Tweede hoofdstuk.

Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen.

Rom. 8 : 29.


Laat het Sion des Heeren in deze landen toch op zijn hoede zijn tegen den strik van het Pantheïsme! Ook wij, Nederlanders, zijn uit Japhet, en het Pantheïsme is Japhets oude zonde. Onze herkomst is uit Azië’s hoogland, misschien wel van achter den Himmalaya in Voor-Indië. Daarvan daan zijn ook onze stamvaderen eens langs den Caucasus Europa binnengetogen, en aan die volksverhuizing dankt ook onze Nederlandsche natie haar later ontstaan.

Van die voorouders nu is het bekend, dat ze in ouden tijd, toen ze nog in Azië woonden, onverbeterlijke Pantheïsten waren. Hun toenmalig Pantheïsme ligt nu nog in hun oude priesterboeken voor ons; en alle studie van dit onderwerp, stelt in steeds helderder licht, hoe de zonde van het Pantheïsme van oudsher aan heel den stam, waaruit ook ons volk ontsproot, in merg en nieren zat. Dat er allerlei andere afgoderij mee onderdoorliep, weten we wel, maar de eigenlijke afgoderij van heel den stam, waaruit de volkeren der volksverhuizing voortkwamen, is toch altoos het Pantheïsme zelf geweest. Daar waren ze meê saâmgegroeid; die was uit hun natuur en inborst opgekomen; daar leefden ze in en voelden ze zich in thuis.

Nu is dit Pantheïsme van de Germaansche en andere volken gestuit en gebroken bij hun komst in Europa. Toen toch traden aanstonds de zendelingen der kerk van Christus op hen toe, en wisten de meesten hunner te winnen voor de belijdenis van het Evangelie. En hiermeê onderging geheel hun godsdienstig bestaan een ontzettende verandering.

Immers, het Evangelie kwam uit Sems tente, en het Pantheïsme was door Japhet uitgebroed. Het was in Sems tente aan Israël beschoren geweest, om de ontzettende tegenstelling tusschen den Schepper en het schepsel én in zijn Almachtigheid én in zijn Heiligheid én in zijn Ontferming, aan het licht te brengen, en hiermee was in Sems tente het tegengif aanwezig, waardoor later ook Japhets volken van hun Pantheïsme konden genezen worden.

Onder de leiding van Gods genade is dit in de vierde, vijfde en volgende eeuwen onzer jaartelling dan ook metterdaad geschied. Bij hun |345| komst in Europa hebben bijna alle deze volkeren, die voorgoed van Azië’s hoogland en de bakermat hunner denkbeelden in Indië afgesneden waren, het Pantheïsme laten varen, en uit de hand van Sems kinderen, van Israël en van de Christelijke kerk de belijdenis van het Theïsme overgenomen. Japhet ging bij het komen van deze volkeren in Europa metterdaad in Sems tente in.


Toch was hiermeê het Pantheïsme nog niet voorgoed overwonnen. De bekeering van deze volkeren was daartoe te haastig en te oppervlakkig. Ja, dat niet alleen; maar ook, ze ontvingen het Thëisme 1) uit de troebele bron, t.w. door Rome, in welks optreden reeds toentertijd iets bedenkelijks lag.

Hoe beslist en streng tegen de afgoderij van het Pantheïsme moet gewaarschuwd, toch dient men evenzeer op zijn hoede te zijn, om het Theïsme als een tegenstelling tusschen God en mensch zonder verband op te vatten.

Het gevaar, om in deze dwaling te vervallen, lag voor de hand.

Naar de Pantheïst wil, is er nergens een absolute grens tusschen God en het schepsel en vloeien beiden ineen. Is er nergens een absolute grens tusschen tijd en eeuwigheid, maar vloeit het een in en uit het ander. Is er nergens een absolute grens tusschen heiligheid en zonde, maar toont u het zedelijk leven slechts een afloopende en oploopende reeks van ontwikkeling. Kortom, volgens den Pantheïst valt zelfs de grens tusschen bestaan en niet-bestaan weg, en is het terugkeeren in het Niet de ware voortzetting van ons eigenlijk wezen.

