Derde Hoofdstuk.

En de zaligheid is in geenen anderen; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.

Hand. 4 : 12.


Schoon is de naam van „Zaligmaker”, waarmee onze Statenoverzetting den Hebreeuwschen naam Jezus weergeeft. Zaligmaker toch zegt nog iets meer dan Verlosser. Indien Immanuël een verkorene Gods, dien hij in handen van Satan ziet, uit des Duivels vingeren losrukt en diens schuld voor God verzoent, is zulk een mensch wel verlost; maar nog niet volkomen. Immers, hij kon weer in Satans handen vallen. En ook, al kon hij zich daartegen beveiligen, de klauw van Satan liet een diepe, giftige wonde in zijn hart achter. Hij stond niet alleen in de dienstbaarheid der zonde, maar die zonde bracht ook bittere gevolgen met zich. In den nasleep der zonde kwam ellende en dood. Ook daar moest hij dus van af. En al ware het, dat hij ook uit die ellende en uit die banden |265| des doods zich zelven los kon wringen, dan nog ware hij er niet. Want immers zijn menschelijk hart is er niet voor geschapen, om leeg en onvervuld te blijven, en vrede te hebben, zoo het maar van ellende vrij is. Zie, uw menschelijk hart dorst ook naar geluk, naar heerlijkheid, naar heilige kracht, en het kan niet rusten, eer dit hooge ideaal is bereikt. Het moet niet maar van zonde en dood af, maar ook het moet het hoogste goed deelachtig zijn. Uw gelukstaat moet volkomen worden. Eerst dan zijt gij ten volle verlost.

En dit nu, dit ten volle verlossen, dat is het nu juist wat in den zoeten naam van Zaligmaker ligt.

„Zalig” toch beteekent vol, en is afkorting van „gelukzalig”, gelijk het in de boeken des Ouden Verbonds, niet zelden nog versterkt door de voorvoeging „welgelukzalig” voorkomt. Dit blijkt ook voor wie onze oude taal niet kent, duidelijk uit woorden als: armzalig, lamzalig, rampzalig, die alle het hoogste toppunt, de volheid van ellende aanduiden. Laat ons er bij mogen voegen, dat in de middeleeuwen de pest in uitgebreide streken van ons land: de saligheyt genoemd wierd, d.i. het volle der ellende. Het zeggen van een dronkaard, dat hij zalig is, beduidde dan oorspronkelijk ook niet anders dan, dat hij vol zoeten wijns was.

Gelijk nu van gelukzalig, door afkorting, zaligheid de naam wierd voor het hoogste goed, en van rampzalig, door gelijke weglating, zaligheid de naam wierd voor het hoogste kwaad of de pest, zoo beduidt ook Zaligmaker bij den Heere Jezus: dat Hij het 19, die aan de geroepenen des Heeren het volkomen geluk ten volle aanbrengt.

Hier ligt dus nog iets heel anders in, dan alleen dat Hij onze schuld verzoent. Jezus is de Gelukzaligmaker. Hij is het, die u toebrengt al wat de psalmisten of profeten vanouds, in het verborgenst hunner ziel afsmeekten, zoo vaak ze den man naar Gods harte „welgelukzalig” roemden. In Hem ontsprong de Fontein, waaruit toevloeien de stroomen van heil en vrede, waarnaar het me nschelijk hart onder Israël en in de Heidenwereld eeuw in eeuw uit gedorst had. En ook in uw ziel kan geen dorst naar heil zoo diep, zoo rusteloos, zoo krachtig prikkelen, of in Hem, in uw Jezus, is voor al uw begeeren de rijkste, de reinste, volkomenste vervulling.


Hieruit vloeit nu echter, gelijk de Catechismus terecht opmerkt, dan ook rechtstreeks voort: dat bij hem alleen en bij niemand anders elk deeltje van uw zaligheid te zoeken is, en dat Hem, den Christus, verloochent, wie desniettemin voor de begeerten zijns harten bij iemand of iets anders de vervulling poogt te erlangen. |266|

„Er is onder den hemel geen andere naam gegeven door welken eenig mensch ten volle gelukkig, d.i. zalig, kan worden, dan de naam van Jezus. De zaligheid is in geenen anderen.”

