Zevende Hoofdstuk.

Doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen.

Jes. 53 : 6.


Komen we thans tot het Priesterschap van den Christus zelven. Sedert Adam in het paradijs viel, was er geen priester, die voor God bestaan kon, |319| op aarde geweest. Immers niet alleen de offerande die op het altaar komt, maar ook de priester die het offer toewijdt, moet smetteloos rein en heilig zijn, of de offeranden die God eeren wil, krenkt en beleedigt den Almachtige.

Zoo nu stond Adam in het paradijs. Hij was een onzondig priester en had een nog onzondige offerande te offeren. Maar toen hij viel, was dit uit. Hij als priester was onrein van hart, van lippen en van hand geworden, en de offerande die hem te brengen overbleef, was bezoedeld. Alle poging daarna aangewend, om toch te offeren, liep dan ook teniet. In Melchizedek was dit verdorrend priesterschap het laatst gezien, en, eerst toen God Aäron riep, kwam er weer een priesterschap van aannemelijke gestalte. Edoch slechts in beeld, niet wezenlijk; wel den schijn en de schaduw dragende, maar niet de zaak zelve. Een dier, omdat het buiten zonde ligt, kwam voor den zondigen mensch in steê, en de priester die zondaar en die onheilig was, wierd ceremoniëel Levietisch geheiligd.

Van het paradijs tot Golgotha is het priesterschap dus slechts in gebrekkligen, schaduwachtigen vorm gezien, en eerst op Golgotha is het weer uitgekomen. Dit worde echter niet zóó verstaan, alsof in de eeuwen die daartusschen liggen het priesterschap braak had gelegen, en alsof Christus het pas in de volheid des tijds ontvangen had. Dit is zoo niet. Hij was reeds van eeuwigheid van God verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd, niet enkel tot onzen hoogsten Profeet, maar ook tot onzen eenigen Hoogepriester, en al wat door de patriarchen of Aäron en de zijnen in het priesterschap verricht is, hing van den aanvang af van dit ééne priesterschap van Jezus. Zoodra Adam viel en dus als priester ontpriesterd wierd, trad de Middelaar als priester voor hem in de plaats. Ook reeds in het paradijs is noch Adam noch Eva behouden, dan eeniglijk door het geloof in dit van hén afgeschovene en op den Middelaar overgebrachte priesterschap.


Is dit helder ingezien, dan verstaat men tevens dat Christus niet Aärons, maar Melchizedeks priesterschap bezat. Bedenkt toch wel, dat, wie het anders vat en Christus in het pas later ingestelde Aäronietisch priesterschap laat intreden, voor de geloovigen die van het paradijs tot op Aäron geleefd hebben, een anderen weg ter zaligheid ontsluit die buiten Christus omgaat.

Is daarentegen de Middelaar de van God verordineerde en met den Heiligen Geest gezalfde priester reeds in het paradijs, dan spreekt het vanzelf dat hij niet anders dan dát priesterschap kon bezitten dat in |320| Melchizedek nabloeide; en dat hij Aärons briesterschap, wel verre van het over te nemen en te bestendigen, afschafte en tot zijn einde bracht. Als Christus zoo gedurig er van spreekt, dat hij „de waarheid is”, dat wij „de waarheid moeten doen”, dat hij „Koning in het rijk der waarheid is”, en wat dies meer zij, dan moet ge dit nooit wijsgeerig verstaan, maar moet dit verklaard worden uit de tegenstelling met de schaduwen en ceremoniën.

De dienst der schaduwen was het omgekeerde van de waarheid, en slechts het afgietsel, de schijn er van. En de Middelaar die thans kwam, om die schaduwen af te schaffen en te vervullen, was dus in tegenstelling met dien ijdelen schijn en die afbeeldende schaduw de waarheid zelve der dingen.

