Vierde Hoofdstuk.

Want er is ťťn God; er is ook ťťn Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus.

1 Tim. 2 : 5.


Onze Catechismus bespreekt nog afzonderlijk „het zoeken van zaligheid bij de heiligen” om ook dit als een kennelijke verloochening van den Christus als den algenoegzarnen Zaligmaker te brandmerken.

Hierin is de reuke der Reformatie nog. Thans, in onze dagen, is het gevaar van heiligen-aanbidding, of inroeping van de voorbede van afgestorvenen, in onze Gereformeerde kerken niet zoo dreigend meer. En toch bewijst de Catechismus ons ook hierin een dienst. Waar wij toch, naar den aard onzer huidige kerkelijke toestanden, dit punt licht glippen lieten, noopt hij ons, ook bij dit gevaar stil te staan, en draagt alzoo zorg, dat het wapen waarmeÍ dit gevaar, zoo het weer opkwam, bestreden moet worden, in ons arsenaal niet roeste. |271|

Ja, er moet meer worden gezegd.

Al is het onder ons, Gereformeerden, nog niet tot heiligen-aanbidding gekomen, toch dient het oog er voor ontsloten, dat ook op Protestantsch terrein hetzelfde onkruid reeds weer begint op te schieten, waaruit Rome’s dwaling ten deze voortsproot. En dat niet doordien Rome ze op ons erf overplantte. Dat in het minst niet. Neen maar doordien het menschelijk hart, zoodra het feil gaat, in alle eeuwen en onder alle hemelstreken, steeds met logische consequentie in dezelfde afdwalingen vervalt. De vorm, waarin zulk een dwaling zich voordoet, moge uiteenloopen, maar de grondbedoeling van het hart blijft dan toch ťťn. Het zijn en blijven dwalingen van dezelfde soort, familie en vertakking!

In de Heilige Schrift wordt het aan de kerke Gods gedurig ingefluisterd, ingeprent en schier ingestampt, dat toch de Heere alleen groot moge geacht worden, en dat van elk menschenkind onder ons gelde: „Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijn neusgaten is, want waarin is hij te achten!” of gelijk de Psalmist uitroept: „Immers is ieder mensch ijdelheid”. Dit belijdt de kerk dan ook, en noch in.onze kerken, noch in de kerken die nog onder Rome’s hiŽrarchie staan, zal er iemand zijn, die dit openlijk loochent. Maar komt ge nu op de practijk des levens, o, dan bevindt ge het in Rome en bij ons, en zelfs in uw eigen huis en in uw eigen persoonlijke opinie zoo heel anders. Dan is de inbeelding die verreweg de meeste, en soms vooral de onbeduidendste middelmatigheden van zich zelven hebben, grenzeloos. Dan vindt ge in de meeste kringen ten opzichte van familie en vrienden een onderlinge verheffing en verheerlijking, die voor elk buitenstaander lachverwekkend is. En dan vindt ge bij elk ongeval of voorkomende verlegenheid zulk een blind vertrouwen op menschen, en zulk een schamper wantrouwen jegens den Almachtigen God, dat een vroom en nuchter toeschouwer zich zelven afvraagt, of we ook in de omgekeerde wereld zijn.

Dit kwaad nu sluipt ook ongemerkt in ons kerkelijk en godsdienstig leven in, zoodra de Bediening des Woords er niet ernstig en rusteloos tegen waarschuwt en de eerste beginselen er van niet als contrabande op de grenzen stuit.

