Vijfde Hoofdstuk.

De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

Ps. 110 : 4.


Is door het vorig hoofdstuk duidelijk gemaakt, dat een priester volstrekt niet alleen om de zonde, volstrekt niet slechts voor een tijd en volstrekt niet enkel om ons te verlossen optreedt, maar dat alle mensch geroepen en bestemd is, om al de dagen zijns levens en eens hiernamaals eeuwiglijk, priester des Allerhoogsten te zijn; niet figuurlijk, noch beeldspreuk noch overdrachtelijk maar zeer eigenlijk en wezenlijk en naar Gods onveranderlijke verordineering, dan komen we nu vanzelf tot Melchizedek, en mag een poging gewaagd, om het priesterschap van Melchizedek tot volle klaarheid te brengen.

Immers men zal toegeven, dat over Melchizedeks verschijning nog altoos zekere nevel zweeft, en dat het den meesten nog verre van helder is, hoe deze Melchizedek zulk een hooge beteekenis kon hebben, dat God de Heere met eedzwering den Messias heeft toegeroepen: „Gij zijt priester naar de ordening van Melchizedek!” En evenzoo, dat het nog altoos tot op zekere hoogte duister bleef, hoe de heilige apostel den persoon van Melchizedek, in zijn toepassing op den Christus, voor zoo gewichtig kon verklaren, dat hij meer dan één hoofdstuk aan hem wijdt en het spreken over Melchizedek als een „spijze voor de volmaakten” voorstelt.

Om aan deze onzekerheid nu een einde te maken, is het volstrekt noodig dat het onderscheid tusschen Levi’s en Melchizedeks priesterdom recht gevat worde, en hiertoe nu kunt ge niet geraken, of ge moet teruggaan tot dat oorspronkelijk priesterdom, dat door God zelf van de schepping af aan het menschelijk geslacht is ingeplant.

Van alle gissing naar den persoon van Melchizedek onthouden we ons daarbij. Het heeft anders waarlijk noch onder Joden noch onder heidenen aan zulke gissingen ontbroken. De een hield Melchizedek voor een engel. Een ander voor den Zoon van God zelf, die, gelijk Hij aan Jozua als een krijgsman en aan Mozes als een engel verschenen was, zoo hier in het koninklijk-priesterlijk gewaad voor Abraham zou zijn verschenen. Weer anderen meenden, dat Melchizedek niemand anders was dan de nog levende. Sem. Andere gissers zagen in hem Cham. Terwijl een apocrief boek, „de Adam uit het Oosten”, hem voor een zoon van Kenan houdt, en weet te verhalen, dat Adams lijk juist in het middelpunt der aarde |307| begraven was; dat dit middelpunt der aarde bij Golgotha lag; en dat Melchizedek een mysterieus persoon was, door God besteld, om bij Adams graf te offeren.

Doch dit alles is voor ons van alle waardij ontbloot. Voor wie zich aan de Heilige Schrift houdt, is alleen bekend: 1º. dat hij Melchizedek heette; 2º. dat hij koning van Salem was; 3º. dat hij in Abrahams dagen levend, dezen tegemoet toog, toen hij in zegetocht wederkeerde van het verslaan der koningen en alstoen aan Abraham wijn en brood bood en Abraham zegende; 4º. dat hij tevens priester was, en alzoo het priesterschap en koningschap in één persoon vereenigde; en 5º. dat hij geen heidensch priester was, maar een priester van den allerhoogsten God.

Dat nu de heilige apostel er in Hebr. VII : 3 bijvoegt, dat deze Melchizedek zonder vader, zonder moeder en zonder geslachtsrekening optreedt, heeft niets vreemds, maar klopt geheel op het bericht van Genesis. Terwijl toch bij het Levietisch priesterdom niemand in de priesterorde trad, of hij moest uit priesterlijke ouders geboren zijn, en deswege én in Genesis én in de volgende Boeken, steeds nauwkeurig de geslachtstafel van de afstamming wordt opgegeven, ontbreekt die bij Melchizedek geheel. Hij komt voor zonder dat óf zijn moeder óf zijn geslachtstafel vermeld wordt. Hierin zoeke men dus niets geheimzinnigs. Gelijk een vondeling „zonder vader, zonder moeder en zonder familie” is, zoo staat ook deze Melchizedek daar op het historieblad voor ons als een man, van wiens herkomst we niets weten.

