Zesde hoofdstuk.

Het hart des menschen overdenkt zijn weg, maar de Heere stuurt zijn gang.

Spreuken 16 : 9.


Eer we van deze uiterst gewichtige tiende Zondagsafdeeling afscheid nemen, rest ons nog te spreken van de: tweede oorzaken. Als b.v. iemand sterft aan vergiftiging op 34-jarigen leeftijd, dan zijn er bij dit sterven twee oorzaken in het spel. De ééne of hoofdoorzaak is het besluit Gods, die in |245| zijn Raad aan dezen mensch 34 jaren levens had toegemeten, zoodat hij niet langer leven kon, maar nu sterven moest. En ten andere is er hier een tweede, bijkomende of ondergeschikte oorzaak, t.w. in den booswicht, die op dit tijdstip aan dezen mensch het gif toediende, waardoor hij stierf.

Men vat dus aanstonds, dat met deze „tweede oorzaken” bedoeld zijn de wilsdaden van het schepsel. Bij deze schepselen denken we uitsluitend aan engelen en menschen. Zonder toch te willen ontkennen, dat ook een tijger die op den weg iemand bespringt en uiteenscheurt en zijn bloed zuipt, tot op zekere hoogte een tweede oorzaak kan zijn, weten wij te weinig van de beteekenis, die de wil bij het dier heeft, om hiermede te rekenen. Van den engel en den mensch is het ons geopenbaard, dat zij een wil van God ontvingen, en door dezen wil een tweede oorzaak, onder Hem als den Hoofdbewerker aller dingen, in het leven kunnen roepen. Alle dingen die op den Christus gekomen zijn, zijn op hem gekomen naar den bepaalden raad en voorkennisse Gods, maar dit neemt niet weg, dat ook Pilatus en Herodes bedacht hebben deze dingen tegen Gods heilig kind te doen. En wat in dien zin van den mensch geldt, geldt ook van de engelen, met name van de gevallen engelen, en zoo lezen we gedurig in de Heilige Schrift, dat Satan als tweede oorzaak optreedt, om een mensch te verleiden, te plagen of aan te porren en te beproeven in eenig kwaad.

Dit nu doet de vraag rijzen, hoe we ons dit hebben voor te stellen.

Drieërlei weg slaan de kinderen der menschen bij deze verklaring in.

Vooreerst zijn er, die Gods raad en welbehagen, Gods bestel en voorzienigheid eenvoudig prijsgeven, en de eigenlijke handeling haar oorsprong laten nemen in ’s menschen vrijen wil. Zij stellen God en mensch tegen elkander over. Beschouwen den mensch en den Satan als vrije personen, die zelfstandig bestaan, en allerlei dingen bedenken en uitvoeren. En denken zich nu God den Heere als een hoogheilig Wezen, dat van alle deze menschelijke en duivelsche handelingen kennis neemt; inziet welke gevaren er uit zouden voortkomen; en nu tusschenbeide treedt om alle kwaad te beteugelen en te regelen.

Sommigen, nog iets godvruchtiger dan deze Pelagiaansche geesten, spreken daarbij gebrekkiglijk van toelating. Ook zij achten wel, dat de handeling en de daad van den mensch en van Satan uitgaan, maar zeggen, dat God, die alwetend is, dit alles voorzien heeft, en nu vooraf bij zich zelven besloten heeft, hoeveel van deze handelingen en daden Hij zou toelaten en hoeveel er van Hij zou beletten. Wat Hij dan toelaat, laat Hij naar het oordeel van deze lieden toe, met een goddelijke bedoeling, overmits |246| Hij een middel heeft uitgedacht, om, al liet Hij dit kwade toe, er toch iets goeds uit te doen voortkomen.

Met deze heele en halve Pelagianen behoeft men intusschen niet lang te redetwisten, daar zij zich zelven geheel weerspreken. Indien toch, naar hun eigen zeggen, de Heere macht heeft, om van de duizend booze daden, die in eens menschen hart opkomen, er negenhonderd te verhinderen, dan schrijven ze hiermeê zelven aan God de mogendheid toe, om de werking van ’s menschen wil in te perken. En waar Hij dan voor de honderd overblijvende daden van deze macht geen gebruik maakt, geschiedt in deze honderd gevallen het kwaad, omdat Hij het wilde doen plaats hebben. Als ik toch als vader zie, dat mijn ééne kind het andere kind kwaad wil doen, en ik belet dit niet, dan ben ik voor dat kwaad medeverantwoordelijk, en ieder zou zijn dienstbode met recht bestraffen, die, zoo ze de kinderen bezig had gevonden om brand te stichten, dit niet had belet.

Zij vorderen dus met hun stelsel van toelating geen zier, en al de ernstige bedenkingen, die zij tegen Gods raad en Gods Voorzienigheid als oorzaak van het kwaad opwerpen, gelden tegen hun eigen stelsel van toelating met volle kracht.


