Zondagsafdeeling XII.

Vraag 31. Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde genaamd?

Antwoord. Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, en met den Heiligen Geest gezalfd, tot onzen hoogsten Profeet en Leeraar, die ons den verborgen raad en wille Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft; en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige offerande zijns lichaams verlost heeft, en ons met zijne voorbidding steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning die ons met zijn Woord en zijnen Geest regeert en ons bij de verworvene verlossing beschut en behoudt 1).

Vraag 32. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?

Antwoord. Omdat ik door ’t geloove een lidmaat van Christus en alzoo zijner zalving deelachtig ben, opdat ik zijnen naam bekenne en mij zelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciŽntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere.


*

Eerste hoofdstuk.

En de Middelaar is niet middelaar van ťťnen, maar God is ťťn.

Gal. 3 : 20.


De Verlosser voert behalve den naam „Jezus” niet nog een tweeden naam. Zijn naam is ťnkel „Jezus”. Die ťťne naam is de naam waarin zijn wezen persoonlijk optreedt. En daarom met dien naam wordt Hij genoemd.

Vraagt ge of Hij dan toch niet ůůk „Christus” is geheeten? Ongetwijfeld! Maar als ge in de landshistorie leest van Prins Maurits, den Stadhouder en Kapitein-generaal, dan stemt ge toch toe, dat alleen Maurits zijn persoonsnaam is, dat Prins de waardigheid van zijn geslacht, en Stadhouder zijn ambt, uitdrukt. Zoo kan men allerlei namen en titels voeren, maar die toch den eigenlijken naam niet vervangen. En als dan ook de Heiland genaamd wordt: Onze Heere Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon en Zoon des menschen, en wat titels er meer voor zijn glorie zijn mogen, dan is en blijft toch onder alle deze |279| hooge en heilige titels alleen Jezus de persoonsnaam des Heeren, en de uitdrukkingen „Heere”, „Christus”, „Gods Zoon”, „Zoon des menschen”, doelen evenals dat Prins de Stadhouder bij Maurits deden, deels op zijn herkomst, en deels op de ambten en waardigheden die hij bekleedt.

Dit geldt dus ook van den naam Christus, aan welks bespreking we thans toe zijn. „Christus” is de aanduiding van Jezus’ ambt. Indien we ons gewend hadden om altoos van Jezus den Christus te spreken, zou elk onzer dit terstond gevoelen. Nu we dit nalieten is „Christus” maar al te veel met „Jezus” ineengevloeid en is het daarom volstrekt noodig, dat de kerke Gods beide weer helder ga onderscheiden.


Wat duidt deze ambtstitel „Christus” dan aan?

Niets minder, dan dat Jezus drager is van het hoogste en heiligste ambt; van het ambt in volstrekten zin; zoodat hij eigenlijk de eenige ambtsdrager en daarom de Christus is.

Christus beteekent Gezalfde. Zalving nu is symbool van het leggen op iemand van hooge en heilige macht. Als er een mensch uit de menschen wordt uitgenomen, om koning te zijn, dan voelt ieder de behoefte om zulk een nietig mensch met sierlijke kleederen te omhangen en hem een kroon van goud op het hoofd te zetten. Dat purper en die kroon duiden dan voor ieders oog aan, dat zulk een nietig mensch deze macht van nature niet had, maar dat ze van buiten op hem gelegd en hem omgehangen is. En ter aanduiding dat deze op hem gelegde macht goddelijk van oorsprong is, omhangt men hem met zeer kostbare en schitterende kleedij.

En dit is reeds iets.

