Zesde Hoofdstuk.

De wet stelt tot hoogepriesters menschen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, die in der eeuwigheid geheiligd is.

Hebr. 7 : 28.


Een vorig hoofdstuk deed de heerlijkheid van Melchizedeks priesterschap boven dat van Aäron uitkomen. Zien we dan nu, wat van Aärons priesterschap te oordeelen zij.

Op den voorgrond sta daarbij ook hier, dat alle priesterschap is de toewijding van ons geheele bestaan en zijn en persoon en gaven en bezittingen aan den Heere Heere, die ons geschapen en geformeerd heeft en uit dien hoofde absolutelijk over ons heeft te beschikken. In den raad des welbehagens en der verkiezing grijpt die absolute beschikking van God over ons met al wat we het onze noemen, feitelijk plaats, maar in het priesterschap eerst komt het tot een volmondige en daadwerkelijke erkenning onzerzijds, dat die absolute beschikking goed en recht is en ons zijn en doen moet bepalen.

Zoo is dus, en dit houde men toch strak vast, zoo is dus het priesterschap niet om de zonde noch eerst na de zonde ontstaan, maar gegrond in onze natuur en eeuwig bij ons hoorende. Eerst wie priester wierd en blijft is waarachtiglijk mensch, den beelde des Zoons gelijk, en beantwoordt aan de bestemming, waartoe God hem schiep. Immers priester zijn is Gode de eere geven, eere geven aan God den Heere alleen. |313|

Nu heeft wel dit priesterschap door en om de zonde wijziging ondergaan, doordien het priesterschap van een zondaar er in bestaat, wel dat ook hij zich aan God geeft, maar dat hij dit als zondaar doe, door zich willig in den eeuwigen dood te werpen en alzoo aan Gods gerechtigheid de eere te geven. Zoo is dan het priesterschap voor een zondaar tot den dood, gelijk het voor den van zonde vrijen mensch een priesterschap is ten leven.


Dit wel verstaan zijnde, dient nu aanstonds vastgesteld, dat Aärons priesterschap niet bij Melchizedeks priesterschap bijkwam, maar het tijdelijk verving, totdat het in en door het vleeschgeworden Woord hersteld zou worden.

Melchizedeks priesterschap liep door de zonde teniet en vernietigde zich zelf. Zijn priesterschap strekte, om zich zelven en al het zijne absolutelijk Gode te wijden; maar hoe kon hij dit, hij, de zondige, die zelf zondaar, al het zijne met de smet zijner zonde verdierf? Wat kon hij Gode toebrengen waar bij zelf, en al wat hij het zijne noemde, voor God een reuke van ontbinding en dood en verderf aan zich had? Hoe kon hij het Gode wijden met een reine beweging des harten, waar alle opwelling zijns harten een opborreling van zonde was? En ook hoe kon hij zich zelven Gode toewijden, waar hij, de offeraar, zelf onrein van lippen, van hart en van hand was? Bovendien, hij was zondaar. Zijn zonde krenkte Gods gerechtigheid. Hij stond in schuld. Die peilloos diepe schuld voor God moest gebeterd, moest verzoend, moest uitgedelgd worden. En nu, hoe kon de zondaar Melchizedek dit, die, wierp hij zich in den eeuwigen dood, om den zoen aan Gods recht te betalen, dan ook eeuwiglijk in dien dood verslonden wierd?

Zooals Melchizedek daar stond, bloedde zijn priesterschap dus dood. Hij toonde nog hoe het zijn moest maar hij was het niet meer. Na Adam voor den val had er geen enkel mensch voor God als priester gestaan, die waarlijk het priesterschap voor den Heere vervullen kon.

Melchizedek stond er als een lamp die uitging, als een uitgebrand huis, nog toonende wat het eens was en na weeropbouwing weer worden zou, maar zelf gaf Melchizedeks priesterschap geen troost meer. Melchizedek kon niet verzoenen.


Daarom nu beschikte de Heere het aldus, dat Melchizedeks priesterschap tijdelijk gestuit en geschorst werd, om eerst later in het Lam Gods weer op te komen en voleind te worden.