Aärons priesterschap is nooit anders dan een schilderij aan den wand geweest, en toen nu de echte priester, wiens beeld dat schilderstuk uitdrukte, zelf kwam, had dus heel Israël zich terstond van het schilderstuk naar den man dien het afbeeldde moeten wenden. Doordat het dit niet deed, toonde het, dat het zijn schilderij aan den wand niet eenmaal verstond en er het geestelijke beeld van den Middelaar niet in gelezen had. Vandaar dat dit schilderstuk ten slotte met geweld van den wand gerukt en vernietigd moest worden. Het voorhangsel des tempels scheurde. De tempel is in vuur verbrand. En de priesterlijke tabbaard van Cajaphas is spoorloos verdwenen.


Welke was nu de taak die op den Christus als priester rustte? Over dit punt is door alle eeuwen heen veel getwist en zelfs nog op de Synode van Dordt en daarna bestond hierover verschil van gevoelen o.a. tusschen Maccovius en Wallaeus, de destijds zoo kundige hoogleeraren te Franeker en te Leiden.

Dit geschil ontspon zich naar aanleiding van de woorden, die thans in art. 22 van onze Confessie aldus luiden: „Maar Jezus Christus, ons toerekenende alle zijne verdiensten en zoo vele heilige werken, die hij voor ons en in onze plaats gedaan heeft, is onze rechtvaardigheid.”

Men was het er namelijk geheel over eens, dat Christus gestorven was voor onze zonde en nu leefde om voor ons te bidden. De lijdelijke voldoening en voortredinge bij den Vader stond vast. Daar wierd niet aan getornd. Maar wel kon men het niet recht eens worden over de vraag of de Christus ook de wet voor ons volbracht had, en of derhalve ook zijn heilig leven plaatsbekleedend voor ons was geweest.

Zeer terecht triomfeerde in onze Confessie het gevoelen dergenen, die dit beaamden, en sinds is dit dan ook belijdenis van onze kerken gebleven. De kerk belijdt én de lijdelijke én de dadelijke gehoorzaamheid van den |321| Christus. Maar toch, hoewel men het beleed, er bleef nog altoos een sluier over liggen, en met name uit de prediking des Woords, en dientengevolge uit het geloofsbewustzijn der kerken, was dit stuk der belijdenis schier geheel weggevloten, tot Kohlbrugge met name dit gewichtig stuk weer aan de conscientie aanbeval.


De nevel die over dit stuk zweven bleef verklaart zich daaruit, dat men de rechte verhouding en beteekenis van het priesterschap van Melchizedek en Aäron niet inzag. Omdat men van Aärons priesterschap in de Schrift des O.V. zoo veel en van dat van Melchizedek zoo weinig las, is men ongemerkt het priesterschap gaan opvatten, alsof het in hoofdzaak op de verzoening van zonde doelde, en zag ganschelijk voorbij, hoe het priesterschap, geheel afgescheiden van de zonde, reeds in het paradijs bestond, als ingeplant in ’s menschen natuur. Wat geheel bijkomstig was, is men zoodoende voor het wezen der zaak gaan aanzien, en hierdoor wierd de rechte blik op het priesterschap van den Christus geheel onmogelijk.

Uiteraard had nauwkeuriger bestudeering van de Heilige Schrift voor deze dwaling kunnen behoeden; maar natuurlijk was anders deze dwaling in ons, zondaren, wel.

Als een ziel eindelijk, eindelijk dan toch door de ontzaglijkheid van Gods heiligheid wordt aangegrepen, is de zonde haar zóó het schriklijke monster, waardoor ze zich benauwd gevoelt, dat het onnatuurlijk zou zijn, zoo ze bij den Middelaar niet bijna uitsluitend het rantsoen ging zoeken. Om een rantsoen voor haar zonde is het zulk een ziel dan te doen. Als ze van haar doernschuld maar bevrijd kan worden, is ze er. Een Goël, een Verlosser, een Borg zoekt ze voor haar behoudenis.

Op die manier treedt derhalve de Verlossing van zonde geheel eenzijdig op den voorgrond en vat de onjuiste gedachte post, dat, zoo de ziel maar van zonde verlost kan worden, zij het overige en het verdere wel zelve zal doen.

