwigheid, naar zijn natuur, de uit den Vader geboren Zoon is; terwijl de verloste eerst geen kind is; maar het wordt; het wordt niet van nature, maar uit genade; en zulks niet door geboorte maar door aanneming.

De grens tusschen deze twee trekt de Catechismus scherp, door te zeggen, dat Christus, wat Hij is, alleen is. „Daarom dat Christus alleen de eenige natuurlijke Zone Gods is.”

Terwijl de band tusschen het Zoonschap van den Middelaar en ons kindschap enkel daarin wordt aangewezen, dat wij tot kinderen Gods worden aangenomen om Zijnentwil.

Hoe hebben we dit nu in ons bewustzijn op te nemen? Begrijpen kan uiterdaad niemand deze mysteriën! Ze schuilen weg in de diepste verborgenheden van alle wezen en alle zijn, en een schepsel dat zich vermat om met zijn creatuurlijk begrip deze wondere geheimnissen van het eeuwige Wezen te willen bevatten en omvatten, zou zelf worden bevangen met waanzinnigheid. Maar al kunnen wij ze noch begrijpen noch bevatten, heel iets anders is het om deze heilige dingen in ons bewustzijn op te nemen.

Voor meer dan één zijn deze heiligheden slechts klanken zonder zin, en namen zonder beteekenis voor zijn besef, en dies nutten ze hem niet.

Wat ons daarom niet slechts vergund is, maar wat we zelfs moeten doen, is, ons rekenschap te geven van wat we zeggen, in woorden wel te onderscheiden en alzoo af te snijden alle onwaarheid.

Vandaar de belijdenis van Christus’ kerk.

Een belijdenis begrijpt niet en verklaart niet de verborgenheden, maar spreekt ze uit en stelt ze ordelijk voor, en heeft om dat te kunnen doen zich eerst rekenschap moeten geven van de verhoudingen en de woorden.

En zoo nu is ook hier naar de Geloofsforma die op naam van Athanasius loopt, ten opzichte van het mysterie der Drievuldigheid beleden:

De Vader is eeuwig, de Zoon is eeuwig, de Heilige Geest is eeuwig.

Nochtans zijn het niet drie eeuwigen, maar één eeuwige.

Gelijk ook niet drie ongeschapene noch drie onmetelijke, maar één ongeschapen en één onmetelijk. |351|

Desgelijks is de Vader almachtig, de Zoon almachtig, de Heilige Geest almachtig. En nochtans zijn het niet drie almachtigen, maar één almachtig.

Alzoo is ook de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God.

En nochtans niet drie Goden, maar het is één God.

Alzoo is de Vader Heere, de Zoon Heere, de Heilige Geest Heere.

En nochtans zijn het niet drie Heeren, maar één Heere.

Want gelijk wij door de Christenwaarheid bedwongen worden een iegelijken Persoon bijzonder, God of Heere te noemen, alzoo is ons ook door het algemeen geloof verboden drie Goden of Heeren te bekennen.

De Vader is van niemand gemaakt, noch geschapen, noch gegenereerd.

De Zoon is van den Vader alleen, niet gemaakt noch geschapen maar gegenereerd. De Heilige Geest is van den Vader en den Zoon, niet gemaakt, noch geschapen, noch gegenereerd, maar uitgekomen.

Zoo is er dan één Vader, niet drie Vaders; één Zoon, niet drie Zonen; één Heilige Geest, niet drie Heilige Geesten.

En in deze Drieheid is niet eerst of laatst; niet meest of minst.

Maar de gansche drie Personen hebben gelijke eeuwigheid, en zijn zich zelven alleszins gelijk.

Zoo, dat alom (gelijk nu gezegd is) de Eénheid in de Drieheid, en de Drieheid in de Eénheid zij te eeren.

Daarom zoo wie wil zalig zijn, die moet aldus van de Drievuldigheid gevoelen.

Bij deze heerlijke belijdenis leggen de Christelijke kerken van onzen tijd zich nog altoos neder. De pantheïstische theologen woelen er wel tegen in, maar nog geen hunner heeft zich vermeten aan het geestelijk oordeel van eenige kerkengroep een z.i. betere formuleering van deze verborgenheid te onderwerpen. Wat ze desaangaande zich ook mochten onderwinden, het zou toch mislukken. Dit en geen andere is de belijdenis die nu eenmaal tot den prijs van veel bloed en tranen, na eeuwenlange worsteling door de kerk gevonden is; en het is zeer de vraag, of het ooit gelukken zal hierin ook maar één stap verder te komen.

