Derde Hoofdstuk.

Van u zal mijn lof zijn in een groote gemeente.

Psalm 22 : 26.


Zoo is Jezus dan allereerst onze hoogste Profeet en Leeraar; en profeet, gelijk we zagen, duidt aan: 1º. dat er een Raad Gods is dien wij niet kennen, 2º. dat deze Raad een gunsteling des Heeren wel bekend is, en 3º. dat deze verkorene alsnu last ontvangt, om deze Raad Gods, dien anderen niet kennen, en hij wel kent, aan die anderen te openbaren. Bij de indeeling en volgorde der Boeken van het Oude Testament in den Hebreeuwschen tekst komt dit nog duidelijker uit dan in onze overzetting.

In den oorspronkelijken Hebreeuwschen Bijbel toch volgen aanstonds op den Pentateuch-Cyclus, gelijk het heet, de Profetische Boeken. Maar deze Profetische Boeken zijn in twee klassen ingedeeld, en in de eerste klasse vindt ge dan de geschiedkundige Boeken van Samuël, Koningen enz., terwijl eerst in de tweede klasse de godsspraken van Jesaja en wat wij „de Profeten”, noemen volgen. Nu schijnt dit ons bij den eersten opslag vreemd. Heeft men zich toch gewend, om in een profeet uitsluitend iemand te zien, die toekomstige dingen mededeelt en voorzegt, dan valt het moeilijk te vatten, hoe een geschiedkundig Boek een profetie kan zijn. Immers een geschiedkundig Boek ziet op het verleden, en profetische Boeken, zoo schijnt het ons toe, alleen op de toekomst.

Neemt men nu evenwel het eenig goede begrip van profetie, t.w. dat het is het aflezen van den Raad Gods, dan wordt dit schijnbaar vreemde opeens ten volle duidelijk. In dien Raad des Heeren toch zijn twee deelen. Het eerste deel van de dingen, die reeds uit dien Raad gebaard en |293| geworden, gebeurd en geschied zijn; en het ander deel van hetgeen nog niet gebeurd is, maar uit dien Raad geboren staat te worden. Zoowel de geschiedenis, die reeds achter ons ligt, als de toekomst, die ons beidt, zijn beide in dien éénen Raad besloten en vinden in dien éénen Raad haar oorsprong. Vat men nu eenmaal dat alle openbaring uit den Raad Gods den naam van profetie draagt, dan ligt er niets vreemds meer in, dat profetie heet zoowel het verhaal van het reeds uit dien Raad geborene als de voorzegging van hetgeen uit dien Raad te komen staat.

Deze eenvoudige en klare beteekenis van het woord profetie, die hier niet breeder kan uiteengezet, dunkt ons dan ook boven allen twijfel verheven.


Is nu Jezus de Profeet, dan ontstaat de vraag: Is Jezus pas profeet geworden, toen hij op aarde in ons vleesch en bloed omwandelde en zelf predikte, dan wel was hij dit reeds vroeger? Waarop onze Catechismus antwoordt: reeds vroeger. Hij verklaart en belijdt toch, dat de Christus ons den verborgen raad en wille Gods geopenbaard heeft; en dat „ons” is de kerk, en de kerke Christi verstaat de Catechismus, als er geweest zijnde van het Paradijs af.

Dit nu geldt niet alleen van Jezus’ Profetische, maar evenzeer van zijn Priesterlijke en Koninklijke waardigheid.

„Ik ben van eeuwigheid af gezalfd”, betuigt de Immanuel zelf in het Boek der Spreuken, en ook in Jesaja LXI : 1 staat niet dat hij gezalfd zal worden, maar dat hij reeds gezalfd is. Dit komt daar vandaan, dat de vraag of en hoe ik in een ambt sta, niet afhangt van het omhangen van purper of toga of het opzetten van de kroon, maar uitsluitend van den wil en de verordineering van hem die dit ambt te bestellen en te begeven heeft. Wanneer een koning een gouverneur over een landstreek benoemt en bepaalt dat die benoeming ingaat op den dag zelf van het besluit, dan is zulk een persoon gouverneur, ook al moet hij nog dagen reizen om naar de hem aangewezen provincie toe te komen. Spreekt nu God de Heere: „Ik toch heb mijn Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid”, dan is de aldus aangewezene, koning van dat oogenblik af, ook al derft hij nog de Vleeschwording en al daalde hij nog niet af naar de benedenste deelen der aarde. En zegt ge dat dit bij zulk een gouverneur dan toch een puur nominaal bewind is, dan kan reeds dit niet toegestemd, maar gaat deze bedenking in geen geval door bij den Christus, die aan het perk van afstanden en den slagboom der toestanden niet gebonden was.

