Vierde Hoofdstuk.

De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

Ps. 110 : 4.


Immanuël bekleedt nog een tweede ambt. Hij is niet slechts verordineerd en gezalfd om Profeet te zijn, maar ook om Priester te wezen; ja om te zijn „onze eenige Hoogepriester”, gelijk de Catechismus belijdt, „die ons met de eenige offerande zijns lichaarns verlost heeft en ons met zijn voorbiddinge steeds voortreedt bij den Vader”.

Waarin bestaat nu het verschil tusschen den Profeet en den Priester? Om dit wel in te zien, moeten we ook bij het Priesterschap.de vraag stellen, hoe het te staan komt, als ge u de zonde wegdenkt. Want natuurlijk stemmen we voetstoots toe, dat het Priesterschap, gelijk wij het nu als een Priesterschap der Verzoening kennen, alleen te pas komt in een zondige wereld. Maar daarmeê is de zaak niet uit. Er dient ook onderzocht, of niet ook het Priesterschap een dieperen wortel heeft, zoodat het zijn oorsprong vindt in den aanleg van onze menschelijke natuur en in de verhouding, waarin het Gode beliefd heeft, den mensch tot zich zelven te plaatsen. Blijkt dit toch zoo te zijn, dan is er een Priesterschap ook in het paradijs, een Priesterschap ook in den hemel eeuwiglijk, en kan het Priesterschap der Verzoening dat om der zonde wil intrad, slechts een wijziging van dit oorspronkelijke zijn.

Nu staat dit vast, dat de heilige apostel de kinderen Gods ook na hun wedergeboorte, Priesters noemt, en wil dat ze offeren zullen. Niet als hulpmiddel om iets dat in de eenige offerande van Christus ontbreken zou aan te vullen, maar als een heel ander soort van offerande.

De Catechismus noemt dit in het antwoord op Vraag XXXII: „Dat ik mij zelven tot een levend dankoffer Hem offere” en onderstelt dus wel degelijk, dat het Priesterschap doorgaat ook als de zonde is weggenomen. Hetzelfde wat Petrus aldus uitdrukt: „Gij zijt een heilig priesterdom, om geestelijke |300| offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Christus Jezus”. En in den brief aan de Hebreën, die zoo breedvoerig het eenig Priesterschap van Christus behandelt, staat evenzoo tot alle kinderen Gods gezegd: „Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofs, d.i. de vrucht der lippen, die zijn Naam belijden”. En hij voegt er bij: „Vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want aan zoodanige offerande heeft God een welbehagen.”


Om in deze ingewikkelde stof tot helderheid van inzicht te geraken, moet men dus terstond en van meet af scherp en streng tusschen tweeërlei soort van offerande onderscheiden. Er zijn namelijk offeranden voor de zonde, en er zijn offeranden, die geheel buiten de zonde omgaan. De eerste kunnen we gemakshalve de offerande der verzoening noemen, de andere de offerande des danks, des lofls en der liefde.

Neem nu Adam vóór den val, en natuurlijk kon er van een zoenoffer bij hem toen geen sprake wezen, maar de offerande des danks, der liefde en des lofs was ook hij zijn God schuldig. Denk dat er nooit zonde gekomen ware, toch zou de offerande van dank en liefde en lof altoos gebleven zijn, want God de Heere zou ook dan gebleven zijn de Fontein aller goeden, die we eenig danken, het Allerbeminlijkste Wezen, dat we eenig lieven, de Aanbiddelijkste Majesteit, die we eeuwig loven zouden. En vandaar, dat ook als de zonde gebroken, verzoend en weer vernietigd zal zijn, toch altoos die tweede soort offerande bestaan blijft. Niet meer het zoenoffer, maar wel het offer van lof en dank en min.

Omdat wij nu met onze zonden te worstelen hebben, en altoos, op worden gehouden door de vraag: Hoe komen we van onze schuld af? lijkt óns wel de offerande voor de zonde hoofdzaak, en die tweede soort offerande een bijzaak; maar een goed Christenmensch mag aan deze valsche en onware voorstelling toch geen voet geven; vooral niet, zoo hij Gereformeerd wij zijn.

De Catechismus vat het dan ook heel anders op, en handelt wel eerst van de Verlossing, d.i. van de offerande der Verzoening, maar daarna vooral niet minder breed van de Dankbaarheid, d.i. van het offer des danks en des lofs. En dan eerst krijgt ge in uw Catechismus een helder inzicht, zoo ge wel vat, dat heel het derde deel van den Catechismus niets anders behelst dan uw priesterschap, het priester-zijn en als priester offeren van al Gods kinderen onder en door Immanuël.