Maar toch de omkleeding van dezen mensch met glans en schittering is zoo nog niet innig genoeg. Ze siert hem wel voor het oog der menschen, maar ze raakt hem zelven persoonlijk, in zijn eigen wezen, niet. En daarom komt nu bij die kostbare kleedij nog de zalving, die langs zijn hoofdhaar en baard afleekt, en zijn gelaat en borst en tot de huid zijns wezens overvloeit; ja, door den kostelijken geur tot in zijn binnenste besef indringt. Zalfolie is een zeldzaam glanzige olie, zooals het Oosten vooral zulke glanzig gouden oliŽn oplevert. Het doffe en dorre overtrekt zulk een olie met een waas van schoonheid en schittering. Zooals het doffe, dorre hout gepolijst wordt en nu met een schitterenden zweem van glans overtogen is, zoo ook strekt in het Oosten de zalving om de dorre lichaanishuid met een dun waas van schittering te overdekken, en ze in glans en gloed te zetten. De olie vormt op die wijs een alIerdunst gewaad waarmeÍ het lichaam omtogen wordt, en zich dies met geheel het lichaam vereenzelvigt. |280|

Om dan ook aan te duiden, dat een kind des menschen niet voor een oogenblik maar duurzaam, niet in schijn maar wezenlijk met een hoog, goddelijk ambt, en alzoo met majesteit bekleed wierd, greep zulk een zalving plaats. Die zalving wierd dan geacht eens en voor altoos in hem te dringen, en al kon hij kroon en purper nog afleggen, deze schittering van het kleed der heilige zalfolie, die zich als in zijn hoofd en huid had ingedrongen, verliet hem nooit.


Toch was deze zalving slechts symbool, en nergens valt te bespeuren dat ze een sacrament is. Het verschil tusschen beide is, dat bij het sacrament de beteekende zaak hem die het teeken in geloof ontvangt toekomt. Sacramenten beelden niet slechts af, duiden niet slechts aan, maar zijn teekenen, waarbij de zaak zelve toekomt, voor zoover er geloof is. Wie gelooft en van het gebroken brood en den vergoten wijn neemt, wordt op dat zelfde oogenblik gevoed en gedrenkt met het lichaam en bloed zijns Heeren. Maar zůů is het symbool niet. Het symbool heeft wel samenhang met de zaak die het afbeeldt, maar enkel omdat de ťťne God, die ťn het symbool ťn de beteekende zaak schiep in die schepping zelve dien sa‚mhang inlei. De wijnstok, de goede herder en zooveel meer zijn symbolen van Jezus, omdat dezelfde God die den wijnstok en den herder schiep ook de Vader en Zender van onzen Heere Jezus Christus is, en beide wijnstok en herder met het oog op den Middelaar geschapen heeft Goddelijke teekening is wat Hij tot aanzijn riep. Heilige perspectief is zijn schepping. Alles is er om den Zoon. En daarvandaan het aanschouwelijk onderricht, waarmee de Heere ons in heel de schepping onderwijst. Een vroom kind Gods zal bij het zien van den wijnstok vanzelf aan zijn Heiland denken. Niet door vergeestelijking, maar omdat de Heere zelf hem zoo onderwees.

In dien zin nu is ook de olie symbool van de opgelegde majesteit, van het opgedragen ambt. Iets waarbij natuurlijk elk denkbeeld aan die grove olie, die alleen dienst doet om te branden, geheel moet terzij gesteld, en gedacht moet aan een kostelijken nardus, als waarmee Maria Jezus zalfde voor zijn begrafenis. Welnu, deze olie is heel de Schrift door symbool van den Heiligen Geest in zijn mededeeling. Niet van den Heiligen Geest op zichzelf, maar van den Heiligen Geest als meegedeelde gave, die het doffe glanzig, het dorre lenig, het stramme levendig maakt, en vuur ontsteekt, als Hij in ons gaat branden. Olie is vloeiend, glanzend goud, dat ongemerkt vuur in zijn droppelen verbergt. En waar nu deze gouden glans beeld en symbool is van de majesteit in haar schittering, is dit geheimzinnig verborgen vuur beeld en symbool van de majesteit in haar koesterende |281| en vernielende kracht. En beide steeds als van God, den Schepper van den balsem en de zalfolie, uitgaande.


