Tweede Hoofdstuk.

Een profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de Heere, uw God, verwekken; naar hem zult gij hooren.

Deut. 18 : 15.


Het ambt dat aan Jezus wierd opgedragen, en waartoe Hij verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd was, is drieërlei, t.w. het ambt van Profeet, van Priester, en van Koning. Deze drie, en in deze volgorde.

Gelijk ge u herinnert, is het ambt de uitoefening van Gods souvereine Opperhoogheid door eenen mensch. Niet de uitoefening van zijn Goddelijke Almacht, want die stelt Hij nooit ter beschikking van een mensch. Ook is het ambt niet de uitoefening van Gods wil door menschen; dit toch doen niet enkel personen in het ambt, maar op hun beurt alle menschen. Neen, het ambt is de uitoefening van die bepaalde mogendheid |286| des Heeren die in zijne Souvereiniteit, in zijn Overhoogheid, in zijn Heerschersmacht ligt, d.i. in zijn Scheppersrecht om over alle creatuur te beschikken en alle schepsel onder zijn bedwang te houden.

Hieruit vloeit vanzelf voort, dat onder de drie genoemde ambten van Profeet, Priester en Koning, het ambt van Koning de voleinding in zich draagt, en dat de beide andere in hun uitwerking de glorie van het Koninklijk ambt van Christus moeten dienen.

Wilt ge dan ook de drie tot één herleiden, om in één ambt heel de volheid zijner majesteit uit te drukken, dan moet ge Hem als den Profeet, en ook als den Priester eeren, maar u voor Hem nederbuigen als uw Koning, die Koninklijk én in uw bewustzijn, én in uw zedelijk leven, én in uw persoonlijke daad heerschen wil.

Vandaar dat onze Catechismus dan ook zeer juist dit uitnemend en voleindend karakter van de Koninklijke majesteit in den Messias uit doet komen, door Hem als Profeet den hoogste, als Priester den eenige, maar als Koning den eeuwige te noemen.

En toch, ook al ligt in de Koninklijke majesteit de voleinding en de volheid van het ambt, de splitsing in de drieërlei waardigheid van Profeet, Priester en Koning geschiedt niet zonder groote oorzaak.

God de Heere schiep metterdaad drieërIei leven in onzen menschelijken persoon in. Een ander is het leven van onze kennis, een ander het leven van onzen wil, en weer een ander het leven van de daad; of wilt ge van ons optreden in de wereld.

Feitelijk heerscht God de Heere over alles, en in China zoomin als in Indië geschiedt ooit iets tegen zijn verborgen wil. Door heel de schepping geldt het: „Geen ding geschiedt er ooit gewisser, dan ’t hoog bevel uit ’s Heeren mond”. Maar hierin rust de Heere niet. Hij zoekt als onze Vader in de hemelen kinderen, die Hem kennen zullen, en met het heldere bewustzijn der kennisse zijn wil zullen ten uitvoer leggen. Vandaar de noodzakelijkheid dat de Souvereine mogendheid des Heeren ook in hun bewustzijn openbaar zal worden. Ook in hun denken en in hun verstand en in hun verbeelding wil God Almachtig heerschen. En daarom is er een goddelijk onderwijzen van deze zijn kinderen noodig, en het is deze goddelijke onderwijzing en verlichting en verrijking van het bewustzijn zijner kinderen, waarop het Profetisch ambt van den Christus doelt.

Doch ook dit is niet genoeg.

Kennis kan nog opgeblazen maken, en door de zondige neiging en drijving des gemoeds de kennisse tegen God gekeerd worden. Den Duivel faalt het niet aan kennisse, maar wel aan den goeden wil. Ook de wereld van ons wilsleven moet daarom door God beheerscht. Ook in wat we |287| ons zedelijk leven, het leven van ons gemoed en onze neiging en zelfbepaling noemen, moet derhalve de mogendheid des Heeren reddend, vrijmakend en beheerschend indringen, en hieruit ontstaat de noodzakelijkheid van het Priesterlijk ambt.

En eerst als nu op die wijs uw bewustzijn door den Profeet verhelderd, en uw wilsleven door den Priester in rechte sporen geleid is, kan de Koning met volle, koninklijke glorie heerschen in uw daad en in uw lot.

