Zondagsafdeeling XIII.

Vraag 33. Waarom is Hij Gods eeniggeboren Zoon genaamd, zoo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Antwoord. Daarom dat Christus alleen de eeuwige en natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Vraag 34. Waarom noemt gij Hem onzen Heere?

Antwoord. Omdat Hij ons met lijf en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met zijnen dierbaren bloede, gekocht, en van alle geweld des duivels verlost heeft, en ons alzoo zich tot een eigendom gemaakt.


*

Eerste hoofdstuk.

Ik zal van het besluit verhalen: De Heere heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd.

Ps. 2 : 7.


Met dank een eerbiedenisse te belijden, dat er een Middelaar gesteld is, die, òns ten behoeve, onze zake uitricht, door ons drievoudig ambt van profeet, priester en koning, waaraan wij ontvallen waren, voor ons op te nemen en plaatsbekleedend te onzer behoudenisse uit te voeren, is intusschen voor een zaligmakend geloof ongenoegzaam. Het zaligmakend geloof toch zoekt dieper en zoekt vaster grond, en het is op dit fundamenteele in de belijdenis van den Middelaar, dat de Catechismus thans, aan de hand der XII Geloofsartikelen, met de XIIIde Zondagsafdeeling overgaat.

In de XII Geloofsartikelen toch volgt op de belijdenis: „Ik geloof in God den Vader” deze rijke en veelzeggende bijvoeging: „En in Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere”; en dit nu noopt den Catechismus, om alsnu in deze tweeërlei waarheid in te dringen: In het Zoonschap Gods, door de vraag: „Indien wij óók Gods kinderen zijn, waarom is Hij dan Gods eeniggeboren Zoon genaamd”, en in zijn Heerschappij of Heer-zijn over ons, met vraag 34: „Waarom noemt ge Hem onzen Heere?”

Deze dubbele vraag, en met name de eerste, raakt het fundament waarop ons geloof rust. Dit blijkt klaarlijk uit wat Jezus zelf op de bekende |338| belijdenis van Petrus antwoordde. Toen toch de heilige apostel Petrus in naam van het geheele Apostolaat op ’s Heeren vraag: „Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” beleden had: „Dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods!” heeft de Middelaar hem ter wille van deze belijdenis zalig gesproken, er bijvoegend dat alleen de Vader uit de hemelen hem dit door zijn Heiligen Geest geopenbaard had; niet vleesch en bloed; en dat op deze belijdenis de kerke als op haar fundament derwijs vast zou staan, dat hel noch Satan iets tegen haar zou vermogen. En toen het, na jarenlange worsteling, tusschen den Middelaar en het Sanhedrin eindelijk tot beslissing kwam, toen is de grond, waarop het doodvonnis van het Sanhedrin rustte, weer geen andere geweest dan juist diezelfde „goede belijdenis”, dat Hij de Zone des levenden Gods was.” Op dat zeggen heeft Cajaphas en heel zijn college van bijzittende ambtsdragers Jezus als Godslasteraar veroordeeld. Dienvolgens verklaart dan ook de Heilige Geest door den heiligen apostel Johannes: „Zoo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zone Gods is, God blijft in hem en hij in God” (1 Joh. V : 5); roept dezelfde apostel uit: „Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus de Zone Gods is!” (1 Joh. V : 5); en besluit hij het voorlaatste hoofdstuk van zijn Evangelie met de betuiging: „Deze dingen zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods en opdat gij geloovende het leven hebt in zijn naam” (XX : 31).

Deze uitspraken zijn zóó stellig en afdoende, dat ze geen twijfel overlaten. Een Middelaar te belijden, die Profeet, Priester en Koning is, baat u nog niet; en kracht ontvangt die belijdenis eerst door de bijvoeging dat deze uw Middelaar de eeniggeboren Zoon des Vaders is.


