Achtste Hoofdstuk.

Ik toch heb mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid.

Ps. 2 : 6.


Het derde in Jezus’ ambt is zijn Koninklijke bediening, inzooverre Hij ook verordineerd en gezalfd is tot Koning over Sion. Een op Hem gelegde waardigheid, niet minder dan zijn duurzaam Profetenschap en Priesterschap van het uiterste gewicht.

Overmits echter over geen der drie ambten van den Christus zoo schromelijke verwarring en zoo ingrijpend misverstand bestaat, als over Jezus’ Koninklijke waardigheid, zij den lezer gebeden, hierbij van meet af streng te willen letten op het onderscheid tusschen hetgeen aan den Tweeden |325| Persoon in de Drieëenheid, als God eeuwiglijk toekomt, en hetgeen op Christus als Middelaar voor een tijd gelegd is.

Denkt ge u de Middelaarsgestalte voor een oogenblik weg: ontdoet ge den Christus in uw gedachte van al datgene wat Hij aannam; stelt ge Hem voor u, gelijk Hij vóór de Schepping, alleen met den Vader en den Heiligen Geest was, dan natuurlijk valt alles weg, wat eerst later op Hem gelegd is en al wat uit zijn Middelaarswerk is voortgevloeid.

Hij is dan de Zone Gods en zelf God. Niets dan God. En omdat Hij God is, krachtens zijn wezen en natuur, bekleed met Almogendheid en oorspronkelijke Overhoogheid. In Hem rust dan, evenals in den Vader en in den Heiligen Geest, vanzelf en zonder eenig beding of toedoen de volle majesteit die van het Goddelijk Wezen onafscheidbaar is.

Toen nu de Schepping intrad, trad die in het aanzijn ook door den Zoon. „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God, alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en buiten hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.” „Wij hebben éénen God en Vader, uit wien alle dingen en wij tot Hem, en éénen Heere Jezus Christus, door wien alle dingen en wij door Hem.”

Als Schepper was dus ook de Tweede Persoon in de heilige Drievuldigheid over al het geschapene vanzelf en zonder eenige opdracht, absoluut souverein, te zamen met den Vader en den Heiligen Geest.

Dit Souvereiniteitsrecht bezat en bezit Hij niet „bij de Gratie Gods”, maar ongegeven; krachtens zijn wezen; omdat Hij God is. Deze Souvereiniteit is niet op Hem gelegd, om zijn Middelaarswerk, maar is gegrond in zijn Scheppingsdaad. Als Schepper doet ook de Zoon met alle schepsel naar zijn goddelijk welbehagen. Hij doodt en Hij maakt levend en Hij handelt met alle creatuur naar zijn welgevallen.

Wil men nu, bij maniere van vergelijking, ook deze absolute goddelijke Souvereiniteit met den naam van Koning uitdrukken, dan is in dien zin de Vader Koning, de Zoon Koning en de Heilige Geest Koning. Maar dan onthoude men wel, dat dit slechts figuurlijk en overdrachtelijk gesproken is, en niets gemeen heeft met het Koninklijk ambt van den Middelaar.

Een ambt onderstelt iemand boven u, die u dat ambt opdraagt. Alle ambt is een dienst of bediening, die in opdracht van een meerdere vervuld wordt. Weshalve het ondenkbaar, ongerijmd en onmogelijk is, om te zeggen, dat de Vader het ambt van Koning vervult, of ook dat de Heilige Geest het ambt van Koning vervult; en even ondenkbaar, ongerijmd en onmogelijk nu is het te zekgen, dat de Tweede Persoon, dat de Zoon, als God en Schepper, een Koninklijk ambt ontving. |326|

Bijna altoos bezigt de Schrift om deze oorspronkelijke Souvereiniteit uit te drukken dan ook een andere uitdrukking en spreekt van Heere 1). Ook de kerk zal deswege wel doen, zoo ze dit onderscheid weer scherp doorvoert, en niet van een Koninklijk ambt naar Scheppingsrecht spreekt, gelijk vele latere Dogmatische schrijvers deden; maar zuiverder belijdt, dat ook de Zoon, als God en Schepper, te zamen met den Vader en den Heiligen Geest, de Heere is, en dat Hij Koning wierd in zijn Middelaarsgestalte.