Zoolang bij de volken het besef, dat alle macht over menschen van God komt, nog levendig was, bestond dan ook de gewoonte om koningen, om priesters, soms ook om profeten te zalven bij de aanvaarding van hun ambt. Niet sacramenteel, alsof ze eerst bij deze zalving de majesteit kregen, maar als symbool om aan te duiden wat God hun gegeven had. Deze zalving wierd dan ook altoos verricht door een heilig priester; want immers ze kwam van God en duidde aan dat zulk een zijn ambt en majesteit en macht van God ontving en alzoo ook aan God te verantwoorden had. Vandaar dat deze zalving almeer in onbruik raakte, naar gelang het geloof wegzonk, dat de macht en majesteit door God den Heere aan de Vorsten was opgeleegd. En toen men van lieverleÍ den mensch, den persoon des vorsten, voor zoo treffelijk hield, dat men niet inzag waarom hij niet waardig zou zijn zulk een hem door menschen opgedragen macht uit te oefenen, viel allengs heel de zalving weg. Alleen oude dynastieŽn behielden haar uit gewoonte.

Nu staat echter naast al deze gebrekkige zalvingen voor de ambtsdragers in het Koninkrijk der wereld, deze ťťne wezenlijke Zalving van den ambtsdrager in het Koninkrijk der hemelen. Al die andere zalvingen van koningen gaan met de wereld en haar heerlijkheid eens voorbij. Maar als eenmaal dit aardsche den raad des Heeren zal hebben uitgediend, dan zal dit Koninkrijk der hemelen, als het wezenlijke en eigenlijke Koninkrijk, eerst recht uitbreken, en eeuwiglijk Godes glorie dienen.

Geen aardsche zalving zelfs van den machtigsten keizer kan daarom ook maar van verre met dťze zalving in vergelijking komen. Dat alles gaat voorbij en verdwijnt eens. Maar hier spreekt de Heere zelf: „Ik toch heb mijn Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid!

Hier is dus de eigenlijke, de eenige ware, de principiŽele Zalving. Hier is het een opleggen door God zelf op het hoofd van een mensch van de macht en de majesteit waarmeÍ Hij dezen mensch in het alomvattend ambt bekleedt. Zoo dikwijls ge dus hoort, dat uw Jezus is de Christus, zult ge Hem u indenken, als mensch in zijn nederigen staat, van glans en glorie beroofd, en nu de Heere Heere hem overgietende met zijn heilige zalfolie, d.i. op Hem leggende de volstrekte majesteit, de duurzame macht, de onverwelkelijke glorie, en Hem stellende in het volle, rijke, ondeelbare ambt, waarmee en waartoe en waardoor Hem alle macht in hemel en op aarde.gegeven wordt.

Jezus, dat is uw Heiland in de gestalte van een dienstknecht, maar als |282| ge hoort dat hij tot den Christus is gesteld en gemaakt, dan wordt op eenmaal die Jezus voor het oor uwer ziel tot Koning uitgeroepen, en is Majesteit der majesteiten de titel zijner eer.


Onze Catechismus zegt daarom terecht: De naam of beter de titel „Christus” beduidt dat hij van God verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd is tot onzen hoogsten Profeet, eenigen Priester en eeuwigen Koning.

Hij is verordineerd, en verschijnt dus hier niet als de Tweede Persoon der DrieŽenheid, die onmogelijk ooit gezalfd kan worden. Immers de Tweede Persoon der DrieŽenheid blinkt en schittert van eeuwigheid en uit zich zelven in zijn majesteit en glorie. Wat nu op het hoogst blinkt en schittert kan door geen polijsting of zalving tot hooger glans gebracht worden. Zalving is alleen denkbaar en heeft alleen reden van bestaan bij hetgeen dien hoogsten glans derft.

De Heere komt ons hier derhalve voor in zijn vernedering, als onzer ťťn geworden, als mensch. Dit moet stipt en streng vastgehouden. Anders toch valt het ambt hier weg. Ambt toch is bediening van goddelijke macht door schepselen, hetzij engelen, hetzij menschen. De engelen er nu buiten latende, kan Jezus dus geen ambt, vooral niet het ambt dragen, tenzij hij als mensch voor God trede, ’t zij eeuwig in zijn raad, hetzij feitelijk na zijn vleeschwording. God had ook alle ding zelf rechtstreeks kunnen regelen, en geen dienst van menschen bezigen. Dan ware er nooit een ambt en dus ook nooit een zalving geweest. Maar nu dit Gode anders heeft beliefd, en Hij den dienst der menschen verordineerde, nu ontstond hei ambt als bediening door menschen van goddelijke macht. En omdat nu de mensch zoo nietig uitkwam tegenover die hem opgelegde goddelijke macht, moest nu de Zalving symbool zijn van den glans die op hem was gekomen.

