Negende Hoofdstuk.

En de zalving, die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig, en is geene leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven.

1 Joh. 2 : 27.


De gemeenzame naam van Christenen is in onze dagen ontzield en geeft van verre den vollen klank niet meer, die Ursinus en Olevianus nog uit dezen naam in het oor dreunde. Oorzaak hiervan is, dat de naam „Christenheid”, „Christen”, en „Christelijk” zich voor ons besef uitstrekt over millioenen bij millioenen, die in alle streken der wereld nauwlijks meer het allerflauwste schijnsel van eenige belijdenis van den Middelaar over hielden, of ook reeds driest en openlijk tot zijn verloochening en verguizing zijn voortgeschreden, maar die desalniettemin op het register van den burgerlijken stand nog altoos als leden van de eene of andere Christelijke kerk staan aangegeven. Ja, zelfs strekt zich de dusgenaamd-Christenheid uit over hen, die ook bij den burgerlijken stand hun aanhoorigheid tot eenig kerkgenootschap schrapten, en noch het sacrament van den heiligen Doop, noch de bevestiging van hun huwelijk meer van eenige kerk afvroegen. In de statistische opgave, dat er op onzen aardbol 858 millioen heidenen, 171 millioen Mahomedanen, 8 millioen Joden en 448 |331| millioen Christenen leven, worden alle deze onverholen vijanden en verachters van den Nazarener nog altoos onder de Christenen meegeteld.

Dit gemeene gebruik nu maakt, dat de teedere van ziel zeer weinig meer aan dezen naam hecht, en dat er de beteekenis nauwelijks meer van gevoeld wordt. Een „fijne”, een „duisterling”, een „dweper” genaamd te worden, geeft thans veel meer karakter, dan zoo de menschen u een Christen noemen. Een Christen, nu ja, dat spreekt vanzelf, op de enkele joden na zijn alle Nederlanders Christenen. Maar een Christen die nog bovendien in den Christus gelooft, zie, dat is heel iets anders. „Kind van God”, „opgeschrevene te Sion”, gerekend met het „volk des Heeren” te zijn, heeft daarom voor den echten belijder des Heeren thans al de volheid en al den rijkdom in zich, die de ontzielde en uitgeholde naam van „Christen” verloor. „Christen” wil thans zeggen: niet een publiek heiden, geen jood, en ook geen Mahomedaan. Vandaar, dat alleen in de zendingswereld deze naam weer hooger klank kreeg, en in onze koloniën „Christen” te zijn het bijbegrip heeft van gerechtigd te zijn tot zekere burgerlijke privileges.

Aan dezen stand van zaken is voorshands weinig te veranderen. De afstand tusschen den cirkel der kerk, gelijk ze zich zichtbaar vertoont en onzichtbaar aan Jezus kleeft, is daartoe te groot geworden. Zichtbaar strekt de kerk zóóver als de heilige Doop strekt, maar wie noch op ficties teert, noch van spelen met woorden houdt, kan zich kwalijk verhelen, hoe betrekkelijk klein in verhouding tot de nominaal gedoopten het getal dergenen is, die in hun Heere ontslapen zijn of ontslapen zullen. Dit euvel sproot voort uit de eenigszins werktuigelijke wijze, waarop de Roomsche kerk de volkeren van Europa tot het Christendom bekeerd heeft. Dit ging zoo bijster oppervlakkig, zoo weinig degelijk, zoo uitwendig toe. Soms heele volkeren tegelijk. En hoeveel er destijds ook voor zulk een massale wijze van doen iets te zeggen viel, en al ontkent men de sluiting van veel ruws en gemeens niet, die we, ook zoo, aan deze geheel uitwendige toebrenging dezer volken, niet tot den Christus, maar tot „het Christendom” danken, toch mag niet voorbijgezien, dat het nog altoos de naweeën van deze massale dusgenaamde bekeeringen zijn, waaronder de kerk thans nog gebogen gaat.

