Zondagsafdeeling XI.

Vraag 29. Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker genoemd?

Antwoord. Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is.

Vraag 30. Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zich zelven of ergens elders zoeken?

Antwoord. Neen zij; maar zij verloochenen metterdaad den eenigen Heiland en Zaligmaker Jezus, ofschoon zij zich Zijns met den monde roemen; want van tweeën één, of Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die dezen Zaligmaker met waren geloove aannemen, moeten alles in Hem hebben, wat tot hunne zaligheid van noode is.


*

Eerste hoofdstuk.

En zij zal eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Jezus; want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.

Matth. 1 : 21.


Met de elfde Zondagsafdeeling treden we over tot de belijdenis van God den Zoon. Niet echter om nogmaals terug te dringen in het mysterie van ’s Heeren Drieëenig Wezen. Dit is afgehandeld in de achtste Zondagsafdeeling; en getrouw aan zijn practisch doel, handelt daarom de Catechismus thans alleen van den Middelaar, d.i. van Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon, onzen Heere, „die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derden dage wederom opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des Almachtigen Vaders, van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.”

Niet minder dan negen Zondagsafdeelingen worden aan de nauwkeurige en stichtelijke uiteenzetting van deze belijdenis van den Middelaar gewijd. Drie aan de beschouwing van zijn Persoon; drie aan den staat zijner Vernedering; en drie aan den staat zijner Verhooging. |253|

Het eerste drietal Zondagsafdeelingen, dat zich verdiept in de overdenking van Jezus’ hoogheiligen Persoon, houdt zich achtereenvolgens bezig met de vier namen, die hem in de Apostolische Geloofsbelijdenis gegeven worden, van Jezus, Christus, Zoon en Heere, en deze vier namen worden op zulk een wijs besproken, dat eerst de roeping van den Middelaar voor ons treedt in den naam Jezus; daarna het ambt van dien Middelaar overwogen wordt in verband met den naam Christus; en eindelijk de band van dezen Middelaar eenerzijds tot God en anderzijds tot de verloste menschheid ons als voor oogen geteekend wordt in het Zoonschap met betrekking tot den Vader en in zijn optreden als onze Heer.

Immanuel is geroepen om zondaren te verlossen. Dat is zijn taak. De hem gegeven last van den Vader. Hierin ligt het één en al van zijn heilige roeping. Daarom heet hij Jezus.

Die taak vervult hij door de bediening van een drievoudig ambt, optredende als onze hoogste Profeet en Leeraar, als onze eenige Hoogepriester, en als onze eeuwige Koning. Vandaar de naam Christus.

En eindelijk, om die taak, in dit drievoudig ambt te kunnen vervullen moest hij de eengeboren Zoon van God zijn, en over ons als onze Heere worden aangesteld.

En zoo is er dan geen overtolligheid, geen noodelooze opeenhooping van eeretitels, maar symmetrische volledigheid en harmonische afronding in, wanneer onze Apostolische Geloofsbelijdenis juist deze vier saâmrijgt en op elkaar volgen laat: Ik geloove in Jezus, Christus, zijnen eengeboren Zoon, onzen Heere.


Met stichtelijk-practischen zin heeft alzoo de Kerk van ouds, en heeft ook onze Gereformeerde Kerk in haar Catechismus, haar belijdenis van den Immanuel geheel voortgesponnen uit de namen, die de Middelaar droeg.

En dit deed de Kerk met opzet.

Daar hangt haar leven als kerk aan. Dit raakt den grond van haar bestaan als door God ingestelde, en met zijn waarheid innerlijk rijk gemaakte stichting.

Het is niet gemakshalve, voor het geheugen, dat ze haar belijdenis aan deze vier namen knoopt; maar in het op den voorgrond plaatsen van die namen en het ontleenen van haar belijdenis aan die namen, spreekt haar geloof zich uit.

Ze begint niet in eigen, vermeten wijsheid den Christus waar te nemen, feiten over den Middelaar saâm te lezen, en zijn woorden bijeen te zamelen, om nu door eigen studie en nadenken, uit dat waargenomene |254| uit die verschijnselen, uit die feiten en die woorden op te maken wie de Christus is.