Bij het ambt is dus de ambtsdrager de ontvangende en gehoorzamende persoon. Hij is al wat hij is door Gods bestel. Hij wordt geroepen en zegt: „Zie, hier ben ik, Heere!” Een ambtsdrager die iets anders wil dan gehoorzamen, is tot het dragen van het ambt onbekwaam.

Verordineeren is hier dus het zeer juist door den Catechismus gekozen woord. God wil het zoo. God bepaalde het zoo. God verordineerde het aldus. Verordineerde dit ambt voor Hem en Hem voor dit ambt. En in deze verordineering des goddelijken welbehagens ligt al de oorsprong van Jezus’ majesteit als de Christus.

Wel is hier een onderscheid met ons, geschapen menschen in zooverre de Tweede Persoon zelf als God in deze verordineering over zich zelven |283| meÍ verordineerde, doch dit ontneemt aan de verordineering over Jezus niets van haar volle kracht. Als onzer ťťn in ons vleesch te willen komen, was een daad van de vrijwillige liefde des Zoons, maar, dit eenmaal aanvaard zijnde, volgde de verordineering voor en over Hem even stellig en wezenlijk als over elk ander koning. Zonder dat zou zijn vleeschwording niet ten volle werkelijk zijn geweest.

De verordineering over Jezus is de beschikking van het goddelijk welbehagen, waardoor Hem van eeuwig opgelegd is, als mensch te dragen het volle Ambt, waardoor Gods macht over zijn Koninkrijk zou worden uitgeoefend.

Zůů wierd hij de Christus.


Dat nu Jezus toch geen symbolische zalving onderging, en dat de Gezalfde niet met heilige zalfolie gezalfd wierd, lag daarin dat het symbool bij Hem wegviel en terugtrad voor de zaak zelve.

Hoe menig vorst was in vroeger eeuw niet gezalfd, om de majesteit des Heeren onder zijn volk te dragen, en dat toch van achteren bleek hoe gansch ontbloot en beroofd hij bleef van de gave om zijn volk godzaliglijk te regeeren. Doch hier moest dit anders zijn. Hier bij Jezus waar het absolute ambt en de volle majesteit wierd gelegd op den Zoon des menschen, moest ook de schenking der gaven voor zijn regiment wezenlijk en absoluut en volkomen zijn. Gelijk nu in ons geschrift, getiteld: Het werk van den Heiligen Geest breedvoerig is aangetoond, is de uitdeeler van deze gaven voor het ambt de Heilige Geest. Niet enkel van de zaligmakende, maar ook van de ambtelijke gaven. En waar dus Jezus optreedt, en nu het Christusschap ontvangt, d.i. Koning boven alle koningen, Priester boven alle priesters en Profeet boven alle profeten wordt moest de Heilige Geest Hem dan ook de ambtelijke gaven toebedeelen zonder mate.

Wat dus anders de uitwendige zalving met de heilige zalfolie afbeeldde, wierd hier innerlijk, wezenlijk en volkomenlijk ingestort. Er was zalving, maar wezenlijk, niet symbolisch. En in zooverre was hij de Messias.

Dit begrip van „Messias” toch geeft juist datgene te kennen, wat alsnu door deze principiŽele uiteenzetting gevonden wierd.

„De geest des Heeren Heeren is Op Mij”, roept deze Verordineerde bij Jesaja, „omdat de Heere mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen”. „Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest,” heet het in Spreuken VIII : 23, „van den aanvang, van de oudheden der aarde aan”. „Daarom”, zoo jubelt het den Koning der koningen in Psalm XLV tegen: „daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met vreugdeolie |284| boven uwe medegenooten”. Zoo noemde Hem dan ook de kerk te Jeruzalem in haar gebed (Hand. IV : 27): „Uw heilig kind Jezus, welken Gij gezalfd hebt”, en getuigt Petrus in Hand. X : 35: „Belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht”.