Toch is deze dwaling der eenzijdigheid in hooge mate bedenkelijk. Immers op die wijs wordt uw religie niets dan een soort heilsinstituut om zondaren te redden, en staat uw zaligheid en niet de eere van Gods naam op den voorgrond. Zoodra toch, in zuiver Gereformeerden zin, de religie weer wordt: „Gode zijn eere geven”, is alle verzoening nog niets dan het wegnemen van wat door de zonde tusschenin kwam, en komt daarna eerst heel de breede en alomvattende vraag, hoe Gode de eere van zijn schepsel toekomt.

Vandaar dat we zoo uitvoerig over het paradijs, over Melchizedek en over Aäron spraken, overmits zóó alleen de weg gebaand is tot een klaar inzicht, waardoor deze noodlottige dwaling bij den wortel wordt afgesneden. |322|

Is toch het priesterschap gegrondvest in ’s menschen schepping en bestemming in het paradijs, nog eer er van zonde sprake viel; en bestond het oorspronkelijk eeniglijk in de volkomene toewijding van heel onzen persoon en heel ons aanzijn en al onze genegenheden aan de eere Gods, dan voelt ge terstond, hoe met de offerande van het Lam van God voor onze zonde, de taak van den priester die voor ons intreedt, nog volstrekt niet is afgeloopen.

Neen, zijn taak is een dubbele.

Ons priesterschap eischt vooreerst, dat we Gode ons zelven geheel ten offer wijden, en voorts, dat we, nu we zondaars wierden, bovendien deze gruwelijke schuld onzer zonde boeten door den eeuwigen dood.

Door niets minder kan aan de eere Gods voldaan worden.

Zijn recht is 1º. dat we Hem met heel ons aanzijn toegewijd zullen wezen; en 2º. dat voor alle schuld straf gedragen worde. Al is dus de straf, die ons den vrede aanbrengt, op den Middelaar gekomen, daarmee is het priesterschap nog volstrekt niet gekweten, maar blijft nog dat andere open, dat eigenlijk het oorspronkelijke was, t.w. dat wij Gode nu ook de toewijding van heel ons aanzijn wijden, niet slechts van nu af, maar ook voor het verleden.

Niet enkel, om het kortheidshalve alzoo uit te drukken, niet enkel de schending der wet moet geboet, maar ook de eisch van den inhoud der wet moet volbracht worden. Wie voor achterstalligheid in betaling beboet wordt, is met die boete volstrekt niet van de betaling zelve af.

Dienovereenkomstig belijdt dan ook onze Catechismus in vraag 60: „als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft”, en staat ons te belijden, dat onze Middelaar volstrekt niet alleen het rantsoen voor ons betaald, maar ook wel terdege de wet voor ons volbracht heeft. En niet genoeg kan het valsche denkbeeld bestreden, alsof de Christus alleen voor onze zonden gestorven ware, opdat wij dan nu zelven de wet volbrengen zouden. Deze valsche voorstelling toch, die onder alle Arminiaansche schakeeringen der Christenheid, en ook nu weer onder de Ethischen, schering en inslag is, ziet voorbij: 1º. dat we nooit voor het verleden volbrengen kunnen wat toen ongedaan bleef; 2º. dat ons wandelen in de wet na onze bekeering genade van God is („Ik zal maken, dat gij in mijn wegen wandelt”, „de goede werken die God voorbereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden”); en 3º. dat zulk een voorstelling een weeroprichting van het Werkverbond in het Verbond der Genade is.


Toch valt licht in te zien waarin hier de feil school: men vatte namelijk |323| het plaatsbekleedende van den Middelaar te uitwendig op, en kwam daardoor tot de zoo door en door verkeerde voorstelling alsof de Middelaar een individu naast andere menschelijke individuën was; iets waar natuurlijk terstond uit volgde, dat zulk een menschelijk individu de wet voor zich zelf had te volbrengen, en het dus voor ons niet kon. Een redeneering die op dat valsche standpunt volkomen juist en onweersprekelijk is.

Van meet af heeft daarom onze Gereformeerde kerk er zoo dringend tegen gewaarschuwd, dat men toch in Christus geen mensch naast andere menschen zou zien, en nooit zou zeggen, dat de Zoon van God een menschelijken persoon, maar alleen dat hij onze menschelijke natuur heeft aangenomen.