Ge merkt op, dat er niet staat: Er is geen andere persoon gegeven, door wien wij kunnen zalig worden; maar: geen andere naam. En dit moet zoo zijn, en kan niet anders, omdat al wat van den persoon des Heeren niet uitgaat, maar in hem blijft, u niet nut; en omgekeerd al wat van hem uitgaat en u toevloeit, in zijn Naam ligt uitgesproken.

Al wat van hem uitvloeit; wat u bereikt; wat u toekomt; wat door u als heil bekend en genoten; en uitgesproken en geloofd wordt, is zijn Naam. De echo die uw hart geeft op de roepstem die van hem, in u dringt, of ooit in u dringen zal.

En in dien zin nu is deze Naam van Jezus absoluut. Hij is niet maar een Jezus, eene der vele gelukaanbrengers en zaligmakers, maar de éénige. Er is geen andere. En al wat schijnbaar ook engelen of menschen of ook de onbezielde creatuur aan uw geluk of tot verheuging van uw hart toebrengen, is óf slechts schijngeluk, óf het is namens hem, door zijn kracht en onder zijn bestel door deze instrumenten u toekomende.

Hieruit volgt dus vooreerst, dat deze Naam van Jezus een proefsteen voor uw eigen hart is.

Uw hart gaat uit naar vele dingen, die zondig, maar ook naar vele dingen die in zich zelve niet zondig zijn. Gij dorst naar de liefde van uw vrouw en van uw kinderen; gij begeert een werkkring waarin ge uw krachten ontwikkelen kunt; gij hebt een verlangen in u naar de achting en waardeering van uw medemensch; en ook, gij kent den wensch om uw bescheiden deel in deze wereld te bezitten en van het goede des levens te genieten.

Welnu, hierbij stelt de Naam van Jezus nu dezen regel, dat een iegelijk mensch die op iets van dit alles zijn hart zet, buiten Jezus om, wel waant geluk te bejagen, maar het waarachtig geluk verspeelt, en bevinden zal, dat het hem na korte genieting, teleurstelt en onvoldaan laat.

Dat daarentegen elk geoorloofd begeeren zijn voldoening ook in dit leven mag hebben, mits het in zijn streven gericht blijve op het hoogste doel.

En dat eindelijk de man, die ter wille van vrouw of kind of huis of goed den Naam van Jezus te kort doet, zijns niet waardig is.

Elk kind van God is daarom gewoon zóó voor zijn God te staan, dat hij belijdt alles verbeurd en op geen ding aanspraak te, hebben; en dat hij nochtans, als een verzoende in Christus, nu om en door Hem dit goede uit loutere genade van zijn God aanneemt. |267|

Het is dit, wat bedoeld wordt, met het bidden ook om aardschen zegen in Jezus’ Naam. Elke bete broods zelfs verbeurd, maar om Jezus’ wil ons uit genade geschonken!

Zoo eerst wordt die Naam des Heeren waarlijk de springader waaruit al wat ons gelukkig maakt en vreugde in ons hart schept, ons toewelt.


Deze Naam van Jezus legt,derhalve den ban op alle gedeeldheid des levens.

Wie zegt: een leven voor mijn ziel, om eens zalig te worden, en daarvoor Immanuel; maar daarnaast een leven van mijn denkenden geest, en daarvoor de schat der aardsche wetenschap; en daarnaast weer een leven in de maatschappij en daarvoor de rijkdom van het vaderlandsche leven; en daarnaast eindelijk een leven voor mijn menschelijk hart en daarvoor de vreugde van mijn gezin en van mijn vriendenkring; — heeft, zonder dat hij er om denkt, zijn Heiland reeds verloochend.