Dit geschiedt echter niet zoo, dat er nu niets overblijft en een tijdlang |314| alleen een ledig, een ontstentenis van het priesterschap gezien wordt maar zóó, dat er thans een ander priesterschap tijdelijk voor in de plaats treedt, en dit nu is het priesterschap van Aäron.

Het allereerste verschil nu tusschen dit priesterschap van Aäron en het oorspronkelijke in het paradijs ingestelde priesterschap bestond hierin, dat het niet wezenlijk was.

Al die vormen en plechtigheden en ceremoniën en symbolische handelingen, waarin dit priesterschap opging, misten alle wezenlijke waarde. Ook al had men tienmaal meer bokken en kalveren geslacht, nooit had deze breede stroom van dierenbloed ook maar één menschenziel kunnen verzoenen of rein wasschen. Dit is het wat de profeten zoo telkens uitroepen. Israël mocht niets wezenlijks in die priesterlijke bediening zien. Wie dat er in zag, zag niet naar den Messias uit, die loochende den Christus. Vandaar dat de heilige apostel het nogmaals zoo duidelijk uitspreekt: „Het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonde wegneme” (Hebr. X : 4).

Dit vatte en versta men dus wel, om het nimmermeer uit het oog te verliezen. Aärons priesterschap is geen wezenlijk priesterschap, maar slechts het schaduwbeeld er van. Wat natuurlijk niet zeggen wil, dat derhalve de geloovigen in Israël geen verzoening erlangden, want dat leert de Heilige Schrift wel anders. Maar de verzoening die ze erlangden kwam hun niet toe uit Aärons priesterschap, maar alleen uit het priesterschap van Melchizedek, gelijk Christus dit bedienen zou. Ze konden zonder ons niet volmaakt worden en hebben daarom de belofte niet verkregen (Hebr. XI : 10). En al hun verzoening berustte dus op het geloof in den Christus, wiens persoon en werk hun in Aärons priesterschap wierd voorgebeeld, afgeschaduwd en in aanschouwelijke trekken voor oogen gesteld.


Een tweede karaktertrek van Aärons priesterschap is dat het van den mensch als mensch het priesterschap overbrengt op een bepaald geslacht, het bindt aan een tijdrekening en geslachtsrekening en erfelijk in een familie wordt.

De zin hiervan is, om den mensch te leeren, dat hij, door zondaar te worden, zijn recht, en zelfs de mogelijkheid om priester te zijn en zich Gode toe te wijden, verloren heeft.

Dit is een hard stuk om te leeren. Ook na zondaar te zijn geworden vindt een mensch zich zelven zoo beminnelijk, dat hij niet inziet, waarom hij zich, zooals hij is, Gode niet kan toewijden. Dat moet hem dus ingeprent en geleerd worden. En nu kiest God een volk uit en geeft |315| aan allen man in dit volk het zegel der gerechtigheid in de besnijdenis; maar na hen nu alzoo verkoren en gezegeld te hebben, zegt de Heere alsnu tot hen: „U, gelijk ge daar nu staat als mijn verkorenen en mijn gezegelden, u sluit ik, om uw overtreding, na u eerst geroepen te hebben van mijn priesterschap uit. Gij kunt het niet bedienen.”

Het diepe van deze vernedering springt in het oog. Als zelfs het uitverkoren en besneden volk geen priesterschap meer vervullen kon, wie dan? Zoo ligt dus alle mensch, die zondaar wierd, hiermee in zijn smaad en verwerping van het priesterschap neder.

En opdat dit nóg sterker zou uitkomen, en niemand wanen zou, dat Aäron zelf ten minste krachtens eigen persoonswaardigheid priester zou kunnen zijn, wordt alles er op ingericht om den persoon tot niets te herleiden.

Daarom wordt het priesterschap erfelijk. De onbeduidendste en minste naneef van Aäron kon priester zijn, terwijl de vroomste en heiligste man uit Juda voor altoos was uitgestoten.

En meer nog.

Als nu iemand priester wierd, dan liet God de Heere hem ceremoniëel eerst zoo rein wasschen, en zalven en andere kleederen aantrekken en het bloed voor hem sprengen, dat ieder zien kon: het is niet om wat in dien man is, maar niettegenstaande zijn onbekwaamheid en onreinheid, om Gods roeping.