Wie zoo te werk gaat, heeft het geloof reeds verzaakt; en komt niet tot den Christus met eerbiedige bewondering, om in stillen dank zijn glorie uit te roepen; maar heeft zich feitelijk reeds boven den Christus geplaatst; hem voor zijn vierschaar geroepen; en stelt zich om hem te beoordeelen.

Neen, niet wij zullen uitmaken wie de Christus is, maar omgekeerd zal de Christus hebben uit te maken wie en wat wij zijn.

En hoe volkomen juist het ook bij dier en plant en hemellicht is, om eerst zelf waar te nemen, en nu op grond van die waarneming uit te maken, met welk voorwerp men te doen heeft, bij den Middelaar moogt ge zoo niet te werk gaan.

Dat is oneerbiedig.

Dat is in strijd en weerspraak met uw verhouding als creatuur en zondaar en verloste tot den Immanuel.

Voor hem is uw plaats nooit anders dan op de knieën. Hem zult ge hooren, en niet uw eigen nadenken en oordeel. Hem hooren ook dan als er over Hem zelven sprake valt, en gevraagd wordt wie Hij is.

Was de Christus eenvoudig verschenen, zonder zich uit te laten over zijn eigen persoon en werk; had hij eenvoudig onder ons geleefd en geleden, zonder ons zelf te verklaren, waartoe dit leven en lijden strekte; en was alleen de heugenis tot ons gekomen van een vriendelijke, heilige verschijning, maar die als een mysterieuse geheimzinnigheid, als een heilige onbekende, voor ons ware voorbijgegaan, — dan zou ongetwijfeld de vraag recht hebben, voor wien we, op grond van allerlei aanduidingen, uitlatingen en waargenomen merkteekenen deze omsluierde gestalte hadden te houden.

Maar nu er geen onbekende tot ons kwam, maar integendeel eeuwen vooruit was aangekondigd, dat hij komen zou en hoe hij zou verschijnen en wie hij zijn zou; nu hij, zelf gekomen, zich niet in het kleed der geheimzinnigheid heeft gehuld, maar door engelen heeft laten aanzeggen, wie hij was en hoe zijn naam zou zijn, en klaar, openlijk en duidelijk heeft uitgesproken dat hij de Christus, Gods Zoon en onze Heere was, — nu is al zulk hoogwijs onderzoek naar den Christus niets dan schuldige verwatenheid. En de wetenschappelijke studie, die er zich vooral in onze eeuw toe gezet heeft, om door allerlei „levens van Jezus” en „beschouwingen over den Christus” de waarheid over zijn persoon aan het licht te brengen, is geen studie die we zegenen of wetenschap waarvoor we danken mogen, maar hooghartige vermetelheid, die zich aan den Christus Gods en zijn gemeente heeft bezondigd. |255|

Had de Heilige Geest zich over den Christus en had de Christus zich over zich zelven niet uitgesproken, zulk zondig onderzoek zou te verontschuldigen zijn. Maar nu de Christus zoo stellig mogelijk gezegd heeft: „Die ben ik”, en „dit is het eeuwige leven, dat gij gelooft, dat ik Die ben” nu ligt in elk pogen, om langs dezen weg den Christug te leeren kennen, wantrouwen en ongeloof, ja, eigenlijk een zeggen tot den Heiland: Gij verklaart nu wel, dat gij die zijt, maar op uw woord kan ik dat niet gelooven.

Twijfel, ongeloof is het dus, als men langs dien empirischen weg den Christus na gaat speuren. Men gelooft Jezus -op zijn woord niet. Dat hij aldus over zich zelven spreekt, is niet afdoende. En nu zal de man van studie, de opgeblazene geleerde, de verwatene wetenschappelijke man Jezus eens na gaan rekenen, of zijn verklaring aangaande zich zelven wel strookt met de overige gegevens. En ja, als dit nu uitkomt, dan zal de Heere Jezus een legalisatie ontvangen, dat hij waarheid sprak en over zichzelven juist oordeelde. Maar ook, komt het niet uit, dan zal zijn verklaring aangaande zich zelf gerectificeerd worden, en de ingebeelde godgeleerde zal het beter weten dan zijn Heere.