Daartegenover nu belijdt de Theïst (gelijk men den Israëliet en een Christen om zijn tegenovergestelde belijdenis noemt), dat er overal wel terdege absolute grenzen liggen. Dat God en het schepsel, dat tijd en eeuwigheid, dat heiligheid en zonde, dat ziel en lichaam, en zooveel met wel terdege absolute tegenstellingen vormen; dat beider terrein door de zeer scherpe grens afgebakend is; en dat er nooit of nimmer overvloeiïng van het een in het ander bestaan kan, of denkbaar is.

Hieruit ontstaat nu echter de vraag: Is deze tegenstelling, is deze grens zóó bedoeld, dat tegelijk alle verband is afgesneden? En dan antwoordt Israël, dan belijdt de Christenheid: Neen, niet alle verband ontbreekt. Integendeel, de mensch is naar den beelde Gods geschapen. De zonde is het omgekeerde van de heiligheid en vervolgt in het negatieve de trekken van haar beeld. In den tijd klopt de polsslag der eeuwigheid. Ook |346| ons lichaam is op onze ziel aangelegd en er organisch mee verknocht.

Hiervoor echter had de Christenheid, die Rome’s alouden invloed ondergaan had (we bedoelen het heidensche Rome) geen genoegzaam oog. In het heidensche Rome was de scherpe rechtsontwikkeling wel ontleed en uit elkaar genomen, maar niet genoeg ineengezet en gelet op het verband. En het was onder dezen invloed, dat in het Theïsme, waarmee onze vaderen bij hun komst in Europa kennis maakten, metterdaad een leemte viel aan te wijzen. Er was in dit Christendom iets te werktuiglijks, iets te uitwendigs. Soms stond er wel mystieke innigheid naast, maar ze drong er niet in. De belijdenis zelve, die men aan deze volkeren bracht, was te dualistisch.


Uit deze omstandigheid nu verklaart zich de Reformatie.

De Reformatie toch is in den grond niets anders geweest dan een protest der Germaansche volkeren tegen deze miskenning van het verband, dat de Heilige Schrift ook bij het trekken van de diepste grenzen, altoos erkend en aangewezen had. De mystiek, die onder Rome naast de kerkpractijk stond en veelszins pantheïstisch, is door de Hervorming weer in de belijdenis ingedragen. Luther zelf droeg ze van het gemoed over in de conscientie, en Calvijn veel meer nog dan hij uit de conscientie in de belijdenis van den Christus.

Inzooverre was dus de Reformatie een groote schrede vooruit. De tegenstelling tusschen God en het schepsel, tusschen tijd en eeuwigheid, tusschen zonde en heiligheid, tusschen den Verlosser en de verlosten, tusschen ziel en lichaam en zooveel meer bleef gehandhaafd en wierd zelfs verscherpt maar de band, die beide verbond wierd nogmaals blootgelegd, en eindelijk door de mystieke unie van Christus en zijn geloovigen met klare bewustheid nedergelegd in de belijdenis.

En toch, zuiver was ook de Reformatie nog niet.

De Hervorming is uit de Germaansche volken opgekomen, die van huis uit, gelijk we zagen, Pantheïstische philosofen waren. Vandaar dat ge in de dagen der Hervorming zeer duidelijk tweeërlei beginsel ziet werken: ten eerste het beginsel der Schrift bij de geloovigen, om den band weer bloot te leggen, die het creatuurlijke met den Schepper verbindt; maar ook ten tweede het beginsel van de heidensche philosophie, om weer op ouden Pantheïstischen trant de grens uit te wisschen en het al ineen te doen vloeien. Men weet dan ook, hoe naast de Reformatoren van meet af de Humanisten stonden, en hoe deze laatsten, o, zooveel verdierven wat de Reformatie begon op te bouwen. |347|