De kerk nam te veel in zich op. Ze kon het niet aan. Haar assimilatievermogen was daartoe te zwak. En wel verre dat zij er in geslaagd zou zijn, om deze volkeren in massa voor haar Heiland te winnen, is de invloed van die heidensche volkeren op de kerk te machtig gebleken en is door hen de kerk innerlijk verwereldlijkt. |332|

Vandaar de roeping der kerk, om zich uit deze valsche verhouding los te maken, waarvan het proces door Luther begonnen, door Calvijn verdiept wierd, en sinds steeds is doorgegaan.

Om niet aan de wereld gelijkvormig en als zout zouteloos te worden, moet de kerk zich op haar meer karakter bezittend terrein terugtrekken, in dien kleiner, maar bezielder kring zich zelve terugvinden en door gemeenschap met haar Heere, haar krachten herwinnen. En is ze die periode eenmaal door, dan ja, maar ook dan eerst kan ze weer een poging Wagen, om de sintels om zich heen weer in gloed te ontsteken, en door zending en evangelisatie-arbeid de afgevallen volken van Europa te herwinnen.

Dit alleen is de geestelijke, de inwendige, de teedere weg, waarbij ze op de gunste van haar God mag rekenen. De hopelooze poging, om de massaliteit van wat men „volkskerk” noemt, door het trekken aan den blaasbalg nog voor volkomen uitgaan te behoeden, moge op Rome's standpunt, om haar wereldorganisatie, nog denkbaar zijn, maar is voor de Protestantsche kerken, die voor dezen arbeid geen anderen steun dan den Mammon en den Staat bezitten, in beginsel geoordeeld en bestemd om op bittere teleurstelling uit te loopen.


Deze inkrimping van het Christelijk terrein, die te komen staat en reeds komende is, wordt door de Heilige Schrift eer geëischt dan weersproken.

Steeds dringt de Heilige Schrift op waarheid. Ze haat de fictie.

Schijnvertooningen mint ze niet, maar verfoeit ze. Ze heeft geen behagen in de galvaniseering van het lijk. En waar het nu een feit is, waar niet over te twisten valt, dat van de 448 millioen dusgenaarnde Christenen minstens de helft geboren werd, leeft en sterft, zonder ooit iets van de zalving van den Christus gespeurd of gehoord te hebben; en van de resteerende helft hoogstens één derde gedeelte althans bij benadering en bij veel toegeeflijkheid rekenschap kan geven van de hope die in hen is; en van dit derde van de helft, stellig niet één derde tot bekeering kwam, springt het in het oog, hoe de leer des Verbonds en de leer van den heiligen Doop misbruikt en tot logen gemaakt wordt, indien men haar rijke sociale gedachte als dekmantel bezigt, om over al dezen misstand en deze holheid den sluier te leggen, en op dien sluier met prachtig zijden koord den naam van Christenen borduurt.

Onze ouden onderscheidden altoos zeer juist tusschen het wezen en het welwezen in de zake des Koninkrijks, maar het misbruik dat thans door de voorstanders der volkskerk zoo van de leer des Verbonds als van den |333| heiligen Doop gemaakt wordt, strekt niet slechts om het wezen te mainteneeren, waar het welwezen nog ontbreekt, maar doelt er op, om door onwaarheid de fictie van het wezen te constateeren, waar geen spoor van het wezen meer aanwezig is.

Houd daarom altoos vast aan deze twee: Bestrijd alle Donatisme en Labadisme door niet het welwezen, maar alleen het wezen als conditie te stellen, en wees daarin liever te ruim dan te eng. Maar ook bestrijd de leugen en den schijn en de valsche gestalte, door tusschen het wezen en het onwezen onderscheid te maken, en ontheilig de leer des Verbonds en van den heiligen Doop niet langer door onwezen voor wezen te laten doorgaan.


Dat we dit punt nu met volkomen recht juist bij vraag 32 van den Catechismus ter sprake brengen, zal duidelijk blijken, zoodra men let op zijn inhoud.