Niet, alsof de Koning wachtte tot de Profeet en de Priester hun taak bij u voleind hadden. Zoo dor werktuigelijk is deze ambtsbediening niet, en alle drie deze ambten schuiven, naar de gelegenheid van uw persoon, voor en door elkander. Maar vraagt ge naar de volle glorie van de Koninklijke heerschappij van den Christus in Gods uitverkorenen, dan komt die eerst dan tot stand, als de Profeet uw bewustzijn opgeklaard en de Priester uw wilsleven in het zoet van het dankoffer heeft ingeleid.


Deze drievoudige uitoefening van de Souvereine mogendheid des Heeren Heeren in ons Bewustzijn, ons Wilsleven en onze Daad, grijpt plaats onafhankelijk van de vraag, of we al dan niet in zonde vielen.

Ook in het Paradijs vóór den val wierd Adam en wierd Eva profetisch, priesterlijk en koninklijk bewerkt. De Catechismus vatte dit zeer juist toen hij verklaarde, dat Adam 1º. den Heere recht kennen, 2º. Hem van harte liefhebben, en 3º. met Hem in de eeuwige zaligheid leven moest.

Dit kan ook niet anders.

Door de zonde wierd wel ons Bewustzijn, onze Wil en onze Daad verdorven, maar ze werden er daarom niet uit geboren. Ook vóór den val was er in Adam Bewustzijn, Wil en Daad en in elk dezer drie heerschte het Gezag en wrocht de Mogendheid des Heeren Heeren.

En evenzoo houdt dit drieërlei ambt, als eens de zonde niet meer zijn zal, niet weer op. Integendeel. De kennisse zal dan eerst zuiver doorwerken. De offerande van het offer der dankbaarheid dan eerst volkomen zijn. De heerschappij van den Heere Heere over zijn volk dan eerst in vollen luister schitteren.

Maar wel valt, zoo ge u de zonde wegdenkt, de bediening van dat drievoudig ambt door een Middelaar weg. In het paradijs vóór den vat wierd Adam profetisch, priesterlijk en koninklijk bewerkt rechtstreeks. Er is geen zweem van een tusschenkomenden persoon in het paradijs merkbaar. Er is God en de mensch, maar bij den mensch geen ambtelijke dienst door menschen.

En evenzoo zal, als eens de zonde tot de geschiedenis zal behooren. |288| deze rechtstreeksche bewerking, zooveel dit kan, terugkeeren. Dan zullen we zien „aangezicht tot aangezicht”, „kennen gelijk we gekend zijn”, (1 Cor. XIII : 12). Dan zegt de Christus, „zeg Ik u niet, dat Ik tot den Vader voor u bidden zal, want de Vader zelf heeft u lief” (Joh. XVI : 26). En ook, dan „zal de Christus het Koninkrijk aan God den Vader overgeven, opdat Hij zijn moge alles in allen” (1 Cor. XV : 28).

Niet de Profetische, de Priesterlijke, de Koninklijke heerschappij des Heeren Heeren hangt dus aan de zonde, maar wel de bediening van deze drie door een Middelaar; de bediening er van door den dienst van een mensch; of wil men de ambtelijke bediening. Wat buiten de zonde rechtstreeks zonder orgaan, toegaat, heeft waar zonde inkomt, de zijdelingsche bediening door den ambtelijken mensch van noode.


Evenwel is hiermee niet bedoeld, dat de Zone Gods, ook buiten de zonde om, hier niet zijn eigen werk zou hebben.

Deze gedachte ligge verre van u, want hiermeê zoudt ge het onderscheiden werk van den Zoon in de goddelijke bedeeling voorbijzien en niet tot zijn recht laten komen.

De Zone Gods is de Profeet, de Priester en de Koning ook der engelen. Ook de engelen eeren Hem als hun Heere en Koning, niet om zijn offerande op Golgotha, maar geheel buiten het Middelaarschap der Verzoening om. Van eeuwigheid tot eeuwigheid blijft de Tweede Persoon in de Drieëenigheid het Woord, en als zoodanig de Wijsheid des Heeren Heeren in zich dragende, en is Hij het die alle redelijk en bewust schepsel door den Heiligen Geest bezielt en beheerscht.

In dien zin was Hij de Zoon, de Tweede Persoon in de Drieëenheid, dus ook voor Adam in het paradijs, vóór zijn val en geheel buiten het Middelaarschap om, de Drager van zijn bewustzijn, zijn zielsleven en zijn daad. En toch was dit geen ambtelijke werkzaamheid, want dit deed de Zoon almogend, rechtstreeks, als God, in gemeenschap met den Vader en den Heiligen Geest.