En hiertegen nu moet de gemeente des levenden Gods opkomen en getuigen met al de kracht die in haar is. Dit mag niet geduld. Dit is principiëel de autoriteit des Heeren omverwerpen. En of nu al de apologeet toevalligerwijs tot een bevredigende uitkomst geraakt en Renan eindigt met zonde en schuld in den Christus te vinden, dat is formeel volkomen hetzelfde. Voor Jezus is het even krenkend en beleedigend, als gij, als man van wetenschap hem verklaren komt: Gij hadt juist van uzelven geoordeeld, als dat Renan hem lasteren durft: „Gij waart een vriendelijk dweper!

Vast sta daarom onder de gekochten des Heeren, dat ze zich noch in het bidvertrek, noch op den kansel, noch in de studeerkamer ooit moge laten verleiden tot de zondige zucht, om buiten de verklaringen van den Heere zelven in zijn Woord, zich een oordeel te willen vormen over zijn Persoon en Wezen. Alle Christologie die dit onderneemt, moet verfoeid. Alle geleerdheid die hiernaar de hand uitstrekt, moet onverbiddelijk buiten het heilig erf gebannen. Leerjongens Christi hebben we te wezen, allereerst en allermeest als het op het hoofdpunt aankomt, om te weten wie de Middelaar is.

Wie als leerjongen Christi van zijn lippen de waarheid opving, heeft daarna niet anders te doen dan te getuigen van wat hij gehoord heeft en te belijden wat hem op de lippen is gelegd.

In dat getuigenis, in die belijdenis moge hij dan met de ziel indringen tot zaligheid om te gelooven, en met zijn denken indringen tot kennisse om het te verstaan; maar dan blijft én bij dat gelooven én bij dat kennen |256| hij de afhankelijke, hij de ontvangende, hij ’de begenadigde en Christus blijft voor als na zijn Heere.

Zoo blijft het Godgeleerdheid. Kennisse, maar in den toon der aanbidding. Een steeds dieper indringen in het heilgeheirn, doch waarbij het hoofd het hart niet vooruitstielt, maar beide hoofd en hart in de Thomasaanroepinge uitvloeien: Mijn Heere en mijn God!

En nu, dit deemoedige, dit belijdende, dit getuigende karakter hielden de Apostolische Geloofsartikelen en hielden onze Catechismusopstellers vast, toen ze de kennisse van den Christus voortsponnen uit de verklaringen van zijn Namen.

Niet zij vonden een onbekende, geheimzinnige gestalte, waaraan ze naar eigen bevinden een naam gaven; maar ze hadden hun Heere gevonden, die zelf hun zijn heiligen Naam én in ’t oor én in de ziel had geopenbaard.

Zij hebben ontmoet dien ze eerst niet kenden, maar die zich zelven aan hen geopenbaard had; en het is uit de volheid dier heilige openbaring, dat zij thans voor anderen kunnen getuigen wat de Christus hun aangaande zich zelven heeft gezegd.

Christus kent zich zelf, eer een zijner verlosten hem kent. Niemand zijner verlosten kent hem dan doordien hij zelf zich aan hem heeft bekend gemaakt.

Zijn kerk vraagt den Christus naar zijnen Naam.

Hij noemt haar zijn Naam.

En nu dien Naam te gelooven, te belijden, de wereld in te dragen, ziet daar wat haar heilige geestdrift wekt.


Dat nu de Naam van den Heere niet eerst door hem zelven persoonlijk, maar reeds eer hij optrad door profeten en engelen is uitgeroepen, verandert hierin niets.

Wat de profeten getuigden, getuigde Hij door die profeten, en wat de engelen aangaande hem verkondigden, verkondigden zij op zijn last en in zijn Naam.

Hetzij dus de patriarchen en profeten vanouds, hetzij de engelen en apostelen in het Nieuwe Verbond ons den Naam des Heeren vertolken, altoos is het de Christus zelf, die door den Heiligen Geest, aangaande zijn eigen persoon getuigenis geeft.