Vandaar dat een tweede groep dan ook een anderen weg inslaat, en, streng en straf Gods alvoorzienigen Raad handhavende, den mensch eenvoudig tot een blind werktuig maakt. Uitgaande van de volkomen ware overtuiging, dat God de Heere alle dingen werkt naar den Raad zijns willens, leeren ze dat de mensch dus ook niet anders handelen kan; dat wie kwaad doet, kwaad moet doen; en dat het dus ook dwaasheid is, om bij leed of ongeval, of met het oog op dreigende gevaren in de toekomst eenige voorzorgsmaatregelen te nemen; want dat ik, of ik medicijnen gebruik of niet, toch sterven zal als het bepaald is, en zal blijven leven, indien God het zoo wil.

Volgens dezen is er dus alleen een Wil in God, maar is er geen wil in den mensch, ook al beeldt hij zich dit in. Gelijk een steen valt naar Gods wil, en het staal naar Gods wil den magneet aantrekt, zoo ook handelt de mensch (hij doe dan goed of kwaad) geheel willoos.

Dit stelsel nu is niet de leer van Gods Raad, noch ook de Schriftuurlijke leer van de goddelijke Voorzienigheid, maar wat men noemt het Determinisme, vrijwel overeenkomende met de heidensche leer van het Noodlot.

Ook met de voorstanders nu van dit stelsel behoeft men niet lang te handelen. Zij weten zelven zeer goed door het getuigenis van hunne conscientie, dat ze kwaad deden, er berouw over hebben, er een verwijt |247| over in zich omdragen, en het zich als schuld toegerekend zien. Ze weten opperbest, zoo er een moord is geschied, dat het onrecht zou zijn, zoo de rechter den moordenaar niet strafte. En wat het gebruik der middelen aangaat veroordeelen ze zich zelven, daar ze toch in verreweg de meeste gevallen wel de middelen aanwenden, en die slechts nalaten in bijzondere gevallen. Als er een steen van het dak valt en ze zien het, loopen ze ijlings terug, of wenden het gevaar af met hun hand; alleen maar als de bliksem zou kunnen inslaan, achten ze het stellen van een bliksemafleider ongeoorloofd. Wat nu is dit anders, dan dat ze wel in den uitschietenden bliksem, maar niet in dien vallenden steen een werking Gods zien. En laat ze nu zelven oordeelen, of dit niet is Gods voorzienige werking uit de meeste gevallen van het leven opheffen.

Het land zullen ze bezaaien; op een graanzolder waar ratten zijn een kat als voorbehoedmiddel zetten; een waakhond op hun erf plaatsen; als het vriezen gaat de kachel aansteken; zich dekken als het te koud is; en zoo op alle wijzen door middelen en voorbehoedmiddelen het gevaar wenden, om te bevriezen of te sterven van honger. Maar als ze nu ziek zijn, mogen er geen medicijnen gebezigd. Doch wat is ook dit nu anders dan dat ze wel gelooven aan de goddelijke voorzienigheid, die aan de sponde van den kranke waakt, maar niet gelooven, dat Gods hand evenzoo is in de koude, in den honger en in het gevaar voor hun graanzolder en voor hun erf. Want zeggen ze nu: wij gelooven wel dat ook in al deze dingen Gods Voorzienigheid werkt, maar desalniettemin gebruiken we de middelen die Hij op onze hand zet, zoo dient natuurlijk gevraagd, of dezelfde God die de kat schiep om ons tegen ratten op den graanzolder, en den waakhond schiep, om onze erve bij nacht te beveiligen, dan ook niet die God is, die de chinine deed groeien tegen de koorts of in het staal inschiep de kracht om den bliksem aan te trekken.


Met geen van deze beide buitenschriftuurlijke voorstellingen komt men dan ook verder. Ze deugen niet, en miskennen òf Gods Raad en vrijmachtig welbehagen òf wel het samenstel gelijk Hij den mensch schiep, en de middelen die Hij voor den mensch verordend heeft.

Om nu tot een juister voorstelling te geraken, beginnen we met een beeld uit het dagelijksch leven. Als er ergens in uw lichaam een opeenhooping van kwaad bloed zit, plaatst ge er een bloedzuiger op. Gij laat dien bloedzuiger op die plek zuigen, in het minst niet uit zekere teerhartige zorg voor dat wormpke, opdat dit dierke zich eens aan een overvloedigen maaltijd van bloed vergasten zou, maar om uw boos bloed van die plek weg te krijgen. Maar intusschen is er bij dat dierke niet de minste |248| toeleg om u te helpen. Integendeel, vinnig valt het op u aan, wondt u, beschouwt u als vijand, en is er alleen op uit, om zichzelf dik te zuigen. Soms bezigt men, na vergiftige beten, jonge honden om die plek uit te zuigen; iets, waaraan deze beesten dan sterven. Gij nu bedoelt hiermee uw redding, al gaat het beest daar ook aan dood. Maar intusschen is er bij dit beest geen zweem van toeleg om u te helpen, integendeel, dat dier zuigt alleen voor eigen lust. En deze voorbeelden nu, die men nog met vele vermeerderen kon, toonen immers, dat er reeds tusschen een mensch en een dier zulk een verhouding kan bestaan, dat het de mensch is, die strikt en eigenlijk het dier werken laat en werken doet, en dat toch de mensch daarbij iets heel anders op het oog heeft, dan het dier bedoelt. Dan doet de mensch iets met het dier, en het dier doet iets, zonder aan dien mensch te denken, en bij beiden is een eigen daad. Alleen met dit verschil, dat de mensch zijn wil doorzet, het dier slechts instrument is in zijn hand.