Zelfs laat de Heilige Schrift ons niet in het onzekere over de bijzondere |294| wijze, waarop de Tweede Persoon reeds vóór zijn Vleeschwording dit zijn ambt heeft uitgevoerd. Duidelijk toch wordt ons te kennen gegeven, dat de Christus ook reeds tevoren zich op aarde vertoond heeft; evenals de engelen, soms eene verdwijnbare menschengestalte heeft aangenomen; en als engel van zeer bijzondere roeping zijn ambt openbaarlijk bediend heeft. Hij heet dan Engel des verbonds, Engel des aangezichts, of de Engel des Heeren, en spreekt en handelt op een wijs, die geheel met zijn spreken en handelen na zijn Vleeschwording saâmvalt.

Niet alsof in deze verschijningen al het Messias-ambt van den Christus vóór zijn Vleeschwording opging. Dat bedoelen we volstrekt niet. Maar wet zijn deze verschijningen het stellige bewijs, dat hij reeds voor de kribbe van Bethlehem zijn ambt bediende, en dat men feil gaat, zoo men dit, ja in ideëelen zin toestemt, maar zonder het als werkelijk op te vatten.

Het Woord, dat van den beginne bij God en God, en na en in de schepping het Leven en het Licht der menschen was, is ook in oude dagen „gekomen tot het zijne, maar de zijnen hebben hem niet aangenomen”; en dat wel met zulk een realiteit, dat hij aan de enkelen, die hem aangenomen hebben, macht heeft gegeven, om kinderen Gods te worden.


Bijzonderlijk voor wat aangaat zijn Profetisch ambt, leert de heilige apostel Petrus ons, dat de Immanuël reeds vóór zijn Vleeschwording de innerlijke Bezieler der onder- of hulpprofeten was, als hij zegt in 1 Petri I : 10 : „Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten die geprofeteerd hebben van de genade aan ons geschied, onderzoekende op welken en hoedanigen tijd de Geest van Christus die in hen was beduidde en tevoren getuigde, het lijden dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarop volgende.”

Immanuël is de Profeet van het Evangelie, en Evangelie is niets dan dat stuk uit den Raad, uit den verborgen wil van God, dat handelt van de behoudenis van zondaren.

Dit Evangelie nu heeft Christus als de van God verordineerde en bestelde en gezalfde Profeet reeds in het paradijs uitgebracht, en voorts aan al de geloovigen des Ouden Verbonds óf zelf verkondigd of door onder-profeten doen verkondigen. Als hij het zelf verkondigt dan getuigt de Heere van een Abraham aan wien dit ten deel viel: „Abraham heeft begeerd mijnen dag te zien en heeft dien gezien en is verheugd geworden”. |295|

Toch is dit niet zijn gewone wijze van doen onder het Oude Verbond. De kerk staat niet atomistisch voor hem. Hij rekent niet met elke ziel apart, maar zorgt voor zijn kerk in haar samenhang.

Hij openbaart niet aan A het heil, en als deze sterft weer aan B hetzelfde. Neen, maar hij stelt de zaak op zulk een wijs, dat hetgeen aan A geopenbaard is, ook ter kennis van B komen kan, en voor C en D en allen die daarna komen bewaard blijft. Zoo bindt hij heel zijn volk saam in één geestelijken band van openbaring en onderwijzing, en hiertoe gebruikt hij tweeërlei soort van onderpersonen. Ten eerste zulk soort personen, die op buitengewone wijze door hem voorgelicht en ingelicht en geïnspireerd, het oorspronkelijk Evangelie in telkens rijker volheid openbaren. En ten tweede gewone personen, die geen andere roeping hebben, dan om op gewone wijze het bekende aan anderen over te brengen, mede te deelen en onder hen te verspreiden. De eerste soort nu zijn de eigenlijke profeten, wier karakter in Num. XXIV : 3 geteekend staat: „Mannen, wien de oogen geopend zijn, hoorders van de redenen Gods, die het gezicht van den Almachtige zien, die verrukt worden, en wien de oogen ontdekt worden”; terwijl de tweede last om de kennisse van wat reeds openbaar wierd te verspreiden, zijn uiting vindt in Deut. IV : 9: „Wacht u dat gij niet vergeet de dingen die uwe oogen gezien hebben, en dat zij niet van uw hart wijken al de dagen uws levens en gij zult ze aan uw kinderen en kindskinderen bekend maken.” Ook wat Maleachi van den priester zegt, doelt hierop: „De lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken, want hij is een engel, d.i. boodschapper van den Heere der heirscharen.”

Het Profetisch ambt van den Christus onder het Oude Verbond eischte alzoo deze beide organen: 1º. de hulpprofeten (die wij gemeenlijk profeten noemen), en 2º. de bedienaren des Woords, t.w. de priesters en de vaders bij hun kinderen.