Toen het hier bedoelde kwaad dan ook pas in de Christelijke kerk begon op te komen, hebben de toenmalige leeraars zeer wel beseft, dat hiermee aan de eere Gods afbreuk wierd gedaan, om den mensch weer ten troon te verheffen, maar ze zijn er niet aanhoudend genoeg, niet doorzettend genoeg, niet met genoeg veerkracht tegen opgetreden. De nagalm van dat verzet der leeraars valt thans nog in de belijdenis der Roomsche kerk te beluisteren en wie zich mocht inbeelden, dat Rome in zijn |272| kerkelijke uitspraken ooit menschenaanbidding als zoodanig gelast of ook maar vergoelijkt heeft, vergist zich. Neen, ook op dit stuk zijn Ronie’s kerkelijke uitspraken zoo voorzichtig en sober gesteld, dat de geestelijkheid vrij uitnemend bleek te beseffen, hoe met het prijsgeven van de, alleen aan God toekomende, eere aan menschen, of aan eenig creatuur, de wortel van alle ware godsvrucht wierd doorgesneden. En voorzoover Rome in haar officieele uitspraken feil ging, stak ze aan het volk toch nooit anders dan den pink toe, en wachtte er zich wel voor, met heel de hand, het verkeerde aan te wakkeren. Doch wat baatte dit? Waar de theorie den pink toestak, greep de practijk des levens aanstonds toch de hand, liefst met heel den arm er bij, en schriklijk is het te zeggen en te zien, hoe bitterlijk dit overbrengen van de uitgangen der ziel van God op rnenschen allengs in Rome’s kerk is doorgebroken. Niet, dat spreekt vanzelf, bij de hoogere persoonlijkheden en de denkers. Die vervallen daar niet in. Maar wie veel in Roomsche landen, vooral op het platteland en in afgelegen streken gereisd heeft, wierd keer op keer bedroefd door de treurige ervaring, hoe bigottisch hier de vrome zielen aan de creatuurlijke namen van heiligen en patroons en engelen hangen blijven en hoe er van een toegang en doorgang tot het Eeuwige Wezen voor de verdoolde en beangste zielen schier geen zweem of schaduw over is.


Juist met het oog hierop, dient daarom ook in onze Protestantsche, kerken gewaakt, dat geen inkruipsel, hoe zwak ook, worde toegelaten; want weet wel, gij zijt niets beter noch sterker van geest dan uw Roomsche medemensch, en zoo ge op den rand van denzelfden kuil, waarin hij viel, aandringt, zult ook gij in dienzelfden kuil vallen.

In Engeland en in Duitschland gaat het daar zelfs reeds heen. Bijna niet om te gelooven is het, hoe ver in de Engelsche bisschoppelijke kerk de overbrenging van de eere die Gode alleen toekomt op menschennamen en rnenschenbeelden reeds voortschreed. Toch was ook deze kerk oorspronkelijk een Gereformeerde kerk, maar die te kwader ure een hiŽrarchischen bestuursvorm en veel uiterlijk ceremoniŽele bijhield. Daar hebben vooral Calvijn en Bulliger en Joan Š Lasco toentertijd Cranmer wel tegen gewaarschuwd. Maar Cranmer waande, dat hun voorstelling van het gevaar overdreven was. En zie, thans is dit kwaad reeds zoo machtig geworden, dat negen van de tien, bij het binnentreden van zulk een ritualistische kerk, zich niet anders inbeelden dan dat ze in een Roomsche kerk terecht kwamen. En in Duitschland sluipt het kwaad wel langzamer voort, maar kan men toch de beelden van Luther reeds |273| op den wand gemaald vinden juist op dezelfde wijze als waarop men in Rome’s kerk de beelden der heiligen schildert.

Ook onze kerken mogen dus wel op haar hoede zijn. Haar „heiligen” waren een tijdlang „de leeraars” en de „dominolatrie” was in het laatst der vorige eeuw zůů ver voortgewoekerd, dat ze grensde aan afgoderij. Nu nog ziet men maar al te veel hoe vooral jeugdige, bezielde predikers, met name in sommige kringen van vrouwen, met zulk een alle perk en maat te boven gaande vereering worden aangezien en aangestaard, dat de vraag of hierin ook gezondigd wierd, reeds ophield een vraag te zijn. In andere kringen weer wordt met reeds afgestorven leeraars van hoogen naam en met bekende oude schrijvers een soort vereering gedreven, die evenmin altoos de juiste grenzen weet te eerbiedigen, en zeer stellig door Brakel, Smijtegelt, Comrie en wie er meer zijn, zoo ze uit hun graven konden opstaan, zou bestreden worden. Zelfs bij mannen, die eerst kortelings overleden, gelijk in sommige kringen van den kostelijken leeraar uit Elberfeld, is dit kwaad kennelijk. En dat niettegenstaande deze mannen juist door altoos voor de eere Gods te roepen en den mensch in zijn niet neer te werpen de harten hadden veroverd.