Opzettelijk maakt daarom de Catechismus ook gewag van het zoeken van zijn welvaart bij zich zelven, of ergens elders”. Zaligheid en welvaart, tijdelijk en eeuwig geluk mogen niet gescheiden worden. Er is maar één troost beide in het leven en in het sterven, zoo voor ziel als lichaam. En wie den Naam van Jezus wel op een deel van zijn erf hoog houdt en Hem dies roemt als den Zaligmaker zijner ziele voor eeuwig, maar inmiddels op al het overig erf van zijn leven zich andere bronnen van levensgeluk poogt te ontsluiten, die niet in en door den Naam van Christus geheiligd zijn, wete wel dat hij voor negen tienden aan verloochening van den Naam van Jezus schuldig staat.

Gelijk het den Heere onzen God verloochenen is, bijaldien we, Hem belijdende als „de Fontein van alle goed”, nochtans iets „goed” noemen of eenig „goed” meenen te bezitten, dat niet uit deze Fontein geweld is, zoo ook wordt Jezus verloochend door al wie, als zondaar eenige welvaart of eenig geluk of eenige vreugd of eenige zaligheid waant of beweert te bezitten buiten Hem.

Niet, natuurlijk, alsof er alzoo zekere tweede „Fontein van alle goed” in Jezus zou ontsloten worden, naast de „Fontein van alle goed”, die in het eeuwige Wezen is.

Dat kan een Christen niet bedoelen, want ook niet één ondeelbaar oogenblik kan hij Jezus gescheiden denken van het Eeuwige Wezen of naast of tegenover dit Eeuwige Wezen staande. Maar dit is bedoeld. De „Fontein van alle goed” die in dit Eeuwige Wezen welt, houdt op voor den mensch te vloeien, zoodra hij zondaar wordt. Zonder tusschenkomst |268| van den Middelaar kan aan een zondaar geen goed uit die Fontein van alle goed toekomen. Die bron is voor hem verstopt. Wel is en blijft het volle, rijke goed in die Fontein aanwezig en welt er uit op; maar het kan hém niet meer ten goede komen. Gelijk de zwangere wolk wel regendroppelen doet neerkletteren, maar ze niet in den bodem kan doen indringen, zoo die bodem versteend of verhard is, zoo ook kan het goed uit God niet in uw hart indringen, zoodra eenmaal uw hart een steenen hart is geworden, en elke druppel van vrede en heil er op afketst, in plaats van er door ingezogen te worden.

De vraag voor u als zondaar is dus niet, om u een tweede Fontein van alle goed te doen ontsluiten, maar om een Zaligmaker te vinden, die maken kan, dat het goed dat uit diezelfde Fontein aldoor opwelt, weer tot u kome en u weer zegenen kunne.

En dat nu doet de Naam van Jezus.

Die Naam van Jezus is de sleutel, waardoor de koperen deuren weer ontsloten worden. Die Naam van Jezus is het van God bestelde orgaan, waardoor de gemeenschap tusschen uw hart en die Fontein, van alle goed weer hersteld is. Die Naam van Jezus is de heilige kruik waarin u, o, kranke zondaar, het water uit die Fontein weer wordt toegedragen. ja meer nog, die Naam van Jezus is het wondere inmengsel, waardoor uit die Fontein van alle goed nu ook de olie voor uw wonden en het water der verzoening toekomt!


Dientengevolge werpt die Naam van Jezus dan ook alle menschelijke inbeelding omver, alsof andere godsdiensten naast de eenige ware religie die aan den Naam van Jezus gebonden is, toch ook op hunne wijze den zondaar zaligen konden.

In de kerk des Ouden Verbonds was zijn Naam in, en over de religie van Israël in den dag der schaduwen kan dus gezwegen. Maar die nakomelingen van Abraham, die heden ten dage nog in den dienst der schaduwen en der ceremoniën blijven voortleven, verspelen hun levenskracht in het najagen van een ijdele schim. Ceremoniën en schaduwen die de ziel troosten en zaligen konden, toen ze hen wezen op Hem die komen zou, zijn waardeloos en krachteloos geworden, zoodra Hij kwam. Reden waarom het ons wel voegt met diepe ontfermingen dit ijdel spel aan te zien, en van God te bidden, dat Hij de oogen der Joden toch openen mocht, om uit den schijn tot het wezen te komen, en, aflatende van de schaduwen, de lessching van den dorst hunner ziele te zoeken in Hein, op wien die schaduwen doelden.