De oorzaak hiervan is licht in te zien. Immers, hetgeen u noodig is, om aan het verderf te ontkomen, is niet maar dat er zeker plaatsbekleeder en zaakwaarnemer voor u optrede, maar wel dat een zoodanig plaatsbekleeder voor u gevonden worde, die uw zaak op eenmaal afdoe; zóó afdoe dat de eere Gods het hoogste blijve; en tegelijk elken twijfel of God uw zake wel als afgedaan rekent, geheel voor u wegneme.

Ten eerste: Uw zake moet op éénmaal afgedaan. Uw zake en de zake uwer broederen, want gij zijt met hen lotgemeen. En nu baat het u niets, of er al stuksgewijze afdoening, afdoening van uw zake voor een deel kome. Ge ligt onder den doem van een eeuwigen dood en van een nimmer eindigend verderf. Het is alles in u ongereed en zondig geworden. In uw verleden tot in den wortel van uw aanzijn in Adam; vóór u uit eeuwiglijk zoolang er een eeuwig aanzijn voor uw onsterfelijk wezen zijn zal; en tot in de allerdiepste diepte van uw wezen, tot zoover uw |339| hart door God zelf met een oneindige diepte geschapen is. Plaatsbekleeding, waarneming van uw zake baat u dus niets en brengt u niets verder, tenzij er een eeuwige kracht op gezet worde. En dát nu kan alleen zulk een Middelaar, die tevens Gods eigen Zoon en God zelf is. Met minder dan een oneindige waardij is er geen rantsoen, dat u redden kan, denkbaar.

Doch ook dat is nog niet al. De zaak is maar niet dat gij gered wordt, maar omdat uw zake met den Drieëenigen God is, zijt gij niet te redden, en is uw zake niet af te doen, tenzij, in de tweede plaats, tegelijk de zake des Heeren tegenover u recht, volkomen recht erlange. En overmits nu alle schepsel onbekwaam is, om de eere van het recht des Heeren, ik zeg niet te handhaven, doch om ook maar te weten hoe het gehandhaafd moet worden, baat u geen Middelaar, dan zulk een, die tevens waarborg oplevert van de zake Gods tegenover u uit te richten; en ook dit kan alleen de Zoon Gods, die zelf God is.

En eindelijk, ten derde, het is u niet maar noodig, dat uw zake geheel afgedaan, en in uw zake tevens de eere Gods onschendbaar gehandhaafd worde, maar ook dat er voor u volle zekerheid desaangaande besta. En ook deze zekerheid wederom kan u niet geworden, dan langs den geestelijk mystieken weg, dat gijzelf, als kind Gods in Christus Jezus aangenomen, hem, uw Middelaar, als Gods eigen eeniggeboren Zoon bekent. Is uw Middelaar de Zoon van God, dan valt natuurlijk elke twijfel, of de redding die hij aanbrengt, bij Gode wel vast zou staan, weg. Maar ook deze wetenschap moet geen uitspraak van uw verstand, maar de in heel uw bestaan gewortelde belijdenis van uw persoon zijn, d.w.z. eerst zelf als kind Gods aangenomen en in het kindschap ingelijfd, bezit ge het vermogen om metterdaad en in waarheid dit eeuwige Zoonschap Gods te gelooven.


Dit is het dan ook, waar de Catechismus in zijn geestelijk practicale behandeling terstond op komt. Hij redeneert niet uitwendig, maar zet in zijn boekske den troost der geloovigen in leven en sterven uiteen. En omdat ze nu niet gebaat kunnen worden dan door een Middelaar die zelf de eeniggeboren Zoon van God is, en zij in dien Middelaar als Zoon van God, eerst zoo ze zelf kinderen Gods wierden, practicaal gelooven kunnen, verbindt hij nu deze twee aanstonds in deze zoo schoone vraag: „Waarom wordt Hij, die Middelaar, Gods eeniggeboren Zoon genaamd, daar toch ook wij Gods kinderen zijn?” Een vraag waarop hij antwoordt: „Daarom dat Christus alleen de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is en wij alleen om zijnentwil tot kinderen Gods aangenomen worden.”