Doch ook buiten den kring der leeraars is hier veel brandstof voor het kwade vuur aanwezig. Of worden niet sommige vaders en moeders in Christus in meer dan ťťn kring hooggeschat op een wijze, die hun ziel moet schaden? Hecht men niet soms aan de keur van menschen op een wijze, die toont dat de vrijheid van den Christenmensch die alleen naar zijn God vraagt, ontbreekt? Sluipt er niet bij aanvrage om de voorbidding der gemeente vaak een afgodisch begrip in, alsof in die voorbiddinge een magische kracht school? Ziet men niet almeer een bemoeiÔng, een bezig zijn van onzen geest met de dooden toenemen, die allengs een bedenkelijk karakter erlangt? Hoe verschillen niet onze huidige begrafenissen van den eenvoud onzer vaderen? Wie denkt op onze smakeloos pronkerige, opgesmukte en wanstaltig opgesierde begraafplaatsen nog aan den ernst des doods en dien toorn des Heeren, waardoor ons kwijnend leven vergaat? En alsof zelfs de grenslijn van het graf deze vaart nog niet stuiten kon, wat vindt men niet ook in Protestantsche kringen vaak een sentimenteel voortleven van den geest in een ingebeelde gemeenschap met uitgedragen dooden. Altegader ziekelijke afdolingen die ten leste tot de zonde der Spiritisten hebben geleid, en de gebondenen van harte verlokt, om met Saul naar Endor te gaan en zich te vergasten aan het oproepen van gestorven geesten.


Dit alles nu ligt op ťťn lijn met de heiligen-vereering van Rome. |274|

Bij dit alles toch, zal een iegelijk evenals Rome ten ernstigste betuigen, dat niemand bedoelt het creatuur in de plaats van God te schuiven, en dat integendeel dit alles slechts strekken moet, om de ware Godsvereering te bevorderen. Maar de uitkomst is juist omgekeerd, en de vrucht bij Rome en bij ons steeds even noodlottig.

De ware aanbidders, zegt de Heere Jezus, zullen den Vader aanbidden in geest en in waarheid. En waar wij in onze nietigheid en zondigheid terugschrikken, om voor de Aanspraakplaats van een heilig God te naderen, daar roemt Paulus met heel de kerke der verkorenen, dat wij de toeleiding tot den Troon der genade hebben alleen door onzen Heere Jezus Christus, door wien de ingang in de hemelen voor onze gebeden openstaat.

Dat in IsraŽl de gebeden aan meer creatuurlijke inmenging gebonden waren, vindt zijn verklaring in den dienst der schaduwen, zoolang de Christus nog niet verschenen was. Doch al deze ceremoniŽn hadden dan ook geen ander doel, dan om de gebeden van IsraŽl met den Naam van Christus te overschaduwen. Sinds hij kwam, vielen deze schaduwen dus weg, en mengt zich de Naam van Christus in onze gebeden niet meer door deze, thans ijdel geworden ceremoniŽn, maar door de voorspraak van Christus zelven, die in de hemelen leeft.

Al wat zich derhalve thans nog creatuurlijks in onze gebeden mengen wil is vermindering van den ernst en verlaging van den toon van ons gebed, en strekt niet om ons tot den Vader te brengen, maar houdt van den Vader af.

En hiertegen nu moet de Naam van Jezus ons het wapen zijn.

Zijn Naam is Jezus. Zijn Naam alleen. Hij deelt dien Naam met niemand anders. Vandaar dat we er zoo sterk op drongen, dat ge dien Naarn toch absoluut zoudt nemen. Niet maar: een Jezus, maar de Jezus, uw eenige Jezus. Hij alleen de volkomene en algenoegzame Zaligmaker, de aanbrenger van alle heil.