Die inhoud toch is, dat de naam van „Christen” alleen aan hem toekomt, die potentiëel of actu, d.i. in beginsel of daadwerkelijk, belijdt of van wien kan beleden worden, dat hij de zalving van Christus deelachtig is; en hiermeê juist is het, dat de Catechismus alle naamChristendom en alle schijn-Christendom afsnijdt. Het zaad der kerk noch ook het overspringen van een geslacht in het genadewerk is hierbij uit het oog verloren; maar wel is hiermeê een dam opgeworpen tegen de valsche meening, alsof een algemeene bekeering van heel het volk tot den Christus te wachten stond.

Dit geliefkoosd denkbeeld, en hiermede komen we tot het tweede straks genoemde oordeel der Heilige Schrift, vindt in de Schrift nergens steun. Het zijn altoos groepen uit alle natiën en volken en stammen die voor den troon staan. Het is onveranderlijk een klein kuddeke temidden der wereld. En zooverre is het er vandaan, dat toch in het einde der eeuwen een kerstening van alle volkeren als massa’s zou te wachten zijn, dat de Heilige Schrift ons veeleer den grooten afval profeteert, en de Christus uitroept: „Als de Zoon des menschen komen zal, zal hij ook geloof vinden op aarde?

Dit nu ligt juist in wat de Catechismus hier zoo kras en stellig belijdt en waarmeê hij heel de dusgenaamde volkskerk omverstoot, dat recht op den Christennaam alleen diegene heeft bij wien óf reeds de zalving van den Christus aanwezig is, óf aan wien deze zalving, niet met de mildheid van uw wensch, maar op grond der Heilige Schrift mag geprofeteerd worden, als zijnde de kiem en wortel der zaak reeds aanwezig.

Met deze zalving nu is aangeduid de mystieke unie tusschen den Middelaar |334| en de zijnen, en met name Calvijn heeft zich steeds uitgeput in rijkdom en kracht van taal, om toch vooral de onmisbaarheid van deze mystieke unie met den Middelaar aan ’s Heeren volk op het hart te binden.

Tusschen voorwerpelijk en onderwerpelijk Christendom ontstaat in onze gemeenten vaak strijd, en hoeveel schaduw er ook op het onderwerpelijk Christendom ruste, toch heeft het de hooge roeping om de voorwerpelijke prediking tegen versteening en verdooving te bewaren, zoodra deze haar eigen licht uitblaast, door deze mystieke unie met den Christus te verzuimen.

Ongetwijfeld heeft de voorwerpelijke prediking de waarheid aan haar zijde; want niet het zielsleven van den prediker, maar de Christus moet gepredikt. Maar nimmer worde vergeten, dat de voorwerpelijke prediking zich zelve ontzielt en tegen de beweging des Geestes aanstoot, zoo ze de zalving, die de verlosten van den Middelaar hebben, d.i. de mystieke unie met den Christus, uit het oog verliest.

Christus is ons Hoofd, de kerk zijn Lichaam en wij zijn Leden. Dát is de mystieke unie die niet in de belijdenis, noch in de voorwerpelijke Schrift ligt, en waar telkens en gedurig op moet gewezen en aangedrongen. Zonder die mystieke unie met den Middelaar is er geen Lichaam, zijn wij geen Leden; is de Middelaar ons Hoofd niet; en is het Christendom weg.


Niet de „belijdenis” als geklank der lippen, maar die zalving des Middelaars, en de eerst daaruit gevloeide echte belijdenis, is het wezenlijke, en zoo komen we vanzelf op de drie ambten van den Middelaar en hun afschaduwing bij Gods volk terug.

Christus, zegt de Catechismus, is van God verordineerd en gezalfd tot onzen Profeet, — en dies moeten ook wij profeten zijn, doordien we zijn naam belijden.

Christus is van God verordineerd en gezalfd tot onzen Hoogepriester, — en dies moeten ook wij priesters zijn, doordien we ons zelven tot een levend dankoffer hem offeren.

En zoo ook, Christus is van God verordineerd en gezalfd tot onzen Koning, — en dies moet ook gij koning zijn, om in dit leven tegen de zonde en den Duivel te strijden en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te heerschen.