De zaak komt dan ook juist omgekeerd te staan. |301|

Wat hoofdzaak en wat bijzaak is, moet niet naar óns afgemeten, maar naar God. En doen we dat, dan springt het terstond in het oog, dat voor God den Heere voorop staat dat Hij zijn lof en dank en eere ontvange, en eerst daarna, en in de tweede plaats, onze Verzoening aan de orde komt.

Van de tweeërlei priesterlijke bediening, die van het offer voor de zonde en die der offers van dank en liefde, is derhalve het dank- en lof- en liefdeoffer het eigenlijke en wezenlijke en eeuwigdurende, terwijl de offerande voor de zonde slechts tusschen intreedt en slechts eenmaal geschiedt.

Ge moogt dus niet langer de valsche en onware voorstelling aankleven, alsof een offerande van dank en lof en eere slechts een overdrachtelijke uitdrukking ware voor het doen van uw plicht en het nakomen van uw roeping. Neen, als de psalmist jubelt: „Ik zal U offeren een offerande van dankzegging en den Naam des Heeren aanroepen”, dan is dit niet beeldspreukig, maar zeer wezenlijk gemeend. En de proef op de som is wel, dat de Heere in het aanschouwelijk onderwijs door de ceremoniën volstrbkt niet alleen zoenoffers, maar ook even stellig dankoffers had ingesteld.

Zoo is er dus tweeërlei priesterlijke daad. De ééne bestaande in het brengen van zoenoffers, de andere in het brengen van dankoffers, en dit tweeërlei karakter van het Priesterschap moet alzoo onderscheiden, dat de priester der dankofferande het oorspronkelijke en algemeene begrip aanduidt, terwijl de priester der verzoening slechts om der zonde wil tusschenbeide is ingekomen.


Toch moeten we, om tot volkomen helderheid te geraken, nog één trede dieper afdalen, en vragen, wat het eigenlijk terrein is van ons menschelijk leven, waarop het Priesterschap vanzelf ontluikt. En dan kan kwalijk ontkend, dat in ons menschelijk leven ons hoofd, ons hart en onze hand de drie deelen onzes lichaams zijn, die ons als symbool en instrument dienen voor drieërlei onderscheiden zaak, waarin we gemengd en verwikkeld worden. Er is een wereld der kennisse en van het bewustzijn, die vanzelf wijst op ons hoofd. Er is een wereld van aandoening, gewaarwording en liefde, die in het hart haar zetel heeft. En er is een wereld van actie, van macht en daad, die gesymboliseerd wordt door de sterke hand.

Die drieërlei wereld van kennis, liefde en macht hebben niet wij verdicht, maar heeft God alzoo voor ons geschapen, en Hij was het, die ons het hoofd gaf om niet die wereld der kennis, het hart om met die wereld |302| der liefde, en de hand om met die wereld der machtsoefening in gemeenschap te staan.

Beschouwt ge nu die wereld van kennis, liefde en macht buiten uw God, dan hebt ge daarvoor uw gewone wereldsche namen; maar neemt ge nu den mensch in zijn betrekking met zijn God, dan verandert dat op eenmaal en wordt de mensch die kennisse van God heeft een profeet; de mensch, die in liefde voor zijn God leeft, een priester; en de mensch die in de mogendheid zijns Gods macht uitoefent, een koning. En zoo ziet ge, hoe dit profeet, priester en koning zijn, metterdaad gegrond is in de ons van God gegeven natuur, zoodra ge die maar met den Heere in contact brengt.

Het eigenlijk element van den priester is alzoo de liefde, zoodra ge die liefde slechts opvat als uitdrukking van het liefdeleven tusschen God en zijne kinderen der menschen.

Uit de liefde spruit voort het offer der dankzegging, der eerbiedenisse en des lofs. En als de Catechismus van Adam voor den val zegt, dat hij geschapen en rijk begaafd was, opdat hij God recht kennen zou, teekent hij Adam als profeet; als hij zegt dat hij zijn God van harte liefhebben zou, teekent hij hem als priester; en als hij er aan toevoegt, dat hij met hem in de eeuwige zaligheid leven zou, schetst hij hem als koning.