Al wie derhalve oordeelt, dat hij bij Jezus nog iets bij behoeft, doet te kort aan zijn Naam en Wezen, en in dien zin is het volkomen waar wat de Catechismus zegt, dat door zulk een misbruik de Naam van Jezus wordt verloochend.


Toch zij men met zijn pleit tegen Rome ten deze voorzichtig.

Immers Rome beweert geenszins, dat niet door Jezus alleen verhooring der gebeden ons zou toekomen, maar houdt slechts staande, dat er om die voorbede van Jezus te verkrijgen, invloeden op hem werken moeten. En dat het nu, overmits er vertrouwelingen des Heeren kunnen zijn, |275| die meer invloed op Hem hebben, dan wij, nuttig is de voorspraak van deze vrienden des Heeren te onzen behoeve in te roepen. Ongeveer zooals ge u voorstellen kunt, dat ge in de dagen van Jezus’ omwandeling op aarde, aan den discipel dien Jezus liefhad en die in zijn schoot aanlag, zoudt verzocht hebben: „Vraag gij dit voor mij aan Jezus!”, dat we zoo ook aan de heilige apostelen of aan de heiligen der kerk vragen zullen: Gij hebt meer invloed bij Jezus dan ik, vraag gij dit voor mij, of althans ondersteun mijne smeekinge!

Op zich zelf ligt hierin dan ook niets ondenkbaars. Ook onder ons is het een lieflijke gedachte, dat onze broeders en zusters ons in ons gebed en in onzen nood niet alleen laten staan, maar met en voor ons den Heere aanloopen in hun smeekingen. De apostelen gaan ons hierin voor. Heel de kerk heeft alle eeuwen door deze practijk geoefend. En het gebed der gemeente gaat nog elken Sabbath voor kranken en lijdenden tot den Heere op.

Daarin ligt dus op zich zelf de veroordeeling van de heiligen-aanroeping niet.

Neen, ze ligt hierin:

1º. Of wij de voorbidding der heiligen zullen vragen, staat niet aan ons te beslissen, maar moet uitgemaakt door Gods Woord. Er mag in onze Godsvereering niets eigendunkelijks noch eigenwilligs zijn. Niet wij hebben te bepalen hoe die Godsvereering zijn zal, maar we hebben ons daarbij stipt te houden aan wat de Heere ons in zijn Woord bepaalde en beval.

Bleek dus uit dat Woord, dat IsraŽl gelast was, Abraham, Izak en jakob aan te roepen, ten einde door hun voorspraak verhooring te vinden; en was ook in het Nieuwe Verbond ons die weg ontsloten, elk onzer zou volgen moeten. Maar dit is niet zoo. Nergens wordt van de patriarchen of profeten of heiligen des Ouden Verbonds geleerd, dat ze na hun dood een priesterlijke voorbidding uitoefenden, die door de nog levenden onder IsraŽl wierd verzocht en opgewekt; en onder het Nieuwe Verbond is met niet ťťn enkel woord van zulk een aanroeping sprake.

2º. De inroeping van de voorspraak der heiligen na hun dood gaat uit van de veronderstelling dat onze gebeden tot hen ook kunnen doordringen. Nu ontkennen we niet dat dit kan. Maar we zeggen, dat ons desaangaande niets geopenbaard is. Van Jezus weten we, dat Hij uit den hemel ons hoort. Maar van de apostelen of heiligen is desaangaande ons niets verzekerd of betuigd. De Schrift zwijgt er van. 1) En daar nu de Schrift daarvan niet had kunnen zwijgen, zoo deze heiligen-aanroeping door God |276| gewild en gelast was, zoo besluiten we, dat de onmisbare voorwaarde voor deze heiligen-aanroeping ten eenen male ontbreekt.