Zoo sluit dan het beleid der rede schoon ineen. De XIe Zondagsafdeeling zegt u, dat u een Verlosser geschonken is, kenbaar in den naam Jezus. |340| De XIIe Zondagsafdeeling betuigt u, dat deze Verlosser als de Christus uw plaatsbekleeder, zaakwaarnemer of Middelaar is, die heel uw zake uitricht. En de XIIIe Zondagsafdeeling biedt u in de belijdenis van het „Zoonschap Gods” van dezen Middelaar de zekerheid, dat hij uw zake zóó uitricht, dat het fundament uwer zaligheid in God zelf ruste en voor uw geloof onwankelbaar voorsta.


De noodzakelijkheid nu van de scherpe onderscheiding tusschen dit eeuwige Zoonschap van den Middelaar en ons kindschap is nooit duidelijker aan het licht getreden dan in onze eeuw, die meer dan eenige vroegere door ketterij verdorven is.

Ketterij kende de kerk ook op dit stuk alle eeuwen door. Arius, schepper van de kettersche gedachte van de doling der Arianen, die in onze eeuw door de Groninger godgeleerden vernieuwd is, verstond den naam „Zoon van God” als generiek. Immers de Schrift zelve, zoo leerde hij, gaat er ons in voor, om in zekeren generieken zin alle schepsel van hooger orde met den eerenaam van „kinderen Gods” te betitelen. Zoo worden de engelen „kinderen Gods” genaamd, als het in Job heet: „Daar was een dag als de kinderen Gods kwamen om zich voor den Heere te stellen.” En zoo ook worden alle menschen „kinderen Gods” genaamd krachtens hun schepping uit Adam, als in de geslachtslijst van Lucas III in het slot „Seth de zoon van Adam en Adam de zoon van God” heet (vers 38). Welnu, in dien zin wilde dan ook Arius den naam van Zoon van God in zijn toepassing op den Middelaar verstaan hebben. Hem was de Middelaar ook een dier wezens van hooger orde; van nóg hooger orde zelfs dan alle mensch of engel; maar toch altoos een geschapen wezen; een zeer hooge, ja de hoogste hemeling. Een kettersche voorstelling, die, gelijk elk lezer ziet, ten eenen male heel de belijdenis van het eeuwige Zoonschap omverwerpt.

Kettersche leer op dit stuk dreven ook de Socinianen, die het uitgangspunt van Jezus’ bestaan in zijn ontvangenis namen; zijn voortbestaan van eeuwig loochenden; en Hem vóór zijn ontvangenis alleen in de gedachtenis des Vaders lieten optreden; maar nu leerden, dat Hij om zijn ambt en krachtens zijn verhooging Zoon van God genaamd en ten leste geworden was. Aanknooping voor deze doling vonden ze in het zeggen van Psalm LXXXII : 6 en 7; waar het tot de ambtsdragers in Israël heet: „Ik heb wel gezegd: gij zijt goden en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten; nochtans zult gij sterven als een mensch.” Voorts in den eerenaam van „geliefde Zoon”, die Jezus als Middelaar ontving bij den Doop: „Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb”. En eindelijk in den naam van Zoon van God, aan Jezus als Hoofd van het genadeverbond, |341| in zijn menschelijke natuur gegeven, als het van de lippen van den engel tot Maria heet: „Daarom, dat heilige dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genaamd worden”. Op dien grond nu stelden ze het zóó voor, dat Jezus als onder alle Overheden de hoogste en heiligste ambtsdrager kind des Allerhoogsten en inzooverre een der Goden in eminenten zin genoemd wierd, om de op hem gelegde Majesteit. Dat Hij in zijn ontvangenis en geboorte bijzonderlijk op het dragen van deze Majesteit was aangelegd. En dat Hij als loon voor zijn kruisdood en offerande in zijn verhooging nu verhoogd was tot een bestaanswijze, waardoor Hij in onderscheiding van allen en boven allen ten leste Zoon van God wierd. Grondfout is hier derhalve dat hij begint met het niet te zijn, en het eerst in het einde wordt.