Van de Heidenwereld behoeft niet veel gezegd. Immers leert de |269| ervaring genoegzaam, dat deze gedrevene zee van vele volkeren eeuw uit eeuw in her- en derwaarts drijft, maar in haar bijgeloof en afgodisch pogen geen waarachtig menschelijk geluk, laat staan hooger zielevrede vinden kan. Ook de Islam dempt wel het hart en stompt de prikkelen van een heiliger begeeren af, maar bespot eer de diepere nooden der ziel, dan dat het die benedijen zou, door aan de kinderen der menschen als het hoogste goed eeuwiglijk niet de genietingen van het Eeuwige Wezen voor te spiegelen, maar ze af te schepen met belofte van schandelijken wellust.

Doch waar wel op dient gewezen, is op de vele schijngestalten der Christelijke Religie die deels kettersch, deels wijsgeerig, ook thans weer een hoogen toon voeren.

Men zegt dan: Op Christus komt het toch maar aan, en zoolang deze richtingen ons nog maar wijzen op Christus, als ons ideaal, en den verzoener der tegenstellingen, en den herschepper van ons hart, en ons heilig voorbeeld, is toch ook hier nog de ontsluiting tot een weg van heil en zaligheid.

En dit nu juist moet erkend worden.

Immers elke richting, hoe schoon en Christelijk ze zich ook voordoe, „verloochent metterdaad den eenigen Zaligmaker, schoon ze hem met den mond roeme”, zoodra ze ook maar iets afdingt op de volle, rijke beteekenis die in den Naam van Jezus ligt.

Al wie Jezus aanprijst als een der uitstekendste middelen, om tot heil en vrede te geraken, maar naast andere middelen, al erkent hij dat die van lager orde zijn, stopt het kanaal dicht waardoor de eeuwige vrede hem moet toevloeien.

Op de absoluutheid, d.i. op de volstrektheid van zijn Naam kan noch mag iets, wat dan ook afgedongen: hij alleen, de bron van alle heil, voor al wie zondaar wierd, is de onverbiddelijk geldende regel.


Doch niet alleen de verkeerde en onzuivere godsdienstige richtingen, ook de practijk der religie, die iets buiten hem zoekt of bedoelt, wordt door den Naam van Jezus veroordeeld.

En dus in de eerste plaats alle Pelagianisme, hetzij dan half of heel, of ook maar voor een kwart of een achtste toegelaten. Want indien een zondaar, die bij het zoeken van heil, ja wel tot zijn Heiland opziet, maar toch nog altoos in zijn eigen wil, in zijn eigen beter bedoelen, in zijn eigen vroomheid of werkheiligeid, zij het dan ook slechts een hulpmiddel begroet, om het heil aan te grijpen, te genieten en uit te breiden, doet zulk een daarmeê zeer beslist aan de eere van zijn Heiland tekort. |270|

Dan toch komt het altoos neer op een deelen van de zaligheid tusschen dien Jezus die in den hemel zit, en dat kleine jezusje dat we er in onzen wil of onze vroomheid nog bijnemen.

Vandaar dat alleen onze gereformeerde religie de zuivere is, die al wat naast Jezus gepoot of geplant wordt, onverbiddelijk uitrukt, en niets, volstrekt niets dan alleen dien Naam van Jezus staan en tieren laat.

Toch mogen ook wij, Gereformeerden, op onze hoede zijn.

Er zijn er toch ook onder ons zoo velen gedoopt en zelfs met genade begiftigd, die wel die plantinge des heils in Christus daar zien staan, en het niet zouden dulden dat er iets naast wierd gezet, maar die inmiddels de vrucht van den Naam des Heeren onaangeroerd laten.

Ze erkennen, dat alleen door zijn Naam het heil komt, ook dat door dien Naam uit de Fontein aller goeden het water des levens hun toevloeit; maar inmiddels blijven ze verdorsten en versmachten en drinken niet de volheid der genade.

Nu, bij een bron vol helder, glanzend water neder te zitten, en aan den rand van die bron van dorst om te komen, oordeel zelf of dit ook niet is een schrikkelijke manier van die bron te verloochenen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002