Veel meer dan duizend jaren heeft deze klare, wonderheldere belijdenis nu reeds vastgestaan en wat in die duizend jaar ook vooruit zij gegaan, op dit stuk der belijdenis is men geen schrede gevorderd; en wat waanwijsheid waande te vorderen, bleek telkens op de proef achteruitgang.

Met stille eerbiedenisse blijven ook wij dus bij deze zuiver afgespiegelde belijdenis staan. Begrijpen zullen we deze afspiegeling der Eeuwige Wezenlijkheid nimmer, maar dat ze klaar en zuiver afgespiegeld is in den spiegel van ons menschelijk bewustzijn, dat tast ieder. Er is geen nevel voor noch vlek op het glas, die deze zuivere weerkaatsing belemmert.

Er is maar één goddelijk Wezen, en dit goddelijke, almachtige, oneindige Wezen is aan de drie Personen gemeen. Ze hebben niet elk een gelijk Wezen, maar saâm één Wezen. En ook ze zijn niet drie Goden in één Wezen, maar in het ééne Wezen één God. |352|

Toch bestaat er daarom tusschen de drie Personen in dit ééne Wezen zeer beslist onderscheid, en tengevolge van dit onderscheid een wederzijdsche betrekking.

Dit onderscheid is niet, dat de een minder is dan de ander; en als Jezus zegt: „De Vader is meer dan Ik”, dan doelt dit geenszins op zijn God-zijn, maar op zijn staat in het vleesch. Neen, alle drie heilige Personen zijn, omdat ze eenswezens zijn, evengelijk in almachtigheid, onmetelijkheid en goddelijkheid.

Maar hoezeer ook geheel gelijk in het Wezen, zijn ze nochtans onderscheiden door wederzijdsche verhouding. De Persoon des Vaders mist de kenmerken die den Zoon tot Zoon maken, en de Zoon mist wat den Heiligen Geest Geest doet zijn. En dit onderscheid nu wordt daardoor uitgedrukt, dat de Vader den Zoon genereert, en dat de Vader met den door Hem gegenereerden Zoon saam den Heiligen Geest van zich doen uitgaan.

Deze onderscheiding beduidt niet, dat er eerst alleen de Vader was, en dat toen deze alleen zijnde Vader zijn eenzaamheid gebroken heeft door den Zoon te genereeren; want we belijden nadrukkelijk, dat deze generatie is een eeuwige generatie. Ook is het niet een generatie die zekeren tijd duurt, dan afgeloopen is en weer ophoudt. Neen, deze generatie is zulk eene die geheel eeuwig is, dus buiten allen tijd valt en waarvan ge dus allen overgang van oogenblikken of toestanden verre moet houden. Ze is van allen aanvang volkomen en tegelijk nimmer eindigend.

Ook niet gevallig noch bijkomstig noch hangende aan den wil des Vaders, zoodat ze ook had kunnen uitblijven of anders zijn dan ze is.

Neen, de Vader zelf zou geen Vader zijn zonder den eeuwigen Zoon. Dit eeuwige Zoonschap is van de wezenheid in God onafscheidelijk.

Dat de Vader Vader is, doelt dan ook enkel op de orde van betrekking en wederzijdsche verhouding en duidt aan, dat de uitgang der levensbeweging niet in den Zoon is te zoeken, maar altijd in den Vader. Dies heet Hij de eerste persoon, en zijn uit Hem alle dingen. Terwijl omgekeerd in den Zoon geen levensbeweging is, dan die Hij uit den Vader ontving, en daarom zijn alle dingen door Hem (I Cor. VIII : 5).

Dat nu dit onderscheid in betrekking tusschen deze Personen in het genereeren en gegenereerd worden bestaat, kan niet bevreemden. De betrekking tusschen beiden kon toch niet in iets uiterlijks, in een aangelegden band bestaan. Bestond toch de Vader op zich zelf en de Zoon op zich zelf hadden beiden elkaâr eerst als bestaande leeren kennen; en waren beiden eerst daarna met elkander in betrekking getreden; dan zouden er natuurlijk twee Goden zijn. |353|

Het kan daarom niet anders, of de betrekking tusschen beiden moet in hun bestaan en wezen zelf liggen, en dit nu drukt de Schrift uit door te zeggen dat de Vader den Zoon eeuwig genereert. De uitdrukking is naar wat op aarde bij de teling van een kind door zijn vader geschiedt; maar teeder en kiesch door onze overzetters met het vreemde woord genereeren uitgedrukt, om alle gedachtenis aan het physische verre te houden. Ook is de generatie des Zoons niet bij gelijkenis uitgedrukt naar wat onder menschen geschiedt; maar omgekeerd is alle teling en baring van een kind op aarde slechts een flauwe afschaduwing in het creatuurlijke van wat eeuwiglijk in deze wondere generatie bestaat. Iets wat reeds daaraan uitkomt, dat bij het creatuur in teling en baring uiteenvalt, wat in de generatie één is.

