Tweede Hoofdstuk.

Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Joh. 3 : 16.


De naam Jezus is gegeven door den engel, eer de Messias in het vleesch ontvangen was.

In dezen naam hebben we dus niet te doen met een naam, die gekozen is door eenigen mensch, of allengs door de inwoners van Nazareth voor Jezus is uitgedacht; neen, maar met een naam, die rechtstreeks van Godswege door een opzettelijke boodschap uit den hemel voor Jezus bepaald is.

Want wel is het ongeloof ook in de kringen der Christenen derwijs |259| ingedrongen, dat ook vele geloovigen over zulk een opmerkelijk feit heenleven, maar op dien stroom mogen we niet mee afdrijven. Eer integendeel moet ’s Heeren volk in zulk een goddelijk werk van ’s Heeren majesteit weer gaan inleven; het moet weer klare, levende, bezielende werkelijkheid voor ons worden. Ge moet u Nazareth kunnen voorstellen, en in Nazareth het kleine, lage woonhuis van Jozef, met den timmermanswinkel in het achterhuis. En naar dat stedeke, naar dat huis, naar dien man gaat een engel uit. Een engel, die uit de verborgen, geheimzinnige wereld der eeuwige dingen zich plotseling in den droom aan zijn oog ontdekt en als uit den lichtsluier der heiligheid voor zijn nachtbewustzijn te voorschijn treedt. En die engel kwam niet uit zich zelf of, uit eigen aandrift, maar was gezonden. Gezonden door den Drieëenigen God, en bij die zending kreeg hij den last meê, om voor alle eeuwen en voor alle natiën op eenmaal den Naam vast te stellen, waarmee de kinderen der menschen den Gezalfde noemen zouden.

De bijomstandigheid dat deze heerlijke openbaring aan Jozef in een droom te beurt viel, mag in het minst niet misbruikt, om op de volle werkelijkheid of de hooge beteekenis er van ook maar iets af te dingen. Ook ons nachtleven in den droom is in den grond der zaak even werkelijk als het dagleven, waarin we wakker zijn. Al het verschil bestaat enkel voor ons bewustzijn. En of God de Heere ons nu in ons nachtleven bezoekt of in ons dagleven, dit doet aan het feit, dat Hij tot ons komt of ons zijn engel zendt niets af of toe. Ook in den droom is zulk een engel volstrekt geen voortbrengsel van onze verbeelding, maar een openbaring van een hemelgeest, die van buiten af tot ons komt. Overdag heeft dit plaats in een vorm en gestalte, gelijk we dit bij dag behoeven; en in den nacht naar den aard der gestalten die ons nachtbewustzijn treffen kunnen. Maar beide malen is de aanraking van onze ziet door een verschijning uit den hemel even beslist.

Zoo is en blijft dan de naam Jezus de naam die door God zelf voor den Middelaar bepaald en ons op de lippen gelegd is. Niet onze liefde of onze bewonderende aanbidding, maar Gods eigen bestel moest dien naam vaststellen. Die naam lag in Gods heiligen raad van eeuwigheid vast. Jezus zou zijn wat die raad bepaald had, dat de Middelaar wezen zou. En overmits nu naam en wezen hier elkaar volkomen dekken moest, was er geen onzekerheid of keus tusschen meerdere namen mogelijk. Met goddelijke gewisheid wierd uit den raad Gods de naam van Jezus voor den Messias vastgesteld.


Deze heerlijke, lieflijke, troostende naam van Jezus is in zijn wortel een |260| Hebreeuwsch woord, en ook buiten den Middelaar en lang vóór Hem door anderen gedragen. Wat in Hebr. IV : 8 staat: „Want indien Jezus hen in de ruste geleid had, zoo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag”, slaat, gelijk elk Schriftkenner weet, niet op den Middelaar maar op Jozua, den zoon van Nun, gelijk het verband trouwens duidelijk uitwijst. Feitelijk is dus de naam Jezus dezelfde naam als de naam Jozua; iets wat men lichter beseffen zal zoo men óók let op den naam Josua, die in 1 Kron. XXIV : 11 en bovendien nog wel twintig malen in het Oude Testament voorkomt; vooral ná de Babylonische ballingschap. Dat nu bij de Grieken deze naam eerst Jêsoe, en later Jêsoes wierd uitgesproken, ging naar vaste spraakwet; terwijl de Romanen, door wier tusschenkomst wij dien naam ontvingen, eveneens naar de wet hunner talen, dezen naam in Jesu, later Jesus, en bij ons Jezus vertolkten. De Italianen spreken het nu nog Jesoe (Jesú) uit; de Franschen laten de s nog weg vóór den naam Christus; de Duitschers hebben ook den oe-klank gehouden; en wij en de Engelschen zijn de eenigen die meer de uitspraak Jezus hebben.