Er is dan ook niets dan hooge, heilige liefdeopenbaring in de roeping van den Priester, hetzij ge op den eenigen Hoogepriester, hetzij ge op hen let, die Hij weer priesters maakt.

Hij is het, die uit oneindig goddelijk mededoogen, d.i. met de hoogste spanning der liefde, zich voor u in den dood geeft. Hij is het, die met de oneindige trouw zijner liefde, u met zijn altoosdurende voorbiddinge voortreedt bij den Vader. En eerst de liefde die door den Heiligen Geest in uwe harten uitgestort wordt, bekwaamt u weder, om als priesters en priesteressen voor uw God te staan.


In ditzelfde leven der liefde wortelt dan ook de mogelijkheid dat de ééne mensch als priester voor den anderen optrede. Liefde is gemeenschap. Gemeenschap niet in denkwijze, maar in het hart en in de diepte van het leven der ziel.

Vandaar dat de liefde, hoe geestelijk hoog ook opklimmende, een grondslag vindt in onzen oorsprong en tot in ons lichamelijk bestaan.

Had God de Heere ons elk, één voor één, los naast elkander geschapen, en daarna tot elkaar gebracht, om ons als een pijlbundel saâm te snoeren, zoo zou nooit deze diepe liefde op aarde denkbaar zijn geweest.

Maar zoo deed God de Heere niet. Hij schiep ons niet één voor één, |303| om ons eerst daarna met elkander in contact te brengen, maar. Hij schiep ons uit éénen bloede. Zij, die in onze dagen twijfel opwerpen aangaande onze herkomst uit één menschenpaar, mogen dan ook toezien wat ze doen. Zoodra toch dit heilloos denkbeeld wortel schiet, zult ge zien dat de liefde afneemt en de haat winnen zal.

Neen, uit éénen bloede zijn alle kinderen der menschen. Zoo vormen ze één geslacht. Eén stam van menschelijk leven. Een onafscheidelijk geheel, dat tot in het diepste ingewand des levens, innerlijk saâmhoort.

Daarom mocht zelfs Eva niet naast Adam als een tweede nieuw geschapen persoon gesteld worden, maar moest zij uit Adams ribbe opgebouwd. Door twee personen elk apart te scheppen, zou de eenheid in den wortel van het leven verbroken zijn geweest. En dat mocht niet. Het moest in den strengsten zin één leven zijn, dat allen saâm leefden. Van één vleesch en één bloed.

Wat Adam uitriep: „Deze is ditmaal vleesch van mijn vleesch en been van mijn been” is de diepste uitdrukking van de basis, waarop alle liefde onder menschen rust.

Als iemand voorbijkomt en een drenkeling in den stroom met den dood ziet worstelen, dan kent hij dien drenkeling niet bij name; hij weet niet wie het is; maar genoeg, het is een mensch, die daar dreigt te smoren in de golven, en als mensch kent hij hem, is hij hem niet vreemd en voelt hij, als ware het, dat daar iemand van zijn vleesch en zijn been in den dood worstelt. En het is de roepstem des bloeds die hem er bij doet springen, en zijn leven doet wagen voor dien schijnbaar vreemde, maar die toch aan hem verwant is.

Als de zendeling uitgaat onder verre volken en vindt ze in dorheid err dwaasheid verzonken, dan overkomt hem. toch een gevoel, dat ze geen vreemden voor hem zijn, dat ook die Neger en die Kaffer zijns is. Van zijn vleesch en van zijn bloed. Been van zijn been. En zoo drijft de liefde hem aan.

Vandaar, dat deze liefde haar natuurlijke werking ’t sterkst toont bij de moeder, die het zoo weet uit haar dracht en haar weeën, dat dit kindeke uit haar bloed geboren is. Haar niet vreemd, maar met haar één.

Vandaar dat de liefde tusschen broeders en zusters, de liefde tusschen magen en aanverwanten meest sterker prikkelt dan de algemeene menschenliefde, omdat bij magen en aanverwanten, en vooral bij broeders die eenheid van afstamming en herkomst, en daardoor van saâmhoorigheid zooveel sterker uitkomt.

Vandaar ook dat van den man en de vrouw geschreven staat: „Deze twee zullen één vleesch zijn”, als om in die eenheid en de saâmhoorigheid, |304| de oorspronkelijke eenheid van beider vleesch en bloed aan het woord te doen komen.

En vandaar ook dat onze zaligheid, gelijk onze Confessie zoo schoon zegt, „mede aan de waarheid van Jezus’ lichaam hangt”, want zoo Hij niet vleesch is van ons vleesch en been van ons been en bloed van ons bloed, hoe zou Hij ons dan kunnen verlossen?