Als de Kerk hem verschijnen ziet, vraagt ze eerbiediglijk: Wie zijt gij en hoe is uw Naam?, en ’t zij die Kerk onder het Oud Verbond nog in schaduwen wandelt, of in ’t Nieuw Verbond reeds in vervulling, jubelt altoos is het van den Christus zelf, dat ze door de kennisse van zijn Naam |257| weten wij wie hij is. Niet uit nieuwsgierigheid, maar door verwondering uitgedreven. Niet uit weetzucht, maar uit zucht naar heil.


Ware nu die Naam van Jezus alleen een klanknaam zooals de meesten onzer een klank voor naam dragen, waarin noch zin noch beteekenis ligt, zoo zou die Naam des Heeren slechts een aanduiding, een zeker merkteeken, een vingerwijzing geweest zijn, om nu voorts al verder in het wezen des Heeren in te dringen.

Als Eliëzer met de kemelen komt, om voor Abrahams zoon een vrouw te zoeken, is voor Bethuël alles duidelijk, zoodra hij den naam van Abraham vernomen heeft. Doch let wel, die naam als naam zei hem niets, want den geestelijken zin van dien naam verstond hij nog niet; en hetgeen waardoor die naam geheel de zaak voor hem opklaarde, was uitsluitend de heugenis van vroegere gebeurtenissen en famillebetrekkingen die door dien naam bij hem wakker wierd.

Doch zoo is het bij den Christus niet.

In zijn Naam is waarheid. Een naam noemt, drukt uit, geeft te kennen, wat er in het wezen is. Doch natuurlijk dat kan alleen zoolang er geen leugen en geen verduistering van kennisse is; maar houdt op zoodra ge óf wat ge noemen zult, niet waarlijk in zijn wezen kent, óf wel kent., maar opzettelijk anders wilt noemen.

Vandaar dat óns noemen zoo waardeloos is.

Adam in het paradijs kon nog echte namen geven. Hij doorzag en verstond de dierenwereld nog. En omdat hij ’t wezen der dieren doorzag en verstond, kon hij het ook uitdrukken, en in naam weergeven en hoorbaar maken.

Maar óns ontging die kennisse. Al wat wij nu nog kennen is van buiten, oppervlakkig, uitwendig bezien. We kennen maten van lengte en hoogte, zwaarte en gewicht, kleur en vorm en wat niet al, maar het wezen ontglipt ons.

En zoo is het natuurlijk, dat onze namen zoo weinig zeggen en meest puur conventioneel zijn.

Als booze bitterheid een scheldnaam op de lippen brengt, dán leggen wij er nog zin en bedoelen in, en ook onze bijnamen hebben meest beduidenis.

Maar onze gewone namen niet. Waarom we een boom een boom en een paard een paard noemen, dat weet geen onzer meer. Alternaal zijn het klanken. En als onder de kinderen der menschen de één Comrie en de ander Holtius heet, heeft noch die naam van Comrie noch die van Holtius ons iets te zeggen. Zelfs onze doopnamen zijn doode klanken |258| geworden en als ge tien Jakobs bijeenzamelt, bevindt ge dat die ééne naam gedragen wordt door tien gansch uiteenloopende karakters.

Dit is gevolg van de zonde; van het te loor gaan der kennisse; van de scheur tusschen schijn en wezen; van de leugen die insloop.

Maar bij den Middelaar is dit gansch anders.

In hem keert de waarheid terug. Bij hem is geen afstand tusschen de verschijning naar buiten en het wezen van binnen. In hem is geen scheur tusschen gestalte en innerlijk zijn.

Hij is die hij is.

Hij doorgrondt zich zelven volkomen. Hij ziet op den bodem van zijn wezen, klaar en helder door de diepte der wateren heen. En ook zuiver en onvervalscht kan zijn Woord weergeven, wat hij in de diepte zijns wezens gezien heeft.

De zelfuitspraak omtrent zijn eigen wezen, dat is dus voor Jezus zijn Naam.

Die Naam is niet gekozen, maar uit zijn wezen voortgekomen.

Zijn wezen en persoon en werk, in een woord omgezet, geven dien Naam met noodzakelijkheid.

Zoo ligt dan in dien Naam zijn wezen afgespiegeld.

En alzoo, wie zijn wezen kennen wil, heeft slechts dien Naam met geestelijke kennisse te spellen.

In dien Naam wordt door den kenner zijn heerlijk wezen gezien.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002