Met de Wezenseenheid en goddelijke gelijkheid van Vader en Zoon komt deze generatie geenszins in strijd, maar ze eischt die. Immers, hoe meer iemand zijn wezen overstort op zijn kind en zijn beeld in zijn kind weervindt, hoe volkomener hij zich vader voelt en in dat creatuur zijn kind ziet. En zoo stemt het dus geheel en al met het gansch volkomen Vader-zijn van den Eersten en het volstrekt Zoon-zijn van den Tweeden Persoon overeen, dat de Vader zich geheel in den Zoon overstort en de Zoon „het uitgedrukte Beeld is zijner zelfstandigheid”.


Komen we nu daarentegen op ons kindschap van God, dan gaan we over tot een geheel andere zaak. Niet tot iets dat slechts in graad minder of in afmeting geringer is, maar tot iets dat er door een diepe klove van gescheiden ligt.

Die klove is het geschapen zijn.

Wij zijn schepselen, de Zoon niet. Hij is zelf God en dies Schepper. En zoo principiëel en volstrekt als nu Schepper en schepsel tegenover elkander staan, zoo principiëel en volstrekt staat nu het Zoonschap tegenover ons kindschap.

Hoeveel goddelijk licht er ook in onze ziel strale, hoeveel gelijkheid van trekken er naar den Beelde Gods ook in ons zijn moge, datgene waarin dat licht straalt en waarin die trekken van gelijkheid zijn ingeprent, d. i. ons wezen, ligt geheel buiten het Wezen Gods; is een ander wezen dan zijn Wezen; en is alzoo en blijft eeuwiglijk van het Wezen Gods onderscheiden en afgescheiden.

Hier mag nooit eenige zweem van vermenging toegelaten. De zwakste zweem van vermenging voert hier rechtstreeks in de doodelijke omarming van het Pantheïsme, onder wat vrome vormen het zich ook voordoe. Zelfs de voorstelling alsof onze ziel een vonk of spat uit het Eeuwige |354| Wezen zou zijn, moet zoo beslist mogelijk tegengestaan. Wij zijn geschapen, en scheppen is nu eenmaal: een wezen, dat er niet is, als wezen doen ontstaan.

Staat dit nu eenmaal terdege vast, en ziet men die klove diep en onmetelijk tusschen den Schepper en alle creatuur gapen, dan volgt hieruit terstond, dat alle naam van kind, dat van het schepsel ten opzichte van den Eeuwige gebezigd wordt, slechts op de betrekking en niet op het wezen doelt.

Gelijk vader Cats het, op het voetspoor der Heilige Schrift, zoo schoon heeft uitgewerkt, is heel de creatuurlijke schepping één afspiegeling van wat in het Eeuwige Wezen door de drie Personen in volzalig liefdeleven doorleefd wordt.

En zoo nu ook is er afspiegeling van de betrekking tusschen den Vader en den Zoon, en zoo dikwijls er zich iets van deze verborgene betrekking afspiegelt, hoe zwak ook, vindt ge den naam van kind gebezigd en is de Schepper van dat kind vader.

Als Adam geschapen is naar den beelde Gods, heet hij kind van God en straks vraagt de Heere: „Ben Ik een vader, waar is mijn eere?” En als de zonde deze teedere betrekking stoort, en geen Abba Vader meer in de bezoedelde ziel opklimt, zijn er bij den Heere onzen God toch nog gedachten van ontferming, om die oorspronkelijke betrekking te herstellen en zelfs nog inniger te maken, en komt Hij in het Evangelie als „de Vader die in de hemelen is” zich onzer erbarmen, en ons weer roepen tot zijn kindschap.

Dit kindschap nu is afspiegeling in tweeërlei zin. Vooreerst als algemeene aanduiding daarvan, dat we onzen oorsprong niet uit ons zelf maar uit God hebben, en dan heeten alle redelijke en zedelijke creaturen, ook de engelen, kinderen Gods, en blijft dat in zekeren zin ook de zondaar.