En een derde kettersche doling op dit stuk vindt ge bij de Adoptianen, waar de Remonstranten gewoonlijk meê liepen, en die de beide gevoelens van het oorspronkelijk en een later pas verworven Zoonschap zochten te vereenigen. Zij gingen niet met de Socinianen mee, alsof het Zoonschap pas allengs ontstaan was en eerst in het eind geheel intrad; maar stelden het zóó voor, dat de grond voor het Zoonschap van den Middelaar wel van eeuwigheid in zijn natuur lag, maar dat hij toch eerst later, toen Hij als Middelaar optrad, in zijn hoedanigheid van mensch, als kind en Zoon van God erkend en aangenomen was. Vandaar hun naam van Adoptianen, want Adoptiaan beteekent: Voorstander van de leer der aanneming tot Zoon. 1)


Toch bleef het voor onze eeuw voorbehouden, om in deze lijn van ketterij tot het uiterste te gaan, en onder zeer vrome betuigingen, gelijk men thans doet, feitelijk heel het eeuwige Zoonschap te loochenen en te vernietigen.

Deze thans heerschende en nog wel voor orthodox versletene ketterij bestaat namelijk daarin, dat men zegt: Ongetwijfeld is de Christus Zoon van God in geheel eminenten zin, edoch altoos langs de lijn, van hetgeen in Luc. III : 38 ook van Adam gezegd wordt.

De mensch is naar den beelde Gods geschapen. Welnu, dát is het echte kindschap. Daarin wortelt het. Dat bepaalt zijn aard en wezen. Nu is alle overige mensch aan dit kindschap door de zonde ontvallen. Maar Christus, de mensch zonder zonde, bezit dit kindschap. Wijl het in Hem nooit door zonde gebroken is, is dit kindschap in Hem volkomen. Deswege is Hij onder ons, zondaren, als het eenige, ware kind van God opgestaan. Zoo heet Hij alleen dus de eeniggeboren Zoon van God. En wij kunnen, eerst door Hem weer gelijkvormig te worden, onder den invloed van zijn Geest, in het kindschap Gods terugkeeren. |342|

Deze ketterij draagt intusschen bij de Modernen en bij de Ethischen een gradueel zeer uiteenloopend karakter.

Beiden stemmen wel daarin overeen, dat ze van geen eeuwige generatie, van geen Zoon Gods, die onafhankelijk van de schepping van den mensch bestaan zou, weten willen. Maar ze verschillen aanmerkelijk in de uitwerking.

Immers de Modernen stellen het voor, alsof Jezus geen hoogere plaats onder de kinderen der menschen inneemt dan die van een zeldzaam religieus genie, d.i. van een mensch, in wien het godsdienstig besef op zoo wondere wijze ontwikkeld was, dat hij zuiverder en beter dan iemand zich bewust is geworden van en geloofd heeft in de zalige gemeenschap met het Eeuwige Wezen. Hierdoor is hij sterker en beter dan iemand tot het bewustzijn gekomen, dat we de betrekking tusschen God en zijn mensch en schepsel niet beter kunnen voorstellen dan door de vergelijking van een vader en zijn kind. En in dien zin nu belijden ze, dat hij zich beter dan iemand als kind van dien Vader bekend en gevoeld heeft, en dat wij door zijn geest op ons te laten werken, het best en het zuiverst in dat zelfde kindsbesef kunnen inleven. Kenmerkend voor de Modernen is derhalve dat heel het kindschap voor hen een zaak van besef, van gevoel, van gewaarwording, van wederzijdsche verhouding is; voor wat den naam betreft alleen ontleend aan de vergelijking van een vader met zijn kinderen op aarde.


Geheel anders daarentegen leeren het de Ethischen. Zij namelijk bepalen het kindschap niet tot het besef en de gewaarwording, maar dalen af tot den oorsprong van onzen geest. Die geest in ons menschelijk wezen is h.i. niet puur geschapen, maar uit het beeld Gods voortgekomen. Daardoor zijn wij als menschen aan God verwant. Reeds als menschen zijn we in eigenlijken zin van Gods geslacht. En nu was dit, naar hun zeggen, zóó aangelegd, dat heel de menschheid één organisch geheel vormde, waarvan Christus reeds van eeuwig (ook afgezien van alle zonden) het organisch Hoofd was.