Over den oorsprong van dezen naam zij opgemerkt, dat Jozua, de zoon van Nun, oorspronkelijk Hozea heette en blijkens Num. XIII : 16 v.v. dezen zijn naam door Mozes zag omgezet in dien van Jozua; twee namen die in het Hebreeuwsch weinig schelen, want Hozea heet Hoschea en Jozua Je-Hoschua. Deze naamsverandering heeft, evenals die van Abram in Abraham, van Saraï in Sarah enz. goddelijke beduidenis, en men doet verkeerd, zoo men hieraan minder gewicht hecht. Als de hooge God oorzaak en reden vindt, om derwijs aan den klank en den zin van een naam te hechten, dat Hij zelf van Sarai Sarah maakt, dan moet het voor ons vast staan, dat zulk een schijnbaar nietig iets toch wel terdege gewicht heeft. Men mag niet spelenderwijs over éénig werk Gods heenloopen. Nu veranderde ook Mozes Jozua’s naam niet bij wijze van woordspeling, maar als Middelaar des Ouden Verbonds; en al verstond destijds de oude kerk uit Jozua’s dagen zelf nog niet het allergeringste van de reden, die voor deze naamsverandering bestond, ons is dit nu van achteren door de naamgeving van Jezus reeds volkomen duidelijk geworden, en het geloof verstaat, hoe deze daad van Mozes rechtstreeks op den Middelaar des Nieuwen Verbonds doelde.

Mozes had Israël niet kunnen verlossen; en niet Mozes maar Jehovah zelf had in de Schelfzee Pharao en zijn heir verdronken en zijn volk Israël droogvoets daar doorgeleid. De man die Israël als held verlost heeft, is dan ook niet Mozes maar Jozua geweest, en dit inbrengen van Israël in het land der belofte was typisch, gelijk geheel Israëls leven in Kanaän van typische beduidenis was; iets wat vooral onze Chiliasten wel mochten indenken. Aan de oude bedeeling kleeft altoos de toezegging van aardschen |261| zegen in het land „van melk en honig overvloeiende”. Zegt ge nu: het wonen in dat land van melk en honig was dan ook de eigenlijke zegen, waarmeê God de gerechtigheid van zijn volk kroonde, — dan staat Israël zelfs verre beneden menig heidensch volk; want onder de heidensche volken wierd veelszins op vergelding na den dood en op een hooger goed dan „melk en honig” gezien. Op die manier snijdt men de zenuw van heel de openbaring door en maakt men het Oude Testament verachtelijk. Erkent men daarentegen, dat dit alles slechts sacramenteel en typisch was, zoo gaat er op eenmaal een heerlijk licht op. Dan toch merkt ge dat dit alles voor de kerk des Ouden Verbonds slechts een spiegel en afschaduwing was, waarin de verkorenen des Heeren een beeld zagen van het hemelsche en toekomende geestelijke goed. En zoo opgevat, droeg Jezus dus niet een naam dien toevalligerwijs ook Jozua, de zoon van Nun, en Jozua de hoogepriester, in Zacharia’s dagen gedragen had, maar droegen omgekeerd deze beide mannen hun naam, als spiegelbeeld van Hem, die alleen en naar waarheid dien naam dragen kon. En overmits nu in Jozua de verzoeningsidée was weggebleven, doordien hij alleen krijgsman en geweldig tegen den vijand was; wordt naast Jozua, den zoon van Nun, nu ook nog Jozua, de hoogepriester, geplaatst. Eerst zoo wierd het typisch spiegelbeeld volledig: Verlosser, Zaligmaker; ja, maar ook Zaligmaker van zonde 1).