Hiermeê zijn we er intusschen nog niet.

Immers, indien we dan nu den Zoon niet als Tweeden Persoon, maar als Middelaar nemen, stuiten we nogmaals op deze schijnbare tegenstrijdigheid, dat Hij van eeuwigheid af tot Koning verordineerd en gezalfd was, en dat toch pas na zijn lijden en sterven Hem een naam gegeven is boven alle namen. Nogmaals valt hier derhalve te onderscheiden tusschen het Koninklijk ambt dat op Hem gelegd was, en zijn Verhooging aan de rechterhand Gods; twee stukken onzer belijdenis, die de kerk wel steeds uiteenhield en die ook onze Catechismus elk te zijner plaatse bespreekt, maar die niettemin bij de huidige spraakverwarring én voor veler besef én in veler prediking gedurig ineenvloeien, en die men verzuimt te onderscheiden.

Er is een Koning over Sion gezalfd. Sion nu is de kerke Gods. Sion is de herboren menschheid. Sion is de schaapskooi waarin de schapen zijner weide verzameld worden. En gelijk er nu een regiment is voor élk volk, zoo is er ook een regiment over het „volk des Heeren”, en het is Jezus, onze Middelaar, op wien dat regiment gelegd is.

Let wel: gelegd. Over Sion is tot Koning gezalfd niet de Tweede Persoon in de heilige Drievuldigheid, want deze is krachtens zijn goddelijk Scheppersrecht de heere over alle volk en dus ook over Sion. De Tweede Persoon is op zich zelf God, en God kan nooit tot iets verordineerd of gezalfd worden. Maar toen de Tweede Persoon, toen het Woord vleesch wierd en de Middelaar verscheen en de mensch Christus Jezus voor het oog des Eeuwigen stond, toen kon wel die mensch Christus Jezus gezalfd en kon wel die mensch Christus Jezus verordineerd, en kon wel, bij de gratie Gods en door God, op dien Middelaar het Koninklijk regiment over Sion worden gelegd.

En dit nu is geschied.

De mensch Christus Jezus in subject één met den Zone Gods, heeft dit |327| Koninklijk regiment over Sion niet slechts vanouds, maar in duurzaamheid ontvangen. In zijn Sion, in zijn kerk, over zijn volk komt Hem uit dien hoofde de volstrekte Koninklijke heerschappij toe. Eeuwiglijk moet de kroon bloeien op het hoofd van Davids grooten Zoon. Hij alleen draagt in de kerk het diadeem. Hij alleen is onze Wetgever. Niemand kan in Sion, d.i. in de kerk des Heeren, ooit eenig gezag over anderen bezitten of uitoefenen dan door Hem, onzen Koning.

Hij heeft tot Pilatus niet gezegd: „Ik zal straks koning worden, maar ik ben de Koning der Joden”, d.i. Koning over Sion. Hij was Koning over Sion, eer Hij uit Maria geboren wierd, en reeds in David en Salomo, die slechts typen en afschaduwingen waren, heeft de Middelaar zijn Koningschap over zijn kerk doen schitteren. Hij bleef Koning over Sion, toen Maria Hem in haar schoot droeg. Hij was Koning over Sion, toen Hij in de kribbe lag. Koning over Sion toen Hij omdoolde langs Galilea’s heuvelen en dalen. Hij is Koning over Sion geweest, toen Hij stond voor Cajaphas en Herodes en Pilatus. Aan het kruis was Hij wat boven zijn kruis stond: de Koning der Joden. En zelfs toen Hij in het graf rustte was de Koning over Sion in de grafspelonk neêrgelegd.