Toen daarentegen de zonde was ingeslopen, en de breuke voltooid, en de rechtstreeksche gemeenschap tusschen God en zijn mensch verbroken was, toen ja, is de noodzakelijkheid van den Middelaar ontstaan, niet voor de gevallen engelenwereld, die onherroepelijk weg was, maar voor den gevallen mensch, over wien gedachten der ontferming waren.

Toen ontstond de noodzakelijkheid om bij dezen gevallen mensch een Middelaar te doen optreden. Voor dat Middelaarschap den mensch Christus Jezus te verordineeren. En nu dien mensch Christus jezus te doen ingaan in het drieërlei ambt van Profeet, Priester en Koning, opdat ook |289| nu dezelfde souvereine mogendheid des Heeren door hem zou worden uitgeoefend, als vroeger; maar nu niet meer rechtstreeks; nu door een Middelaar; nu door den dienst van een mensch; door een orgaan; ambtelijk.


Van het eerste dezer drie ambten, t.w. van het Profetische ambt, zegt de Catechismus, dat Jezus verordineerd en gezalfd is „tot onzen hoogsten profeet en leeraar, opdat hij ons den verborgen raad en wille van God aangaande onze verlossing volkomenlijk openbaren zou.”

Ook hierbij is dus te onderscheiden tusschen den algemeenen achtergrond, en het speciaal karakter van dit ambt.

De algemeene achtergrond is, dat de Tweede Persoon in de Drieëenheid het Woord heet, en dat van dit Woord geldt: „In hetzelve was het leven en het leven was het licht der menschen, en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.”

Zoo geldt ook nu nog voor de heidenwereld, dat de Zone Gods (niet de Middelaar) in het leven van al deze volken het licht is; dat alle kennis die aan deze natiën verbleef uit het Woord is; en dat alleen de sluiers van heur eigen zonde en zinsverduistering haar beletten dit goddelijk licht te zien.

Zoo geldt het in onze eigene omgeving, dat alle kennisse en wetenschap die buiten Gods Woord om, in de ongeloovige wereld, nog met deelen van waarheid schittert, van oogenblik tot oogenblik door den Zoon in deze kringen wordt uitgestraald.

En zoo geldt ook van Gods kinderen, dat in de dagen, toen hen nog duisternis omving, en er nog geen licht in hun ziel doorbrak, de algemeene kennis van recht en gerechtigheid, van goed en kwaad die nog in hen was, en nawerkte, door het eeuwige Woord in hen gedragen wierd.

Zoo ge wilt een algemeen profetisme van het eeuwige Woord in het menschelijk bewustzijn, maar uitgaande niet van den Middelaar die mensch was, maar van den Zone Gods, die zelf God en bij God zijnde rechtstreeks met goddelijke mogendheid werkt.


Doch op dezen algemeenen grondslag komt nu het speciaal profetisch ambt van den Middelaar in Gods kerk te staan.

En hiermeê treedt voor u niet het eeuwige Woord maar het Vleeschgewordene; niet de Zone Gods, maar de Zoon des menschen, niet de Goddelijke persoon, maar de mensch Christus Jezus.

Deze „mensch Christus Jezus” wordt nu verordineerd. Hij wordt besteld |290| voor het ambt. Hij wordt, om dit ambt te kunnen bedienen, met den Heiligen Geest gezalfd. Hij ontving daartoe den Heiligen Geest zonder mate.

En deze aldus verordineerde en in het ambt ingestelde mensch Christus Jezus, ontvangt nu last en macht, om in de verkorenen des Heeren de kennisse in te brengen, hen te verlichten en hun bewustzijn te zuiveren en te verlichten.

Toch moogt ge dit niet weer zóó denken, als had nu deze mensch Christus Jezus niets met het eeuwige Woord gemeen. Het speciale mag niet losgemaakt van den algemeenen achtergrond, waarop we wezen.

Integendeel, juist het Woord is vleesch geworden. Juist de Tweede Persoon trad in Jezus op. Het was de Zone Gods die gezien is als de Zoon des menschen.

Zijn ambtelijk vermogen om in Gods kinderen het bewustzijn om te zetten, te zuiveren en te verrijken, was dan ook niet van buiten op hem gelegd, maar wortelde in die wonderbare Theologia unionis, die onze Middelaar, naar luid van de belijdenis der kerk, bezat. Door Theologia unionis 1) toch drukten onze vaderen uit, dat de Middelaar zijn eigen kennis van de dingen en het wezen des Heeren Heeren, niet door mededeeling ontvangen had, maar krachtens zijn eigen eenheid met het goddelijk Wezen bezat.