Met of zonder zonde, dat deed er niet toe, deze Mensch aller menschen moest dus toch komen. Eerst door Hem ontving ons geslacht zijn ideaal, zijn grondtype, zijn voleinding. En waar nu reeds de gewone mensch, door zijn geschapen zijn naar Gods beeld, van Gods natuur en Gods geslacht was, daar gold dit nog in zooveel hooger mate van dezen Mensch aller menschen, van dezen eminenten Persoon onder alle personen. In Hem was de band met het Eeuwige Wezen een oorspronkelijke. En de scheiding tusschen God en mensch, die eerst in Adams zonde was opgekomen, viel in Hem derwijs weg, dat Hij metterdaad Gods Zoon niet maar genoemd kon worden, of worden zou, maar krachtens natuur en oorsprong was. |343|

De vinder ook van deze ketterij is Schleiermacher geweest, die een standpunt innam, waar én de moderne én de ethische schakeering van deze ketterij uit voortgekomen is. Men kan ze de Humanistische doling noemen, inzooverre aan beide het herleiden van het Zoonschap tot het kindschap Gods in den mensch gemeen is, terwijl ze slechts daarin uiteengaan, dat de Modernen dit menschelijke kindschap Gods alleen in de beseffen en gewaarwordingen zoeken, terwijl de Ethischen het verdiepen tot in ’s menschen wezen krachtens zijn schepping. Toch is ze in den grond zuiver Pantheïstisch.


Tegenover alle deze ketterijen, van eertijds en van nu, komt daarom de Christelijke kerk in haar schoone belijdenis op, door streng de grénslijn tusschen den Schepper en het schepsel te trekken, en op niet één punt te dulden, dat ooit God en mensch ineenvloeien.

Er is, zoo belijdt de Christelijke kerk, eenerzijds een eeuwig en volzalig en in zich zelf genoegzaam Wezen, dat we aanbidden als Vader, Zoon en Heiligen Geest.

En anderzijds is er een heelal van hemel en aarde door den wil van dit Drieëenig Wezen tot aanzijn geroepen, en in dat heelal van het geschapene hoort ook de mensch thuis.

Van eeuwigheid af nu, en dus geheel afgezien van dit heelal, dat later komen zou en van den mensch die in dit heelal zou geschapen worden, was de Tweede Persoon in de Drieëenheid oorspronkelijk en eeuwig de Zoon, als door den Vader van eeuwigheid gegenereerd, en bezat krachtens die generatie het eenige en eeuwige volle en waarachtige Zoonschap Gods.

En als nu later in den loop der eeuwigheid eindelijk dat heelal en in dit heelal de mensch geschapen wordt, dan is alle kindschap Gods, waartoe die mensch ooit komen kan, nooit anders dan beeld en afschaduwing van dat eenige, eeuwige en waarachtige Zoonschap dat de Zoon alleen bezit en eeuwiglijk alleen bezitten zal.

Hij is dus nooit de Zoon, omdat Hij optreedt in de menschelijke natuur en die menschelijke natuur een kindschap Gods kan bezitten. Maar omgekeerd kan die menschelijke natuur alleen een kindschap Gods bezitten als afschaduwing en beeld van het eeuwige Zoonschap dat in den Middelaar rust.

Onze vaderen drukten dit uit, door te zeggen: Het Zoonschap vloeit niet voort uit de Huishouding, maar het Kindschap Gods in de Huishouding uit het Eeuwige Zoonschap. Een term, waarmee ze als profetisch reeds vooruit heel deze moderne en ethische ketterij omverwierpen. Immers, ze bedoelen daar juist mee, dat het eeuwige Zoonschap geheel onafhankelijk van de schepping en de verlossing van den mensch bestaat, terwijl én Modernen én Ethischen het thans juist uit ’s menschen aard en wezen verklaren.




1. Het Adoptianisme kwam op in de 8e eeuw door Elipandus, maar heeft voor ons alleen belang door de Remonstranten, en wierd deswege het derde in de rij besproken.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002