Wat Johannes uitroept: „Deze is de Antichrist, die loochent dat Jezus in het vleesch gekomen is,” hoort juist bij den apostel der liefde, omdat met deze loochening de basis zelf der liefde van Immanuël voor ons geslacht ware weggenomen.


En naar de zijde Gods is dit evenzoo.

God de Heere schiep ons niet als insecten of vogels om ons daarna van lieverleê aan zich te verbinden, maar Hij schiep ons aanstonds als zijn beelddragers.

De saâmhang met het Eeuwige Wezen en onze aanhoorigheid tot Hem moest dus niet eens van lieverleê geboren worden, neen, maar die lag in onze schepping zelve.

Het was niet God daarboven hoog, en wij lager op aarde, en nu die twee allengs door liefde vereenigd. Dan toch zou er nooit liefde gekomen zijn. Neen, de liefde tusschen God en zijn menschenkind wortelt evenzeer als onze liefde van mensch tot mensch in den bodem zelf van ons aanzijn en leven.

Hij schiep ons naar zijn beeld en gelijkenis, en zoo hoorden we van meet af en reeds krachtens onze schepping en onzen oorsprong bij Hem. De band bestond, en moest niet nog eerst gelegd. De liefde zou niet in de lucht zweven, en als een luchtverheveling opkomen, maar ze had aanstonds haar rijken bodem. En al het schoon der liefde zou eeuwiglijk nooit iets anders zijn, dan het bewust worden en uittreden naar buiten van hetgeen van de schepping af in dien band des levens tusschen God en mensch reeds verborgen lag.


En neemt men deze twee te saam: 1º. dat ge krachtens uw schepping naar Gods beeld in een band aan uw God ligt; en 2º. dat ge krachtens uw geboorte uit één zelfden menschenstam in een band niet uw naaste ligt, — dan springt het immers in het oog, hoe het hoog gebod: „Heb God lief met heel uw hart en heel uw ziele, en uw naaste als u zelven”, feitelijk niets anders is, dan het gebod: „Word u bewust van uw schepping en uw oorsprong en voer uit wat in die schepping en dien oorsprong u als levensprogram gegeven was!” |305|

Zoo ligt dan veroordeeld alle platonische liefde, en heerscht koninklijk alleen die diepe, rijke, heel uw wezen doordringende, opeischende en omvattende liefde, die het uitgeuren en ontluiken is van wat God de Heere in uwe Schepping wrocht.

En is het nu priester zijn, wanneer ge, in deze uw schepping inlevende en het program van uw oorsprong uitvoerende, de welriekende specerijen der dankzegging en des lofs op het altaar ontsteekt, dan voelt ge nu ook offerande onmiddellijk, waarom de één priester voor den ander kan worden.

Immers staat niet mensch naast mensch, maar is het één menschenstam, één menschdom, één geslacht, één Adam met al zijn uitspruitselen, die Gode lof en dank heeft toe te brengen, dan buigt de tak die reeds bloemen draagt zich beschermend en ontfermend over de nog bloemlooze twijg heen. Dan is het én gemeenschappelijk leven, dat, hoe ook in de takken en twijgen gespreid, toch in den diepsten wortel saamhoort, één is en niet kan gescheiden worden. Dan doet nooit iemand iets alleen, maar al wat hij doet tevens in gemeenschap met en als ware het op rekening ook van den ander. Dan heerscht er in uw menschelijk leven onuitrdeibare en onverloochenbare solidariteit.

En komt ge nu op „de verborgenheid zelve der godzaligheid”, dat de Zoon van God vleesch wierd en als mensch voor ons de offerande der Verzoening bracht, dan ziet en tast ge immers, hoe het opkomen van dezen Hoogepriester voor de zijnen, als uiting der oneindig volle Liefde, metterdaad een tweeërlei wortel in onzen oorsprong had.

Omdat Hij met den Vader en den Heiligen Geest ons naar zijn beeld geschapen had, bestond er saâmhoorigheid en was er gemeenschap van Hem met de zijnen; en in het vleesch opgetreden, heeft Hij, als mensch onder menschen levend, die gemeenschap en die saâmhoorigheid ingevlochten in en als omstrengeld met de banden die ons allen in Adam, krachtens onze schepping, uit éénen bloede, saâm verknocht hielden.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002