Zoo ziet ge de schoone harmonie. Christus Profeet, Priester en Koning, en wij, als zijner zalving deelachtig, profeten, priesters en koningen onder Hem. |335|

Mits, en daar hangt nu alles aan, dat het middellid van „zijner zalving deelachtig” er niet uit worde gelaten.

„Belijdenis” moet bediening van het profetenambt in ons midden zijn. Niet dat men er niets tegen heeft. Het er wel mee eens wil zijn. Er zijn naam wel onder wil zetten. Maar dat er kennisse zij; bij die kennisse verlichting, en krachtens die verlichting drang tot belijden van den Heere op zulk een wijze, dat men er om lijden mag en moet, en het lijden om zijn belijdenis er vanzelf inzit en uit voortvloeit.

Uit dit belijden als profeet volgt dan vanzelf het offeren als priesters. Te zingen en te roemen: „Triomf, als priesters naderen wij, gereinigd van de zonden”, is taal der hoogheid die niet nut. Priester is voor u niet een eeretitel om er meê te pronken, maar een ambt dat ge te bedienen hebt, door elken dag en elken nacht, in alles en bij alles, u zelven en al het uwe als een offerande op het altaar des Heeren te leggen. Priester zijn is komen tot de verloochening. Tot de zelfofferande. Tot de toewijding aan Hem die u kocht.

En wie zoo als profeet belijdt, en voorts als priester zich zelf ten offerande stelt, zulk een zal dan ook als koning heerschen. Nu reeds op aarde, door te toonen, dat hij niet voor de zonde uit den weg gaat en zich door Satan niet overheeren laat, maar kloek en moedig tegen zijn doodvijanden den strijd opneemt en in zijn Middelaar overwint. En als dan eens de laatste vijand door zijn Middelaar geheel zal vernietigd en ontwapend zijn, volgt ook in dit koningschap op de strijdende Davidsgestalte de rustige gestalte van Salomo en zult ge heerschen over alle creatuur.


Nog drieërlei voegen we hieraan toe:

Vooreerst, dat dit zalven van Gods volk tot zijn profetische, priesterlijke en koninklijke roeping door den Heiligen Geest geschiedt, en dat zonder deze zalving geen oogenblik eenige waarachtige bediening van die ambten voor den Christen mogelijk is. Ze vloeien voor u uitsluitend uit uw Middelaar. Zij zijn van zijn ambt onafscheidelijk. En alleen zoo er waarachtiglijk een mystieke unie tusschen u als rank en Christus als den Wijnstok, tusschen u als lid en Christus als Hoofd des mystieken lichaams bestaat, is er in dit uw drievoudig ambt realiteit. Anders slechts holle nabootsing, schijn en leugen, en ligt het Farizeïsme aan de deur van uw hart.

Ten tweede, dat in dit uw drievoudig ambt door de zalving van den Middelaar eenvoudig terugkeert wat Adam in het paradijs verloor. Adam was in het paradijs gesteld, 1º. om God te kennen en te loven als profeet; 2º. Hem van harte lief te hebben als priester; en 3º. met Hem in de zaligheid te heerschen als koning. Door de zonde wierd de profeet Adam |336| een verdwaasd scholier van den Booze; door de zonde wierd de priester Adam een slachtoffer van den Duivel; en door de zonde wierd de koning Adam een slaaf van Satan. Maar nu, door de mystieke unie en de zalving van den Middelaar, wordt de verdwaasde scholier van den Booze weer een profeet des Allerhoogsten; het slachtoffer van den Duivel weer een priester van Jehovah; de slaaf van Satan weer een koning in zijn Heere.

En ten derde, in dit drievoudig ambt van elk kind van God, wortelt, krachtens de zalving Christi, het „ambt der geloovigen” in de kerk. Het ambt van leeraar, ouderling of diaken is bijkomstig en opgelegd en vaak slechts tijdelijk, maar dit ambt der geloovigen wortelt in het kindschap, kleeft in de aanhoorigheid tot den eenigen Wijnstok, en is van eeuwigen duur.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002