Doch hierbij bleef het niet.

Immanuël de Profeet gaf ook aanschouwelijk onderwijs, en zoo riep hij in het leven tweeërlei: 1º. de historie der wondere feiten, en 2º. den ceremoniëelen dienst.

Vooreerst de historie.

In Israëls historie was tweeërlei. Was vooreerst een historie gelijk elk volk doorleeft, dat er geboren worden en sterven, dat er gezaaid en gemaaid wordt, dat men koopmanschap drijft en worstelt met tegenspoed. En wat dies meer zij. Daarin was de profetie niet. Maar er was in |296| Israëls historie door ook een ander deel, een tweede factor, en die kwam van Irnmanuël, en bestond in de betooning van de wondere daden des Heeren Heeren. Deze wonderheden uit het land van Cham en Kanaän vormen één geheel. Er is systeem in. Ze zijn één weldoordachte en welgeschikte openbaring van den heiligen toorn, de mogendheden en de verlossingen Gods. En ook hierin was zoo zeker de profetie, dat Israël juist op deze wonderheden gedurig gewezen, er door onderwezen, er als in opgesloten werd.

En daarnaast stond dan de dienst der ceremoniën en typen. Eveneens een werk van Immanuël. Een onderwijzing van Gods Raad in beeld en in tableau vivant. Voor wie ’t niet doorzag noch verstond, een stomme levenlooze vertooning, maar voor wie er geestelijk gezicht in had, eene openbaring vol heerlijke vertroosting.

En voegt men deze vijf nu saâm: 1º. De verschijningen van den Christus als Engel des Verbonds, 2º. zijn zending van de hulpprofeten, 3º. zijn aanstelling van bedienaren des Woords, 4º. zijn openbaring van de wonderheden, 5º. zijn instelling van de ceremoniën, dan kan men het eenigszins althans indenken, hoe rijk deze bediening van het Profetenambt reeds vóór de Vleeschwording was.

Hij was de Profeet en hoogste Leeraar, en de vrucht van zijn werk was dat zijn Kerk in Israël de kennisse van Gods Raad tot haar behoudenis metterdaad reeds bezat.


Daarna is Immanuël zelf na zijn Vleeschwording, als Profeet in Israël opgetreden, en heeft, dertig jaar oud zijnde, begonnen het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen te prediken.

Ook deze prediking verrijkt den schat weer van wat uit den verborgen Raad en wille Gods omtrent onze behoudenisse geopenbaard wierd. Maar ook deze prediking was niet atomistisch voor Maria van Magdala en Zacheus bestemd, maar besteld voor heel de kerk. Vandaar dat hij wel de steden en vlekken omreist en tot de schare spreekt, maar dat hem tevens de apostelen verzellen en het aanhooren, en straks door deze het toen geopenbaarde bestendigd en voor heel de kerk bewaard wordt in de Schrift.

Zoo hebben wij nu nog Christus als den Profeet des Heeren Heeren in onze woningen, en zoo dikwijls het heilig blad wordt opgeslagen en we ons om het Woord vereenigen, is het niet eens menschenstem die tot ons spreekt, maar Christus de Profeet en Leeraar, die groot in ons midden is.

Hij is de Profeet. Hij alleen. Hij voor allen. Hij in alle tijden en in eik huisgezin. Hem zult gij hooren. |297|

Vandaar dat de apostelen niet naast hem staan, maar onder hem als hulporganen. Gelijk de Profeet hulpprofeten van ouds had, zoo had hij ook hulporganen na zijn Vleeschwording. En deze organen zijn niet willekeurig, maar alzoo met macht door hem besteld; en wij hebben ons naar die ordinantie te schikken. Zij, de apostelen, zijn de tusschenpersonen, door welke de kerk met haar Heere en Heiland als Profeet gemeenschap heeft.


Doch ook hier liet de Heere het niet bij.

Hij is Profeet. Hij leest het Evangelie uit den verborgen Raad Gods al. Zoo kwam de Heilige Schrift te ontstaan. Want die Heilige Schrift is bij uitnemendheid vrucht en instrument van Jezus’ profetische werkzaamheid.

Overmits nu echter die Heilige Schrift in alle landen, tijden en personen gemeen is, houdt hiermeê zijn profetische werkzaamheid niet op.

Integendeel, ook nu die Heilige Schrift gereed ligt, moet toch de rijke inhoud van dat kostelijk Evangelie gedurig opnieuw in nieuwen vorm uitgaan, om steeds dieper in het bewustzijn van elken tijd, van elk volk en van elk geloovige in te dringen.