En opdat dit alleszeggende feit nimmer vergeten kon worden, moest die reiniging telkens bij den priesterdienst herhaald, en gedurig eerst voor den priester zelven bloed gestort worden.

Zoo wist men dus: 1º dat dit schaduwachtig priesterschap niet wezenlijk was; en 2º dat alle mensch, die zondaar wierd, hierdoor vanzelf uit het priesterschap uitgevallen en voor de bediening er van onbekwaam was.


Ten derde zij opgemerkt, dat Aärons priesterschap volstrekt niet alleen een priesterschap der Verzoening was.

Dit wordt vaak zoo gemeend en opgevat, en het is zelfs licht begrijpelijk dat men, omdat er onder zondaren altoos offerande voor de zonde bijkwam, hierdoor zijn aandacht uitsluitend liet boeien.

En toch, het is niet zoo.

Ongetwijfeld is er in de bediening van Aärons schaduwachtig en voorbeeldend priesterschap een zeer breede plaats aan de bediening der verzoening ingeruimd, maar toch, hieraan gaat zijn priesterschap volstrekt niet op. |316|

Wie slechts even denkt aan de toonbrooden, aan de dankoffers, aan het offer van graanvruchten op Paschen en Pinksteren en zooveel meer, herinnert zich terstond, hoe er metterdaad achter deze bediening der verzoening nog een geheel andere bediening in dit priesterschap ligt. Denkt ge u dan ook een oogenblik deze bediening der verzoening weg, dan vervalt hiermeê Aärons priesterschap niet, maar blijft er juist datgene van over, wat in het paradijs voor den val bestond, wat er het wezenlijke, het eigenlijke van is, datgene wat ook eeuwig in de hemelen duren kan.

Al wat om en door de zonde in de priesterlijke bediening geschiedt, is bijkomstig, is tijdelijk, is helpend om den misstand weg te ruimen, maar als ge u dit alles wegdenkt, dan ligt achter dit alles, en blijft dus en komt juist uit, dat door God oorspronkelijk in het priesterschap gelegde: de toewijding met heel het hart aan den levenden God.


En eindelijk, dit priesterschap van Aäron was tegelijk profetisch en toch werkelijk.

Het was profetisch, in zooverre het overal en op elk punt den mensch, die zondaar wierd, in zijn nood en dood neerwerpt en in zijn ongerechtigheid en onbekwaamheid ten toon stelt, maar om te wijzen op den Onzondigen mensch die komen, en eens jubelen zou: „Zie, ik kom om uw wil te doen. In het boek der Wet staat van mij geschreven!” (Ps. XL : 10.)

Onder Aärons priesterschap staat een mensch beneden een dier. De mensch is onrein. Hij mag niet tot het altaar naderen. En als er God dan toch iets gebracht zal worden, dan verkiest de Heere een bok of een var of een ram. Vergelijkenderwijs was die bok en die ram Gode aangenamer dan zulk een zondaar. Vandaar dat in heel Aärons priesterschap de mensch steeds en onveranderlijk als vervuild, als besmet, als walgingwekkend voorkomt, terwijl de dieren er nog mee door kunnen.

Streng en scherpelijk breekt daarom Aärons priesterschap alles, alles in den mensch af. Er is niets geheels aan hem. Hij wordt in elke ceremonie onwaardig verklaard.

Maar terwijl nu de menschen gelijk ze daar aankomen, één voor één in zich zelven vernietigd en als onwaardig ten toon gesteld worden, toont het priesterschap van Aäron nu evenzeer, dat toch het dier slechts bij manier van representatie optreedt, en dat het toch te doen is om een mensch. En dit nu is de profetie in heel dit priesterschap. Alles heeft in dit ceremoniëel geheel slechts ééne roepstem, een stemme die roept om het heilig Godslam.

Tegelijk echter bezit het werkelijke kracht. Niet wezenlijke wel werkelijke |317| kracht. Dat beduidt, dat er uit het wezen van deze ceremoniën niets tot vertroosting kwam, omdat er niets in hun wezen inzat, maar dat ze niettemin daadwerkelijk vertroosting aanbrachten, omdat God de Heere er die, op beding van geloof, aan had gehecht.