Het eeuwige Woord is uit den Vleeschgewordene niet weg. De Zone Gods is niet buiten den Zoon des menschen. De Tweede Persoon is in Jezus van Nazareth.

Dat nu de mensch Christus Jezus in dien zin als Profeet optrad heeft een stipte en strenge beduidenis.

Veel is overal in onze eeuw over het eigenlijk karakter van een profeet gehaspeld en verhandeld. Een profeet, zei de één, is een voorzegger van dingen die komen zullen. Een ander zag in hem een aankondiger van Gods oordeelen. Een derde, een zedelijk getuige. Een vierde een nationaal bestraffer en volksleider. En zoo doolde men steeds verder buiten Gods Woord om.

Naar dat Woord toch is de beteekenis en het karakter van een profeet geen oogenblik onzeker of twijfelachtig. Een profeet is, naar luid der Heilige Schrift, iemand die uit Gods raad aan zondaren bekend maakt al wat voor hen noodig is ter behoudenis en opdat ze hun God met eere zouden dienen.

Er traden in Israël ook valsche proleten op. En wat is nu het doodelijk argument waarmee de echte profeet deze valsche nabootsers ontwapent? |291|

Lees het maar in Jeremia 11 : 16 v.v.: „Hoor niet naar de woorden der profeten, zegt de Heere der heirscharen, want ze spreken het gezicht van hun eigen hart, en niet uit mijnen mond; want wie hunner heeft in den raad des Heeren gestaan, en zijn woord gezien of gehoord?”

Dit is helder, doorzichtig en eenvoudig.

Er is een raad des Heeren. Die raad is verborgen. Geen zondaar kan uit zich zelf in dien raad ingluren. Ook komt hem op verre na de kennisse van al dien raad niet toe.

Maar toch is er een deel in dien raad des Heeren, waarvan de zondaar kennis moet dragen; waarvan, hij weten moet, om zijn weg wel aan te stellen; en waarvan hij geheel doordrongen moet worden, om zijn God te kunnen diehen en uitzicht te hebben op behoudenis.

En het groote middel nu, waardoor dit deel van den raad des Heeren aan den zondaar wordt meêgedeeld, aangebracht, ingeprent en ingeplant, dát is het ambt der Profetie.

De naam van den Profeet zegt én in het Oude én in het Nieuwe Testament, niets anders, dan dat hij aankondiger, overbrenger, mededeeler, berichtgever, uitspreker is; slechts met de bijgedachte, dat dit uitspreken en aankondigen niet aan zijn willekeur hangt, maar met drang en overmacht hem tot noodwendigheid wordt.

Een „vuur in de beenderen” zooals Jeremia het uitriep. Dat hij wilde zwijgen, maar niet kon: „Heere, gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht”.

Intusschen onderscheide men hier nu wel tusschen den eigenlijken Profeet en de ondergeschikte hulp-profeten.

Jezus alleen is de Profeet. Maar gelijk een Commissaris die in eenig werk door den Koning is aangesteld, voor zoover hij niet alles zelf kan doen weer op zijn beurt commissarissen onder zich en in zijn naam aanstelt, die hem vertegenwoordigen, zoo ook ging het toe bij dit Profetisch ambt.

Het ambt droeg en draagt de Christus. Het Profetisch ambt voor heel de kerk door alle eeuwen en onder alle volk.

Maar overmits hij zelf niet allerwegen persoonlijk dit ambt in zijn volledigheid bedienen kon, heeft de Profeet weer andere profeten onder zich als zijn hulpe aangesteld, die nu in zijn naam als profeten optreden.

Hierin ontvingen echter deze onder-profeten volstrekt geen ambt of rang naast hem of boven hem, maar bleven ze de organen waarvan hij zich bediende, om zelf zijn eigen ambt door hen te kunnen bedienen. |292|

Ook de heidenen wisten, dat er een verborgen raad Gods was, en ook zij wilden in dien raad doordringen. Vandaar hun guichelaars en waarzeggers, en mysteriën en hun valsche profeten.

Maar terwijl nu aan Israël gelast wordt, om zich voor deze huichelaars en duivelbezweerders en doodenondervragers streng te wachten, wordt tevens aan Israël gezegd: „Een profeet uit het midden uwer broederen, als mij, zal de Heere uw God u verwekken. Hem zult gij hooren!” (Deut. XVIII : 15), en door dit woord is Jezus alleen, en bij uitsluiting als de Profeet zijner kerk ingesteld.




1. Godskennisse krachtens innerlijke eenheid met God.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002