Maar ten tweede, en dit gaat veel dieper, doelt dit kindschap daarop, dat het Gode belieft in zijn schepsel 1º. gelijkheidstrekken van zijn eigen beeld in te scheppen; 2º. krachtens deze geestelijke overeenstemming in bewuste ontmoeting met zijn creatuur te komen; 3º. alzoo een wederzijdsch liefdeleven op te wekken; 4º. en als vrucht van dit teedere liefdeleven voor Zich zelven eere en aanbidding te gewinnen en zijn creatuur op wondere wijze te zaligen.

Dit laatste lag gegrond in ’s menschen schepping naar den Beelde Gods, maar brak, toen de mensch in zonde viel. En vandaar is het, dat de zondaren in dien dieperen zin dit kindschap Gods geheel missen.

Zullen ze dus weer tot dit kindschap komen, dan moeten ze in dit kindschap weer worden ingezet. En hiervoor nu bezigt de Heilige Schrift |355| tweeërlei uitdrukking: eenerzijds dat men uit God geboren of wedergeboren wordt, en anderzijds, dat men als kind van God wordt aangenomen; en eerst deze beide vullen elkaar tot volkomenheid aan.

Aanneming tot kind grijpt onder ons plaats, als we een knaap of meisje dat niet ons kind was, door een wilsdaad onzerzijds overbrengen in een toestand, dat het nu rekent als ons kind, en in al de rechten van het kindschap deelt. De uitdrukking van „aanneming” moet dus gebezigd worden om duidelijk te doen uitkomen, dat wij, zondaren, beginnen met niet Gods kind te zijn, en het eerst daarna uit vrije genade worden.

Maar terwijl wij, hoezeer in staat een kind aan te nemen, toch de macht missen, om het vreemde kind alsnu in een kind van ons zelf om te scheppen, bezit de Heere, onze God, die macht wel. Er is dus in Hem wel een wilsdaad waardoor Hij wie niet zijn kind was, als zijn kind rekent; maar dit is Hem niet genoeg. Hij bezit ook en bezigt de macht om van Lo-ammi daadwerkelijk Ammi te maken. Hij schept ons om; Hij baart ons weder; Hij verandert ons zóó, dat we Hem van vreemd eigen worden. En dit nu is de wondere wedergeboorte. Altoos zóó echter, dat in zijn Raad, de aanneming tot kinderen aan de wederbaring voorafgaat, en de wederbaring slechts middel is, om de aanneming waarachtig te maken. Volkomen juist zwijgt daarom de Catechismus hier van de wedergeboorte en komt alleen op de aanneming.


En staan nu aldus het Eeuwige Zoonschap en ons kindschap tegenover elkander, dan is er toch ook omgekeerd weer een zeer nauwe band, die beide niet ineen doet vloeien of gelijkvormig maakt, maar als ongelijksoortig nochtans verbindt.

Deze band nu ligt onzerzijds in tweeërlei: Ten eerste daarin, dat onze schepping naar den beelde Gods een zwakke afschaduwing in zich droeg van de eeuwige generatie. Een zeer zwakke afschaduwing dus, maar een afschaduwing dan toch; naar het perk van het creatuurlijke.

En ten andere, dat de Middelaar ons ten Hoofd is gezet in steê van Adam en wij, als kind van God geen bestaan hebben dan in het Lichaam Christi, als zijn leden, en slechts in Hem inzijnde, en zijnen beelde gelijkgemaakt wordende, het kindschap Gods openbaren.

Maar ook anderzijds ligt die band er van de zijde van den Middelaar:

Ten eerste daardoor, dat Hij ons vleesch aannam, onze natuur overnam, en den broederen in alles gelijk wierd, uitgenomen de zonde.

Ten tweede, dat Hij niet pas bij Bethlehem, noch ook pas, na den val, maar reeds in den eeuwigen Raad des welbehagens, als Verlosser, Verzoener en Middelaar besteld en bestemd is. Gevolg waarvan was, dat |356| Hij reeds vóór zijn vleeschwording, in zijn persoonsexistentie, niet om wat Hij van nature was, maar om wat Hij als Middelaar zou blijken, van God den Vader verordineerd is tot onzen Plaatsbekleeder, d.i. tot onzen Profeet, onzen Priester en onzen Koning.

En ten derde, dat het juist zijn Zoonschap was, waarom Hij, en niet de Vader of de Heilige Geest, in onze natuur inging, om ons tot kinderen Gods te doen aannemen en zijn eigenen beelde gelijkvormig te maken.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002