Dit koningschap over Sion is na Jeruzalems val op de wereldkerk overgegaan, en op dien grond belijden de geloovigen, dat het revolutie, dat het opstand, dat het meer dan muiterij tegen de ordinantie Gods en het koningschap van Christus over Sion is, indien zich in zijn kerk een andere macht als wetgevend opwerpt, en dat schuldig voor den Heere staat, al wie met deze macht heult, of er zich aan onderwerpt.


Hiermeê nu hangt saâm dat de Christus tevens is: het Hoofd der gemeente. Deze eeretitel mag met dien van Koning over Sion niet worden verward, overmits beide hun eigenaardige beduidenis hebben.

Koning toch duidt aan een opgelegd ambt en sluit in zich de macht die aan den voerder van het regiment over zijn onderdanen gegeven is. Hoofd daarentegen is een uitdrukking, die doelt op het organisch verband waarin de leden van een lichaam bestaan. De geroepenen des Heeren vormen niet slechts een volk, dat een Koning over zich heeft, maar ze vormen ook te zamen één lichaam. Lichaam nu duidt op organisch levensverband en wil hier zeggen, dat de Middelaar niet maar over ons gesteld is, maar ons in organisch levensverband met zich zelven plaatst.

Hiertoe doet hij tweeërlei: Vooreerst nam Hij, om dit organisch levensverband mogelijk te maken, onze natuur aan en wierd den broederen in alles gelijk. En ten anderen vervormt Hij door zijnen Heiligen Geest al zijn broederen en verlosten naar zijn evenbeeld. En door twee: door |328| de vleeschwording van het Woord en door de gelijkmaking van de verlosten aan het beeld des Woords, ontstaat nu die organische eenheid van het lichaam, waar door de verlosten saâm zijn „vervulling” of pleroom worden, en hij hun Hoofd is.

Nu bestaat het verschil tusschen een Koning en een Hoofd hierin, dat ook wel het Hoofd schikt en richt en stuurt, maar inwendig, terwijl een Koning bestuurt uitwendig door de wet en door het geweld.

Hoe nauw beiden dus ook aan elkaâr raken, toch duiden beiden iets wezenlijks onderscheidens uit. Als Koning is de Middelaar gezalfd over Sion en regeert Hij de kerk als eenheid. Maar als Hoofd is de Middelaar aan de gezamenlijke leden des lichaams gegeven, om heel het lichaam en in dat lichaam al de leden inwendig te sturen en te richten en te schikken door zijn Geest.

Wanneer men dus in onze dagen er op wijst, dat Jezus meest „Hoofd der gemeente” genaamd wordt, en op dien grond de synodale hiërarchie verdedigen wil, begaat men dezen misslag, dat men het Koning-zijn van den Middelaar over Sion voor niets rekent, en alzoo wel van den Middelaar als Hoofd des lichaams de geestelijke sturing en schikking wil ondergaan, maar tegelijk dezen zijnen geestelijken Weldoener de kroon van het hoofd stoot en Hem in zijn Koninklijk ambt miskent.

„Hoofd der gemeente” drukt niet het ambt uit, maar de organische beteekenis van den Middelaar onder de leden van het ééne Lichaam. Zijn ambt daarentegen is dat hij Koning over Sion is. Niet als Hoofd der gemeente, maar als Koning over Sion is Hij van den Vader verordineerd en gezalfd.


Hiermeê is echter dit stuk nog niet ten einde gebracht.

Immers nu zagen we wel, waarom Hij, evenals de Vader en de Heilige Geest, krachtens Scheppersrecht de Heere over alle creatuur is. Ook in de tweede plaats, waarom Hij als Middelaar Hoofd der verlosten in het Lichaam is. En dan in de derde plaats, waarom Hij als Middelaar en Hoofd der verlosten, tevens gezalfd Ambtsdrager en Koning over Sion is. Maar hebben nu in de vierde plaats nog te spreken over zijn verhooging.

Breedvoeriger komen we op dit punt terug bij zijn „zitten aan Gods rechterhand”, maar moeten, om aan de bestaande spraakverwarring een einde te maken, dit stuk van Jezus’ koninklijke eere toch ook hier kortelijk ter spr ake brengen.