Ook dat er bij staat: „noch begin der dagen noch einde des levens hebbende”, is de eenvoudige opteekening van een historisch feit. Staat toch bij Sem en de andere patriarchen steeds nauwkeurig opgeteekend, dat zijn vader zóó oud was toen hij hem gewon, en dat hij zóóveel jaren leefde, en toen stierf, van dit alles vernemen we bij Melchizedek niets. Zoomin als zijn vader of familie genoemd wordt, zoomin komt ook zijn geboortejaar of sterfjaar voor. Dit alles deed blijkbaar aan zijn priesterschap niets af noch toe. Hij trad als priester op onafhankelijk van dit alles.

Hij behoefde, om priester te zijn, niet te bewijzen, dat hij uit een vader geboren was, die ook priester was geweest, noch ook, dat hij afstamde uit een aparte priesterlijke familie. En ook, hij behoefde niet te bewijzen, dat hij dertig jaren oud was, om als priester te kunnen optreden. Hij was priester, zonder dat zijn priesterschap van één dier bijkomstige omstandigheden afhing.

Vandaar dat de apostel nu tweeërlei priesterschap naast en tegenover elkander stelt.

Eenerzijds het priesterschap van Aäron, anderzijds het priesterschap |308| gelijk het in Melchizedek optrad. En nu staan deze twee zóó tegenover elkander.

Aärons priesterschap is gebonden aan een bepaald volk; in dat volk aan eene bepaalde geslachtsrekening; door die geslachtsrekening aan een bepaalden stam; en in dien stam aan de geboorte uit een bepaalden vader; en na die geboorte aan een bepaalden leeftijd; en eindigt met den dood.

Bij Melchizedeks priesterschap daarentegen hebt ge te doen met het algemeen menschelijke priesterschap, dat aan geen bepaald volk, aan geen geslachtsrekening, aan geen herkomst uit een bepaalden vader of moeder gebonden is; dat niet rekent naar het jaar uwer geboorte; en niet met het einde des levens ophoudt; doch, van alle deze bepalingen vrij, oorspronkelijk en op zich zelf bestaat.

En vraagt ge nu in welk van deze twee priesterschappen de Middelaar het priesterschap aannam, dan antwoordt de heilige apostel: „De Middelaar was niet uit Juda; niet uit de Aäronieten; hij erfde zijn priesterschap noch van zijn moeder noch van zijn pleegvader; hij ontving het noch op een bepaalden leeftijd noch door een bepaalde ceremonie; hij verloor het niet door zijn dood; maar behoudt het eeuwiglijk.”

Niet Aäron, maar wel Melchizedek, is dus, wat het priesterschap aangaat, het beeld van den Christus. Hij, niet Aäron, is den Zoon van God gelijk geworden. Niet Aäron, maar wel Hij blijft priester in eeuwigheid. Wel bij Aäron, maar niet bij hem, staat het priesterschap tegen het koningschap over.

Dusver loopt dus alles uitnemend.

De Heere heeft den Middelaar verordineerd en gezalfd, niet enkel om de Joden te redden, maar om uit allen volke, dat Hem aanroept, zijn kerk te verzamelen. Daarom gaat het priesterschap van Christus van het bepaald Joodsche priesterschap van Aäron op het algemeen menschelijke van Melchizedek terug. En ook Christus was niet gekomen om het priesterschap van Aäron te bestendigen, maar om dit te vervullen en daarmee op te heffen, en alsnu weer te doen opstaan dat algemeen-menschelijke priesterschap, dat een tijdlang, om der zonde wil en in de bedeeling der schaduwen, door Aärons priesterschap in de schaduw was gesteld.


De fout, waardoor men ten deze het spoor bijster raakte, lag hierin dat men verzuimde in Melchizedeks priesterschap het priesterschap te zien, dat tot op het paradijs en dus tot op de algemeen-menschelijke bestemming terugging. Men zag in Melchizedek hoogstens een nooddruftig priester, die eigenmachtig en vrijwillig deed, wat Aäron naar de ordinantie der wet verrichtte, en kon zoo niet vatten, hoe Melchizedeks priesterorde ooit boven die van Aäron kon staan. |309|

Doch dit vervalt geheel, zoo men tot in het paradijs teruggaat.

Staat het vast, gelijk ons vorig hoofdstuk meent getoond te hebben, dat het priesterschap niet pas door de zonde kwam, maar in de schepping zelve gegrond en in ’s menschen aanleg en bestemming ingeplant is, zoodat Adam ook vóór den val priester was, en de gezaligden in den hemel het eeuwig blijven; en blijkt dus, dat de bediening der verzoening in het priesterschap later pas is ingekomen, maar er oorspronkelijk niet in hoorde, dan verstaat ge ook terstond, wat Melchizedeks priesterschap beduidde.