3º. Ditzelfde geldt ook van de inroeping der voorbede van Maria en van de engelen. Geen onzer dťnkt er aan te ontkennen, dat de engelen in den hemel gemeenschap met den Verlosser hebben, want Hij is hun heerlijk Hoofd. Ook belijden we volstandig, dat de engelen liefde voor Gods verkorenen hebben, en in het werk hunner zaligheid door den Heere gebruikt worden. „Zijn ze niet gedienstige geesten, die uit worden gezonden om dergenen wil die de zaligheid beŽrven zullen?” Maar hieruit volgt wel dat de Heere op de engelen werkt, om ons door hen het heil toe te dienen, maar volstrekt niet dat de engelen op den Heere werken, om ons ter wille te zijn. Ook van Maria koesteren we hooge gedachten. Zij is onder alle vrouwen door Gods bestel uitverkoren tot het zaligste wat een vrouw zich denken kan, om namelijk den Verlosser der wereld in haar schoot te ontvangen. Maar van zijn kruis verwijst de Heere zijn kerk niet naar de voorbede van Maria, maar zendt een Johannes en Maria sa‚m huiswaarts en bidt zelf voor zijn vijanden.

Al ontkennen we dus niet, dat er ook in den hemel gemeenschap bestaat tusschen den Heiland en de door hem verloste Maria, toch volgt hieruit in het allerminst niet, dat zij onze beden hoort, onze nooden kent, en voor ons bidt tot den Heiland.

4º. De heiligen-aanroeping van Rome wordt bovendien nog door dit zeer ernstig bezwaar gedrukt, dat ze als heiligen leert aanroepen tal van personen, die geheel in het duister der vergetelheid schuilen, en van wier leven men schier niets weet. Want al hebben de Bollandisten door hun Vitae sanctorum hiertegen ook schitterend geprotesteerd, toch kan die schittering hunner prachtige uitgave den kenner der historie niet verblinden. Ongetwijfeld zijn er tal van zeer vrome mannen en vrouwen in Jezus’ kerk geweest, en zijn enkelen zeer ver in de geheimnissen des innigen levens en in de verloochening van zich zelven voortgeschreden, maar zůů kent toch niemand hun leven, dat ooit de mogelijkheid ontstaan zou, Om zeker te weten, dat ze in gedachten, woorden en werken, van alle zonde vrij raakten. Zelfs van de allerheiligsten betuigt daarom onze Catechismus, „dat ze in dit leven nog slechts een klein deel van deze gehoorzaamheid bereikt hebben”, en juist deze allerheiligsten hebben het volhardendst het Onze Vader gebeden, en daarin ůůk geroepen: „Vergeef ons onze schulden”.

5º. Bovendien, na hun dood zijn alle afgestorvenen, die ten leven ingaan, heilig. De dood is een afsterving van alle zonde. Allen die in Jezus ontsliepen staan dus als heiligen gelijk. En al ontkennen we dus niet, |277| dat er ook in den hemel verschil van graad blijft, toch mag nimmer verschil van standpunt tegenover den Heiland toegelaten. Het is onwaar dat de Heere Jezus in den hemel, naar wat de ťťne gezaligde vraagt luisteren zou, en voor wat de andere vroeg, het oor zou dichtsluiten.

Waar dan ten 6º. nog het alles afdoende argument bijkomt, dat elke voorstelling, alsof de Heere Jezus in den hemel dŠn eerst vurig en krachtig voor ons bidden zou, zoo een der heiligen hem dit ons ten behoeve verzoekt, tekort doet aan de belijdenis van zijn majesteit.

Die Majesteit eischt de belijdenis: 1º. dat Hij allen nood van al de zijnen kent; 2º. dat Hij elk gebed in ons hart, dat in dien nood opklimt, bespiedt en hoort; en 3º. dat zijn genegenheid om de zijnen te hulp te komen alle genegenheid van de gezaligde schepselen te onswaarts, zeer verre overtreft.

Wie toch, zoo vragen we met onze Confessie, is er in hemel of op aarde die ons liever heeft, dan Hij die zich in den eeuwigen dood voor on overgaf?




1. Wat Jesaja 63 : 16 staat: „Abraham weet van ons niet en IsraŽl kent ons niet”, raakt wel niet rechtstreeks de voorbidding, maar pleit er toch eer tegen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002