De Middelaar is en blijft onveranderlijk de Zoon van God, en overal waar Hij optreedt, treedt niet een menschelijke persoon op, die tevens Zoon van God is, maar treedt op de Zoon van God in onze menschelijke natuur, naar ziel en lichaam beide.

Ware het een rnenschelijk persoon geweest, dien de Zoon aannam, dan hadden de Neo-Kohlbruggianen gelijk, dat Hem ook onze schuld uit Adam wel moest zijn toegerekend; en hadden de Irenischen gelijk, dat Hij voor zich zelf de wet volbracht heeft; en hadden de Modernen gelijk, dat het strijdt met alle recht, om een onschuldig persoon voor een schuldig persoon te laten sterven.

Heel deze voorstelling is dan monstrueus.

Neen, de eenige en natuurlijke Zoon van God nam onze menschelijke natuur aan; niet gelijk die natuur aan één individu, maar gelijk ze aan heel ons menschelijk geslacht behoort; en uit dien hoofde nu kon hij nooit anders dan in alles plaatsbekleedend voor ons staan. Want al wat Hij deed, deed onze menschelijke natuur in en door Hem, en dus kon Hij ook voor zich zelf de wet niet volbrengen, maar wierd ze in en door Hem volbracht voor onze menschelijke natuur.

Verderop in den Catechismus komt dit breeder ter sprake; genoeg, zoo hier maar reeds verstaan is, hoe een valsche leer aangaande den Christus hier alles verdorven heeft, en hoe terugkeer tot de zuivere, alleen waarachtiglijk vertroostende belijdenis eerst dan mogelijk is, als de gronddwaling die in den Middelaar een menschelijken persoon naast de andere menschelijke personen ziet, met tak en wortel is uitgeroeid.

De plaatsbekleeding is bij den Middelaar niet een inbreuk op het recht en ook niet een eigenwillige aanbieding van den eenen mensch voor den ander, maar uitvloeisel van Gods wil. Hy heeft Hem verordineerd. Hy heeft Hem krank gemaakt. Onzer aller ongerechtigheid heeft Hy op Hem |324| doen aanloopen. En om dit mogelijk te maken, wrocht Hy het wonder der vleeschwording, hierin bestaande dat de Zoon in onze menschelijke natuur inging, die zuiverlijk aannam en voor ons droeg.


En eindelijk, omdat in den Middelaar onze menschelijke natuur voldeed en volbracht, spreekt het dan ook vanzelf, dat met deze ééne offerande allen volmaakt zijn. Noch vóór noch na Hem kan hier ooit iets aan toegevoegd. Alles vloeit uit dat ééne priesterschap en Gods kinderen als priesters en priesteressen doen niet iets bij hetgeen de eenige Hoogepriester deed, maar zijn priesters en priesteressen in, onder en door Hem.

Dit eenige, dit uitsluitende, dit onvergankelijke en algenoegzame karakter van zijn priesterschap spreekt zich in zijn voorbidding uit; een stuk, dat onafscheidelijk er bij hoort. Had Hij toch na zijn hemelvaart onze menschelijke natuur weer afgelegd, dan zou op eenmaal weder al de vrucht van zijn vleeschwording voor ons teloor zijn gegaan. Zoo blijft Hij dan en leeft in ons menschelijk vleesch bij God, om bestand en duurzaamheid te geven aan wat Hij voor ons deed. Niet wij geven er door het Avondmaal bestand en duurzaamheid aan, gelijk Rome het in haar bediening van de Mis wil, maar Hij leeft om dat zelf te doen.

En dit is het, dat Hij niet maar nu en dan voor ons bidt, maar om voor ons te bidden éénmaal met zijn eigen bloed is ingegaan in het voorhangsel, en nu leeft, d.w.z. leeft en leven blijft in die menschelijke natuur die Hij aannam. Want natuurlijk als God leeft Hij vanzelf eeuwiglijk. Dat hoefde er niet bij gezegd.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002