Ook na het paradijs is dan die drang om als priester Gode lof en dank te wijden en het offer der liefde te brengen, zij het ook op zondige en gebrekkige wijze, blijven voortleven onder de kinderen van Noach. De bediening der verzoening naar goddelijke ordinantie kenden ze op die wijs nog niet. Die zou eerst later komen. Maar gelijk Kaïn en Abel, in het besef hunner roeping, offeranden offerden, en dus als priesters optraden, zoo ook deden het hun nakomelingen; en toen zich nu allengs natiën en volken na de spraakverwarring van Babylon begonnen te vormen, en koningen aan het hoofd der natiën optraden, hebben deze koningen als vertegenwoordigers van heel hun volk, het volle priesterschap met offerande en dank en lof aan den Allerhoogste bediend.

In Israël daarentegen wierd dit oorspronkelijke priesterschap afgebroken. Dit moest. Het priesterschap van Abel moest gaandeweg door de zonde achteruitgaan in zuiverheid en verbasteren in aard. Geheel dit priesterschap is dan ook allengs bij de heidensche volken teniet gegaan en verloopen in een superstitie, die de zielen bond en beangstte en van God aftrok. Daarom heeft de Heere toen bij Israël dit oorspronkelijk priesterschap gestuit en het vervangen door het priesterschap van Aäron, en aan dit nieuwe, apart ingestelde priesterschap zoowel het brengen der dankoffers als van de offeranden der verzoening opgedragen.

De mensch kon het priesterschap niet meer bedienen, want hij was zondaar. En daarom stelde God een Levietisch priesterschap in, dat zinnebeeldig het bedienen van het echte priesterschap zou vertoonen. Vandaar dat er bij Israël ook zoo streng tegen gewaakt moest worden, dat nooit de koning tevens priester zou willen zijn. Dat was Sauls zonde, die juist daarom diep ging en tot zijn verwerping leidde.

Later zou dat oorspronkelijk priesterschap, waarin de priester en koning één zijn, wel weer hersteld worden, maar tijdelijk was het opgeschort. Er was tijdelijk een ceremoniëel priesterschap voor in de plaats getreden. Een poging dus om ook dit ceremoniëel priesterschap met het koningschap te vereenigen was een streven om aan dit ceremoniëele priesterschap |310| zijn tijdelijk karakter te ontnemen, het te doen voorkomen als het wezenlijke; en alzoo heel Gods raad te weerstaan.

Neen, de Heere had daarom het oorspronkelijk priesterschap van Adam, Abel, Henoch, Noach, Sem en Melchizedek niet opgegeven. Dat kon niet. Daartoe was het te zeer in onze menschelijke natuur en in de eischen van de eere Gods gegrondvest.

Maar wel verre van dit oorspronkelijke, volle, priesterschap in Aäron te leggen, had Hij dit tijdelijk opgeheven en alsnu gelegd op den Middelaar. In den Middelaar zou dit echte, volle, oorspronkelijke priesterschap terugkeeren en eeuwig blijven, evenals vanouds met het koningschap vereenigd en zou alsdan weer op al Gods kinderen komen, die door den Middelaar tot priesters en tot koningen zouden gemaakt worden.

En wat daar door Aärons priesterschap tusschenin wierd geschoven, was niet iets hoogers, maar iets lagers; niet iets meer, maar iets minder; iets onwezenlijks; een bediening in schaduwen en ceremoniën; bestemd om voorbij te gaan.

Vandaar dat de heilige apostel er zoo breed op wijst, dat Levi in Abrahams lendenen tienden aan Melchizedek gegeven heeft; en dus de hoogere waardij van Melchizedeks priesterschap boven het priesterschap van Aäron heeft erkend.

En hierop komt dus alles aan, dat ge van Melchizedek op Abel en Adam en den mensch als zoodanig en de schepping en Gods roeping in die schepping, dat elk mensch (ook afgezien van de zonde) eeuwig priester voor zijn eere zijn zal, teruggaat.

Dat ge in de tweede plaats opmerkt en inziet, hoe dit echte, volle oorspronkelijke priesterschap door de zonde vervalscht wierd, teniet liep, en in Melchizedek, als het ware, zich voor het laatst vertoont, en daarom naar hem genaamd wordt.