Vooral in de Luthersche Reformatie mengde zich dit kwaad op veelbeduidende wijze, en het is Calvijns eere dat hij voor de Gereformeerde volken dit kwaad veel sterker uitdreef. Luther in zijn eerste periode stond wel zuiverder, maar in zijn tweede periode sloeg hij bedenkelijke paden in, en toen eindelijk bij den Sacramentenstrijd heel de tegenstelling tusschen Wittenberg en de Gereformeerden zich saâmtrok in de vraag, of Christus in het brood des Avondmaals zóó in was, dat hetgeen men zag tegelijk én brood, én de Christus was, stond men tastbaar voor precies dezelfde tegenstelling tusschen Pantheïsme en Theïsme, tusschen Japhet en Sem, tusschen ineenvloeiing en onderscheiding waarvoor we ook nu nog staan. En toen Luther nu voor de ineenvloeiing koos, en in de Luthersche belijdenis van den Christus Eutyches’ dwaling herleefde, mengde zich metterdaad het oude Germaansche Pantheisme weer in de Christelijke belijdenis, en was het Calvijns groote verdienste, dat hij de Gereformeerde volken voor dit euvel bewaard heeft. Zwingli ging toen te ver en sloeg in het andere uiterste over, en nam met name uit het Sacrament het verband weg, om alleen de tegenstelling over te houden. Maar Calvijn heeft toen én de tegenstelling én het verband gehandhaafd. Zwingli verviel in Dualisme, Luthers volgelingen slopen weer den weg van het Pantheïsme op, en Calvijn alleen bleef waarlijk Theïst naar de Heilige Schrift.


Gevolg hiervan nu is geweest, dat met name in Duitschland deze aloude Pantheïstische zuurdeesem allengs weer aan het gisten is geraakt. De Hernhutters dreven dit Pantheïsme op mystieke wijs, de bekende Theosofen dropen het in de verklaring van het wezen der dingen, de Luthersche godgeleerden verdedigden het in hun Ubiqueïteitsleer dogmatisch, en de groote wijsgeeren Fichte, Schelling en Hegel voerden het wetenschappelijk door. Totdat toen eindelijk Schleiermacher is opgestaan, die, Hernhutter van opvoeding, Theosoof naar neiging, Luthersch naar levenskring en wijsgeer naar aanleg, alle deze Pantheïstische bestanddeelen in één stelsel vermengd heeft, dat, o, zooveel schoons en bekoorlijks bezat en waardoor destijds schier heel de Luthersche kerk is verleid.

Uit Duitschland is toen van lieverlee in allerlei geleerde geschriften dit Pantheïstisch gekleurde Christendom ook in de Gereformeerde landen ingedrongen, en heeft in Zwitserland, in Frankrijk, in Engeland en in ons land de denkende geesten op een dwaalspoor geleid. Ten onzent zag men dit het eerst in de Groninger godgeleerden, daarna in de Modernen, en straks in de Ethischen, gelijk nu weer in de volgelingen van Ritschl. De pantheïstische trek is in al deze richtingen de kenmerkende. Nergens een grens meer. Alles ineenvloeiing. |348|

Uitgewischt de grens tusschen den goddelijken en den menschelijken factor in de Heilige Schrift.

Uitgewischt de grens tusschen den Schepper en het schepsel in de leer van een eeuwige schepping.

Uitgewischt de grens tusschen God en mensch in de valsche uitlegging van het Beeld Gods.

Uitgewischt de grens tusschen tijd en eeuwigheid, door de leer van een bekeering na den dood.

Uitgewischt de grens tusschen ziel en lichaam, in de leer van de Geistleiblichkeit.

Uitgewischt de grens tusschen het natuurlijke en het genadeleven, door het loochenen eener absolute wedergeboorte.

Uitgewischt de grens tusschen Israël en de heidenwereld, door een naturalistisch proces van alle godsdiensten.

Uitgewischt de grens tusschen kerk en wereld, door de leer van een volkskerk, waarin nagist wat in het volk gist.

Uitgewischt de grens tusschen een „wijsheid Gods” en „de wijsheid” der menschen, door een kwansuis „geloovige wetenschap”.