Er is namelijk aan Jezus, onzen Middelaar, als Hoofd des Lichaams, nog iets anders gegeven dan het Koninklijk regiment over Sion. Hij is ook uitermate zeer verhoogd en „hem is gegeven een naam boven allen naam, |329| opdat in den Naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen die in den hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn”, of gelijk in Eph. I : 20 staat: „Hij is gezet aan de rechterhand Gods, verre boven alle overheid en macht en kracht en heerlijkheid en allen naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende, zoodat alle dingen zijn voeten onderworpen zijn.” Weshalve Hij ook genaamd wordt: Koning van de Koningen der aarde.

Ook hiermeê nu is niet bedoeld de Overhoogheid die Hem als den Almachtige krachtens zijn Godheid toekomt, want aan de Godheid kan nooit iets toegevoegd noch ook iets ontnomen worden, en toch leert I Cor. XV : 24 duidelijk, dat de Middelaar van deze onmetelijke heerschappij eens weer afstand zal doen, om ze aan God en den Vader over te geven.

Ook ziet dit niet op zijn „Hoofd-zijn der verloste gemeente, die de vervulling is desgenen die alles in allen vervult”, want in Eph. I : 22 wordt dit „Hoofd-zijn over de gemeente” uitdrukkelijk als iets afzonderlijks vermeld.

En ook vloeit dit niet voort uit zijn „Koning-zijn over Sion”, want noch de engelen, noch de duivelen zijn in het Koninkrijk van Sion begrepen.

Neen, dit verhoogd worden, tot Koning der koningen, en tot aangesteld Machthebber over alle creaturen in den hemel, op de aarde en onder de aarde, is een nieuwe waardigheid, een nieuw ambt, dat aan hetgeen de Zoon als Middelaar reeds bezat, opzettelijk is toegevoegd, en toegevoegd uit tweeërlei oorzaak.

Vooreerst als loon na lijden, als kroon na kruis. Paulus zegt het zoo sterk mogelijk: „Daarom heeft Hem God uitermate zeer verhoogd,” omdat Hij gehoorzaam geworden was tot in den dood, ja den dood des kruises.

Koning over Sion was Hij reeds vóór zijn kruis en aan het kruis, tot Machthebber over de geheele schepping is Hij eerst aangesteld na zijn kruis, als loon voor zijn verlossingswerk.

En ten tweede, hij moest ook dat tweede Koningschap over alle schepsel ontvangen, omdat Hij alleen zóó in staat zou zijn, om zijn Koningschap over Sion uit te voeren. Sion stond niet geïsoleerd. De kerk staat niet buiten de wereld, maar in de wereld. Ze is vervlochten in het leven der natiën en der volken, ze is ingestrengeld in de machten der duisternis en het leven der engelen. En daarom kan het regiment over Sion niet uitgevoerd of Sions Koning moest ook al deze machten aan zich dienstbaar kunnen maken.

Dit nu was geen onnatuurlijke saâmvoeging van ambten, overmits Sion in oorspronkelijk verband met de wereld en haar volken haar machten |330| staat, en (zie Ps. II) in zijn Koning aan het hoofd der volken gesteld was.

Zoo gaat dus het Genadewerk tot in het Scheppingswerk terug, en de band die in de Schepping gelegd, maar door de zonde losgerafeld was, komt in het koninkrijk der genade terug.

Ja, meer nog, gelijk de band van Sion aan de wereld in de Schepping ligt, zoo ligt ook de band tusschen het „Hoofd-zijn der gemeente”, het „Koning zijn over Sion” en de Verhooging tot souverein over alle creatuur in het oorspronkelijk Schepperzijn van den Zoon.

Alleen omdat de Middelaar Gods Zoon en zelf God was, kon Hij als mensch als onzer één en onze broeder, zijn alomvattende souvereiniteit over hetgeen in den hemel, op de aarde en onder de aarde is, ambtelijk dragen bij de gratie Gods.




1. Bedoeld is hier natuurlijk niet de verbondsnaam Jehovah, maar de naam Adonai.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002