Dat ge in de derde plaats er een oog voor hebt, hoe dit echte, volle, oorspronkelijke, eeuwige priesterschap toen niet op Aäron, maar op den Middelaar is gelegd, aan den Middelaar verbonden is, en nooit van hem scheiden kan.

Dat ge in de vierde plaats inziet, hoe Aärons priesterschap, onwezenlijk en slechts tijdelijk tusschenin getreden, slechts een bediening in ceremoniën en beelden was, dat straks, als de Middelaar kwam, vanzelf verdwijnen moest.

En dat ge in de vijfde plaats belijdt, hoe nu de Middelaar, zelf in het vleesch en bloed der kinderen optredend, overmits hij zonder zonde was, niet Aärons priesterschap, maar dat oorspronkelijke, echte priesterschap van Adam en Abel weer heeft opgenomen, dat het laatst in Melchizedek |311| was uitgekomen, en deswege naar diens naam is genoemd.


Zoo verstaat ge dan ook het hooge gewicht dat Abrahams ontmoeting met dezen Melchizedek had.

Hier toch gingen de beide stroomingen uiteen. Melchizedeks priesterschap ging van nu af onder, om te schuilen in den Middelaar, en eerst later in den Middelaar weer op te komen; en uit Abrahams lendenen zou Levi opkomen en daarmee het Aäronietisch priesterschap, dat een tijdlang het eenige Gode welbehaaglijke zou zijn in den dienst der schaduwen.

Doch duidelijk moest juist bij deze ontmoeting uitkomen, dat het Aäronietisch priesterschap zijn waardij slechts ontleende aan het oorspronkelijke en er in beteekenis beneden stond. Vandaar, dat Abraham tienden aan Melchizedek geeft en zich door Melchizedek laat zegenen, waaruit de heilige apostel nog uitdrukkelijk afleidt, dat hiermee het priesterschap van Melchizedek erkend wierd als staande boven dat van Aäron, en als meerder zijnde.

En herlees nu Psalm CX en Hebreën VII en alles vloeit vanzelf en is volkomen duidelijk.

De Heere kon niet zweren, dat de Middelaar priester zou zijn naar de ordening van Aäron. Hij moest zweren: „Gij zijt priester naar de ordening van Melchizedek”. En Hij moest dat doen in het verband waarin Psalm CX dit zet, t.w. in verband met de koninklijke waardigheid die in vss. 1 en 2 van dien Psalm aan den Middelaar wordt toegekend.

En ook de heilige apostel, er in den Hebreërbrief aan toegekomen, om de ophouding en verdwijning van het Aäronietisch priesterschap aan te toonen, moest wet tot Melchizedek teruggaan, omdat juist in Melchizedek het echte, volle, oorspronkelijke priesterschap zich het laatst en juist in zijn hoogheid boven Aäron vertoond had.

En eenmaal deze stof behandelend, moest hij wel aantoonen en er nadruk op leggen: 1º dat dit oorspronkelijk priesterschap iemand priester doet blijven in der eeuwigheid; 2º dat het niet hangt aan de afstamming uit een bepaald geslacht; 3º dat het niet afhangt van een bepaalden leeftijd noch niet den dood eindigen kan; 4º dat het zijn hoofdbestanddeel niet vond in de bediening der verzoening, die er oorspronkelijk (voor den val) niet eens in aanwezig was noch kon zijn; en 5º dat het niet slechts ouder was dan dat van Aäron, maar bovendien de algemeene grond waarin ook Aärons priesterschap, als bijkomstig en slechts tijdelijk tusschenintredend, wortelde; en 6º dat het, met het koningschap verbonden, geen priesterschap was, dat buiten het werkelijke leven stond, maar met dat koningschap één, juist uit het leven zelf opkwam en heel het leven omsloot. |312|

Dat nu Melchizedek juist koning der gerechtigheid heette en koning van Salem, d.i. koning des vredes was, is daarbij goddelijke naam-symboliek, vreemd voor wie acht dat Melchizedek daar zóó ongeroepen als uit een duisteren achtergrond opkwam, maar geheel natuurlijk en verstaanbaar voor wie gelooft, dat Gods bestel er in was, toen Melchizedek van zijn vader zijn naam ontving en toen Abraham juist voor de poorte van het latere Jeruzalem dezen koning-priester moest ontmoeten.

Wat tot den Christus gezegd is, geldt dus ook voor zijn verlosten: ook zij zijn koningen en priesters Gode en den Vader, niet naar de ordening van Aäron, maar naar de ordening van Melchizedek; edoch alzoo door den Middelaar gemaakt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002