De beteekenis van dezen naam Jezus staat door de stellige verklaring van den engel vast: „Gij zult zijnen naam noemen Jezus, want Hij zal zijn volk zaligmaken van hunne zonde.” Hier mag niet aan getornd. Dit, dit alles en niets dan dit ligt in dezen naam dien Jezus draagt in. Het is niet een naam die eenvoudig doelt op: gelukkig maken, maar zeer stellig op verlossen, want het wortelwoord duidt zeer stellig op het verlossen van iemand, die in benauwdheid of in banden ligt. En ook het duidt niet op: verlossen van min blijde omstandigheden, maar zeer bepaald op verlossen van zonde. Want wel ligt dit niet in het Hebreeuwsche woord, maar het ligt |262| wel in het antitypisch karakter van dezen naam. Elke naam toch, die reeds gespiegeld was in een vroegeren, die op iets uitwendigs zag, doelt en moet doelen op iets geestelijks. Anders kon hij geen in typen afgebeelde naam zijn. Zoo staat het dan vast, dat er op geestelijke verlossing in dezen naam gedoeld is; en geestelijk iemand redden uit een macht die hem gebonden houdt, kan niet anders beduiden dan juist wat de engel zei: „Hij zal zijn volk verlossen van hun zonde.” Gelijk bij alle hemelsche, goddelijke uitlegging van het Oude Verbond in het Nieuwe, zoo vinden we dan ook hier bij den naam Jezus eene uitlegging, die zich én stipt aan den oorsprong van het woord houdt, én tegelijk het geestelijk gebruik van dit woord toelicht.

Doorzichtig duidelijk ligt in deze naamgeving van Jezus dan ook een goddelijk protest tegen de droomerijen der Ethische Vermittelungs-theologen, als zou de Middelaar niet zoozeer gekomen zijn, om zondaren te verlossen maar om de goddelijke en menschelijke natuur saâm te brengen en te verzoenen, door de tusschenschakel van zijn God-menschelijken persoon; een stelling die bij de pantheïstische wijsgeeren, en volstrekt niet in de Heilige Schrift thuis hoort.

En ook valt hiermee de reeds meermalen bestredene, en hiermeê samenhangende voorstelling, alsof de Middelaar toch zou gekomen zijn in ons menschelijk vleesch, ook al ware Adam niet gevallen.

God gaf den naam des Middelaars; in dien naam lag zijn wezen uitgedrukt: en stipt heeft dus de belijdenis der kerk zich binnen de perken, door dien naam gesteld, te bewegen.

Zijn naam is Jezus. Die naam beduidt, naar God verklaard heeft, Verlosser van zonden. En hiermeê is dus elke ketterij afgesneden, die wijsgeerige denkbeelden mengen wil in het aangrijpende denkbeeld der Verlossing van wie ongetroost in zijn zonde, om troost naar den Heilige roept.


Zoo is met dezen rijken, heerlijken naam dan op eenmaal het standpunt bepaald dat de kerk tegenover den Christus en de Christus tegenover de wereld inneemt.

Met allen lof en alle hulde voor de uitnemendheid van zijn persoon en denkbeelden; met alle bewondering der wijsgeeren voor den eenvoud van zijn middel om de menschheid te herscheppen; en zelfs met alle diepzinnige geleerdheid over den sleutel der wereldhistorie, die in zijn kruis ligt, wil Jezus niets te maken hebben.

Daar is hij niet voor, en daar komt hij niet voor.

Hij zoekt zondaren, en zijn volk wil hij van zonden verlossen.

Vandaar dan ook dat elke richting in de kerk, die het in allerlei |263| geleerde beschaving en fraaie bespiegeling zocht, onherroepelijk als een doodgeloopen stroom verzand is; en dat het leven der kerk weer telkens is opgekomen onder die „kinderkens” en die „ellendigen” die bij Geesteslicht zich zelven als verlorene en doemwaardige, ja doemschuldige, zondaren, leerden bekennen.

Feitelijk breekt dus de naam van Jezus door al de opgezette schermen van uw inbeelding en hoogheid heen, en werpt u als zondaar in het stof neder.