Vandaar de studie der Godgeleerdheid, door hem verordend niet alleen, maar ook bezield. Hij, de hoogste Leeraar, voor wien de beste hoogleeraar als een klein kindeke is, en van wien alle hoogleeraar in dit heilig deel der wetenschap zijn licht en zijn bezieling moet ontvangen, Wie niet op zijn wijs hulpprofeet onder den hoogsten Profeet is, is de naam van godgeleerde zelfs onwaardig. Reden waarom onze vaderen de studenten van de heilige godgeleerdheid zoo gaarne bij „de zonen der profeten” vergeleken.

Doch ook zoo vindt zijn profetisch ambt zijn voleinding nog niet.

Het Evangelie is niet voor de geleerden, maar voor de kerk, en daarom heeft deze profeet en hoogste Leeraar nu een ambt van Herderen ingesteld opdat deze herders in het midden der kudde zouden verkeeren, om den vollen Raad Gods te verkondigen, te bedienen en aan de zielen aan te leggen.

Gelijk de priester vanouds besteld was opdat zijn lippen de wetenschap zouden bewaren en men uit zijn mond het getuigenis zou vragen; zoo staat het ook nu met dit Herdersambt. Instrumenten, organen zijn die herders, niet om zelf iets uit zich zelven voort te brengen, maar om op te vangen, wat de Profeet zegt, en dit opgevangene aan de kerk over te brengen, haar door uitlegging nader te doen komen, en haar door toepassing als in haar te brengen. Dat aan-, dat nader-, dat inbrengen is het voeden, het weiden der kudde met het Woord. En ook bij dit Herdersambt is het de Profeet die het instelt; die |298| in dit ambt inzet; die er de gaven voor uitdeelt; en zelf het subject is dat door den herder profetisch zijn kerk toespreekt.


Ten slotte komt er nog dit bij. Deze Profeet is een profeet, niet alleen omdat hij door organen en instrumenten ons het Evangelie voorlegt en ons inleidt in den verborgen Raad en wil van God aangaande onze verlossing, maar hij is bovendien nog die eigenlijke Profeet, die bij elk geloovige door zijn Heiligen Geest de eigenlijke prediker en verkondiger aan het harte is.

Ge moet niet zeggen: Zoo Jezus door alle deze instrumenten en organen werkt, dan is hij toch werkeloos achter het scherm des hemels verborgen en zijn het deze profeten en apostelen en herders, die eigenlijk het profetisch ambt bedienen. Want dit is geheel onwaar.

Als er een mensch is, bij wien alle deze hulpprofeten, en apostelen en herders werken, en Jezus rechtstreeks niet zelf als Profeet werkt, dan blijft zulk een mensch even blind, dom en onkundig alsof hem nooit een woord gezegd ware. Zoo verre is het er vandaan dat jezus werkeloos zou blijven, dat integendeel al het werk van zijn organen en instrumenten doelloos en ijdel is, zoo hij niet zelf als Profeet door zijnen Heiligen Geest ook rechtstreeks in de ziel predikt.

Al wat de profeten en apostelen en herders doen is niets dan voorbereiden en zaaien. Maar zoomin de landman één korrel kan doen gedijen, zoo de Schepper van hemel en aarde niet in dien korrel inwerkt, evenmin kunnen alle herders saam al ware het ook maar aan één enkele ziel het heilgeheim openbaren, zoo de hoogste Profeet en Leeraar niet door den Heiligen Geest hun dood woord levend maakt voor de ziele.

En onze slotsom is derhalve, dat de Christus nu nog, evenals van het Paradijs af, altoos de eigenlijke Prediker, de eigenlijke Herder, de eigenlijke Trooster, de wezenlijke Profeet bij elk van zijn verlosten is.

Al wat als orgaan of instrument tusschen Hem en zijn geloovigen ligt, is slechts kanaal en voertuig en geleiddraad. De geestelijke electriciteit, als we zoo zeggen mogen, komt altoos rechtstreeks van Hem.

Als de gemeente vergaderd is dan is er óf een dof geklap, óf als er prediking zijn mag, dan is hij het die den lof des Heeren verkondigt aan al zijn broederen.

Als een ziel geraakt wordt, dan heeft hij die ziel met den bliksem van zijn vuur getroffen.

Als er een opwaking van den geest der genade en der gebeden in de kerk mag komen, dan is hij de Profeet die dit heilig vuur instortte en aanblies. |299|

Kortom, van het Paradijs al tot nu toe is de Immanuël de van God verordineerde en van Gbd gezalfde Profeet, die voor alle ziel die ten leven gaat de mysteriën van Gods ontfermingen zelf, persoonlijk en rechtstreeks heeft ontzegeld.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002