Uitgewischt de grens tusschen het zedelijke en verstandelijke leven, door het ijveren voor een verzedelijking (ethisirung) der waarheid.

En zoo nu ook uitgewischt de grens tusschen den Christus en zijn verlosten, door het vermenschelijken van het goddelijk subject in den Middelaar.

Dat kwaad, waaronder de kerk van Christus thans zoo bitter lijdt, en waarop in ons vorig hoofdstuk reeds gewezen wierd, moest hier in samenhang kortelijk uiteengezet, om de beteekenis van deze 33ste vraag in den Catechismus te vatten.


Het is toch bij deze Catechismusvraag volstrekt niet de plaats, om breedvoerig de Godheid des Zoons te gaan bewijzen, maar uitsluitend om de grenslijn zuiver te houden, waardoor ons kindschap van het Zoonschap des Zoons gescheiden ligt. Daarvan alleen handelt de persoon die in den Catechismus antwoordt, en hij trekt die grenslijn zeer juist zóó, dat hij den Middelaar toekent het natuurlijke, eeuwige Zoonschap en voor ons slechts het aangenomen kindschap, het kindschap door aanneming overlaat.

En daar nu de godgeleerden onzer dagen, op het voetspoor der Duitsche Pantheïsten, ook ten onzent deze grenslijn uitwisschen door feitelijk het Zoonschap van den Middelaar en ons kindschap ineen te doen vloeien, was het hier juist de plaats om de diepe wonde, die door het Pantheïsme aan onze kerk is toegebracht, bloot te leggen. |349|

Of we al tegen Arianen, Adoptianen en Socinianen ijveren, maar zondér een helder geopend oog voor de diepgaande hedendaagsche ketterijen, dat brengt ons niet verder. Ook zegge niemand, dat dit schoolsche geleerdheden zijn. Integendeel, dit Pantheïstisch getinte Christendom wordt heden ten dage aan alle hoogescholen onderwezen, komt van deze hoogescholen op duizend kansels, dringt in onze stichtelijke literatuur in, sluipt als gif in onze catechisatiën, en ondermijnt, door de autoriteit der Heilige Schrift los te maken, alle Christelijk geloof.

Het is volstrekt niet meer dezelfde Schrift, niet meer dezelfde Christus, niet meer hetzelfde Kruis, ja, zelfs niet meer dezelfde, God en Vader, die u door deze godgeleerden gepredikt wordt.

Uit Sion moet ons het licht opgaan, en het schitterend geflikker waarmee zij de oogen verblinden, komt uit het hart van het Buddhisme; niet van den Jordaan, maar van den Ganges; niet van Golgotha, maar uit de scholen der philosofen.

Dit is het doodelijk gevaar waarin de kerk thans verkeert, en het is met name de Gereformeerde belijdenis, die thans de roeping heeft, om tegen deze overstrooming der Pantheïstische afgeleide beekjes een dam op te werpen en de waarheid, gelijk ze uit Sion is, te verdedigen. En dit nu kan ze alleen, niet door zich in zich zelve op te sluiten, maar door op de bestudeering der Arische godsdienstvormen, op de ontwikkeling der Philosophie, en op het retort in het laboratorium der Vermittelungstheologen een scherp wakend oog te houden. En voorts, door hiertegenover tweeërlei te doen: 1º de tegenstelling tusschen het Goddelijke en menschelijke, het oneindige en eindige door zuivere grens af te bakenen; en 2º door na deze tegenstelling te hebben geconstateerd, het verband tusschen beide te zoeken niet in het Wezen Gods, maar in zijn Wil.

En zoo nu komt het er ook hier op aan, om, na bestrijding der hedendaagsche ketterij, een duidelijk antwoord op twee vragen te geven: 1º Waarin is het Zoonschap van den Middelaar van ons kindschap onderscheiden? en 2º Welke band bindt beide saâm?




1. Theïsme noemt men de belijdenis over God Almachtig als zelfbewust Schepper en Onderhouder der wereld in tegenstelling met het Antheïsme, Pantheïsme en Deïsme.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002