Die naam „Jezus” is een ontzaglijke macht die in uw borst indringt, in de gewelven van uw hart, uw conscientie, en door die conscientie den wortel uws levens opzoekt, en in dien wortel uws levens u als een verkankerd wezen aan u zelven ontdekt. Zijn naam zou geen Jezus zijn, zoo er geen zondebederf onder het schoone kleed van uw menschelijk zelfbehagen school. En daarom rukte zijn naam Jezus dat schoone kleed weg, en laat u zien wat er onder schuilt, en zegt u dat Jezus komt, om met dat diepe zielsbederf in u zich bezig te houden. Hij zegt niet, dat hij ook niet heil aanbrengt in uitwendigen zin. Eer omstuwt hem de heerlijkheid. Maar dat andere volgt. Dat is het uitgangspunt niet. Daar vat hij u niet aan. Hetgeen wat Hem tot u en met u in aanraking brengt is uitsluitend die diepe, bloedende wonde van uw hart. En wie daar niet aan wil, die heeft dan ook niets met Jezus te maken. Die staat geheel buiten Hem. Voor dien bestaat er geen Jezus, d.i. één die zalig maakt van zonde.

Vat dit diep.

Al uw zingen van dien lieflijken naam, die langs de wolken ruischt, al uw dwepen met dien beminnelijken Heiland, is nog niets dan verloochening van die Eénige, zoolang ge niet als Jezus Hem aanroept, als uw Jezus, d.i. als de losser van uw persoon uit uw zonde.

Vandaar dan ook de diepe scheur, die thans door de belijders van den Christus gaat, en het droeve feit dat ge onder de belijders een zoo breeden stroom vindt van mannen en van vrouwen, die letterlijk van alle eigenlijke genadeleven vervreemd zijn. o, Ze hebben den Heiland lief, ze dwepen met hem, boeiend en verrukkend schoon kunnen ze over hem spreken; maar het gaat altemaal buiten het genadeleven om. Niet buiten allerlei aanprijzing van liefde in edeler zin. Dat niet. o, Neen. Daar zijn ze zelfs overvloeiende in. Maar ze raken zelfs niet aan het genadeleven. En zoo komt het dan, dat ’s Heeren volk het ook onder een prediking van dien aard niet kan uithouden. Want hoor maar, alles wat u daar verkondigd wordt, is fraai en boeiend gezegd, tintelt van bewondering voor Jezus. o, ja. Alleen maar het is niet van Jezus; niet |264| van den Verlosser van zonde dat men u spreekt. Of ook, zoo men er u nog van spreekt, dan is het op wijsgeerige, denkbeeldige wijs, en zoo heel anders dan de Schrift u toont, dat een arm en verloren zondaar gered wordt.

En dat is het nu, dat men den Naam des Heeren niet predikt. Zijn naam is Jezus, d.w.z. dat hij „zijn volk” zal zalig maken van hun zonden. Dit nu heeft geen zin, zoo bedoeld wordt, dat allengs heel de wereld door allerlei heiligende invloeden volmaakt moet worden. Dan toch is er geen volk, dat Jezus’ eigen volk is, en zoo komt de geestelijke beduidenis van zijn naam niet tot zijn recht. Want Jezus is een naam die scheiding maakt onder de zondaren. Zondaren zijn ze allen. Maar onder die zondaren zijn er, die Hem als Verlosser van zonden, d.i. als „Jezusaannemen, en er zijn er, die Hem als Verlosser van zonden, d.i. als „Jezusverwerpen. Nu is het „genadeleven” het leven in den kring der eersten, en onderscheiden van het leven in dien tweeden kring. En die scheiding nu verwerpt de wijsgeerige belijdenis dezer eeuw. Ze wil geen Jezus, die van zonden verlost, en nog veel minder een Jezus die van zonden zaligt zijn eigen volk.




1. Over de afleiding van den naam „Jezus” kan hier niet breed worden gehandeld. Van oudsher bestond hier tweeërlei gevoelen over. De ééne reeks geleerden namelijk leidde dezen naam af van Jehovah en Jascha’, en vindt er de beteekenis in van: God is redder; terwijl anderen en met name onze Gereformeerde godgeleerden, liefst niet den naam van Jehovah hierin lazen, en aan den ouden hiphil-vorm van Jascha’, of Wascha dachten. Dit verschil blijve hier onbeslist. Slechts zij opgemerkt dat de overgang in de uitspraak van Jozua op Jezus verklaard kan worden uit tweeërlei afkorting van den naam Jehovah, t.w. Jo’ en Jâh of Jêh. Het pogen onzer oude Gereformeerde taalkenners vloeide voort uit de zucht, om zoo mogelijk te blijven bij Matth. I : 21.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002