Dit „Gezalfde zijn” nu noemt de HebreŽr in zijn schoone taal: Mesjiach of Messias-zijn, en het is IsraŽls onvergankelijke eere dat het dezen Messias verwachten en uit zijn vleesch en bloed voortbrengen mocht.

Een Messias verwachten was toch nog iets anders dan een koning verwachten. Immers wie een Messias verbeidt, legt niet op de kroon, noch op het purper, maar op de zending van Godswege en op de verleening van de goddelijke gaven nadruk.

Voor elk ander volk, dat een nationalen redder verwacht, is de zalving bijzaak.

Men zalft hem, ja, maar even, vluchtig, daarna eerst komt de redding door zijn moed en zijn beleid. Maar bij IsraŽl is die zalving, dat Messias of Gezalfde zijn, hoofdzaak en het een en al, omdat IsraŽl niet op wat volgen zou, maar juist eeniglijk op die goddelijke zending en die goddelijke begiftiging met de krachten van den Heiligen Geest het oog gericht hield.

IsraŽl heeft niet een onder de vele gezalfde en gekroonde hoofden verwacht, maar den Gezalfde, den Messias, hiermeÍ belijdende, dat allen die dusver gezalfd en gekroond waren, zelfs een David, niet het ambt, niet de bediening van goddelijke majesteit, niet de uitvoering van Gods heiligen wil brachten.

Hoezeer ook gezalfd, toch was in hen de zalving niet. Ze toonden de type, maar niet de wezenlijkheid. Die zou eerst in den Gezalfde, in den Messias komen. En dat deze naam Hebreeuwsch klinkt, moet zoo, omdat niet de andere volken, maar alleen IsraŽl, het door God afgezonderde volk, het volk dat de kerke Christi in zich droeg, het volk dat type van het Koninkrijk der hemelen was, den Gezalfde van dit eigenlijk en wezenlijk Koninkrijk kon verwachten en baren uit zijn schoot.

En zoo is hij dan de Middelaar.

Want Middelaar is niet bemiddelaar, maar meer. Middelaar is de mensch van wien God zich bij menschen bedient, om zijn raad uit te voeren. Buiten het Verbond gedacht heet dit Ambtsdrager en is hij de Verordineerde. Gezien alleen op de vereischte gaven om dit goddelijke regiment uit te voeren, heet hij de Gezalfde, want de zalving „met den Heiligen Geest zonder mate” brengt hem als mensch die gaven en die krachten toe. Maar zet de Heere dit alles nu in den wettigen vorm van het |285| Verbond, dan wordt deze Verordineerde en Gezalfde onze Middelaar.

Niet, omdat hij het tusschen God en ons weer zoo eenigermate bemiddelt en bijbrengt en in een draaglijken toestand herstelt. Dit ware den Verbondstroost vernietigen, want in het Verbond is de vrede door God Almachtig van meet af uit genade gesteld.

Maar Middelaar, omdat deze twee in het Verbond, God en de mensch, de Heilige en de doemeling, een Middelaar tot uitvoering der zaak behoeven. En ook deze Middelaar is niet door ons gepresenteerd, noch uit zich zelf opgekomen, maar door God zelf verordineerd en gezalfd.

Weg dus met alle ethische dwaling en de booze vondst der Vermittelungstheologen, als zou Middelaar eigenlijk een soort middelschakel beduiden. The missing link 2) gelijk de Darwinisten zeggen. Hier dan om de leemte tusschen de goddelijke en menschelijke natuur door een derde soort god-menschelijke natuur aan te vullen.

Al zulke phrasen zijn uitmuntend op heur plaats in de evolutietheorie van Darwin of in het proces der PantheÔsten, maar hooren in de Christelijke belijdenis niet thuis.

De kerk van Christus blijft met den Catechismus belijden, dat Jezus van God verordineerd en gezalfd is om onze Middelaar, onze Messias, de Hope van zijn volk te zijn.




1. De lezing: behoedt berust op een fout.

2. Het ontbrekende tusschenlid.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002