Zoo wierd dus tweeërlei doel tegelijk bereikt. De Christus wierd geprofeteerd. Om hem riep alles. En toch wierd tegelijkertijd de vertroosting aan wie geloofde door het instrument dezer ceremoniën toebedeeld.


Het gezegde saamvattende komen we dus tot deze slotsom:

1º. In het paradijs, bij de schepping zelve, heeft God de Heere het priesterschap in ’s menschen wezen zelf ingeplant; welk priesterschap daarin bestond, dat de mensch alleen uit God zijn inspiratie ontving en alleen voor God, in de toewijding van heel zijn hart en al wat zijns was, leefde.

2º. De zonde zelve is de verbreking van dit priesterschap. De aftrekking van het hart van God. Het ontnemen aan God van zijn eere. ’s Menschen roof van zijn eigen persoon om niet Godes te zijn, maar zichzelf te bezitten.

Hieruit nu wordt deze toestand geboren, dat eenerzijds alle priesterschap wegvalt, en dat het anderzijds een verdubbeling van taak ontvangt. Immers bestond het priesterschap oorspronkelijk alleen in de toewijding van heel ons zijn en heel onzen persoon aan God, nu kwam er de taak bij, om eer dit weer kon, de zonde tegen Gods hooge majesteit te verzoenen en te beteren.

3º. De zondaar, die reeds geen priester meer zijn kon in de oorspronkelijke beteekenis, was uiteraard nog veel minder in staat, om ook deze tweede taak te vervullen. Bij al zijn pogen om zich op te houden en priester te blijven, moest dus zijn priesterschap wel ondergaan.

Het besef van de roeping, om priester te zijn, en de poging om het priesterschap des Allerhoogsten te blijven hooghouden, treedt dies het laatst in Melchizedek op. Wat in hem gezien wordt is een ruïne, is een gedroogd en uitgeklopt boomblad, maar met dat al is het nog altoos de nabloeiïng van het wezenlijke, in onze natuur gegronde priesterschap.

4º. Overmits echter dit priesterschap reeds terstond na den val, hoezeer ten volle wezenlijk, nochtans door de zonde alle kracht verloren had om vrucht te dragen, heeft nu God de Heere den Messias verordineerd, om in de volheid des tijds dit gezonken en machteloos geworden priesterschap, dat het laatst in Melchizedek naflikkerde en daarna |318| uitging weêr op te richten en in zijn schoonheid, en volkomenheid te toonen.

5º. Middelerwijl echter heeft God de Heere, om aan de bestaande machteloosheid van dit priesterschap naar Melchizedeks ordening een einde te maken, het betere priesterschap in Melchizedek te profeteereh en voor te bereiden, en inmiddels de zielen der geloovigen te troosten, ingesteld het tusscheninkomend priesterschap van Aäron, dat niet wezenlijk was, maar slechts schaduwachtig en ceremoniëel.

6º. Dit priesterschap van Aäron verving, zij het ook slechts in schaduwen én het oorspronkelijk ingestelde priesterschap én het priesterschap der verzoening, en kwam dus niet bij Melchizedeks priesterschap bij, maar verving het.

En 7º. Zoodra de Messias kwam en zijn offer volbracht was, viel uit dien hoofde noodzakelijkerwijs Aärons priesterschap weg. In hem toch kwam het oorspronkelijke om het tijdelijk ingeschovene, kwam het wezenlijke om het schaduwachtige te vervangen. Wat door God in het paradijs ons was ingeplant, door de zonde te loor ging en in Melchizedek het laatst getoond was, kwam in hem terug en terug in zijn volkomenheid.

Aärons priesterschap riep in alle tonen: „De Messias is er nog niet, doch zie hier zijn beeltenis!”

Dit roepen was dus kostelijk, zoolang hij er niet was.

Maar zoodra hij verschenen was en er stond en de van God gezonden Melchizedek zijn glorie toonde, wierd het Aäronietisch roepen: „Messias is er nog niet, daarom toon ik u zijn beeld!” beleedigend, hoonend, verloochenend.

Zoodra in den waren Melchizedek het wezenlijk priesterschap weer opkomt, moet Aäron terugtreden.

Als Aäron dan toch nog staan en offeren en bidden blijft is hij én in zijn offerande én in zijn smeekinge gevloekt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002