Dit nu brengen we over op God en den mensch. God wil iets, God heeft een bedoeling, een plan, een toeleg, een raad des welbehagens, en in dat plan komt nu ook voor het gebruik van den mensch. God laat dus dien mensch niet op zich zelf werken, om iets toe te laten; neen, God gebruikt den mensch, juist evenzoo, en in nog veel strenger zin, als gij den bloedzuiger of dien jongen hond, er expresselijk voor neemt en er voor aanlegt. Maar terwijl God de Heere nu op die wijs u als mensch bezigt, gebruikt en aanwendt, hebt gij een eigen leven, een eigen bestaan, en in dat bestaan eigen plannen, eigen overleggingen, eigen bedoelingen. Naar deze uw plannen en bedoelingen handelt ge; in verreweg de meeste gevallen evenmin denkende aan Gods bedoelen, als de bloedzuiger vraagt naar uw toeleg om uw boos bloed kwijt te raken. Feitelijk gebeurt er dus niets dan wat God besloten heeft dat gebeuren zou, en of ge als mensch, dit nu ook zoo bedoeldet, of het heel anders bedoeldet, doet aan de einduitkomst niets af.


Stond nu dit eigen leven van den mensch in zijn eigen hand dan zou er dus ook geen zonde zijn; want nooit of nimmer kan de mensch den verborgen Raad Gods weerstaan. Die raad, die verborgen wil gaat altoos door. En alle denkbeeld, alsof we ooit uit den weg van Gods verborgen wil zouden kunnen loopen, is pure dwaasheid. „Geen ding geschiedt er ooit gewisser dan ’t hoog bevel van ’s Heeren mond”. Gods verborgen wil kan eenvoudig nooit weerstaan of verkozen. Die geschiedt zonder één enkele uitzondering altoos.

Maar wat is nu het geval? Van dat innerlijk eigen leven, dat gij als mensch hebt, en waarvan God de Heere gebruik maakt, om het als |249| instrument voor de volvoering van zijn verborgen wil aan te wenden, zijt gij zelf geen heer en meester.

Ook dat leven uwer inwendige overleggingen en gedachten hebt ge van Hem. En toen Hij u dat gaf, heeft Hij niet gezegd: „Doe daarmede nu naar uw goedvinden”, neen, maar Hij heeft u daarvoor een wet gesteld, een ordinantie meegegeven, en dit is zijn geopenbaarde wil. Die beide willen in God, zijn verborgen en zijn geopenbaarde wil, strijden dus niet met elkaar, noch heffen elkaar op, maar hebben beide betrekking op een geheel verschillende zaak. Met Gods verborgen wil hebt gij in niets te rekenen. Daar moogt ge zelfs niet meê rekenen. Die is niet voor u, om uit te voeren, maar voor God zelf. Hij, en Hij alleen voert dien uit, en zoo dikwijls het Hem behaagt, zal Hij u daarbij, of ge wilt of niet, als instrument gebruiken.

Maar geheel afgescheiden hiervan ligt nu het eigen leven dat gij als mensch hebt, met uw eigen overleggingen, plannen en bedoelingen, en daar zijt gij zelf verantwoordelijk voor. Daarvoor hebt gij de wet van Gods geopenbaarden wil, en zoo dikwijls ge tegen dien wil ingaat, klaagt u uw conscientie aan. Met dezen uwen wil nu verandert ge nooit iets aan de uitkomst. Die gaat geheel buiten dezen uw wil en bedoelen om. Die regelt God door u of zonder u. Maar gij blijft verantwoordelijk voor uw plan, voor uw overlegging, voor uw bedoeling. Als b.v. Kaïn Abel moordt, dan sterft Abel naar Gods verborgen wil. Abel kan niet blijven leven. Hij moet sterven. Maar Kaïn bedoelde, toen hij de hand tegen Abel ophief, volstrekt niet, dat hij nu eens dien verborgen wil Gods, tegen de inspraak van zijn hart, zou gaan uitvoeren. Hij dacht aan God niet. Hij bedoelde slechts wraak en doodslag. En met dit bedoelen, met dezen toeleg, met dezen wilden hartstocht ging hij nu tegen Gods geopenbaarden wil in, en wierd schuldig aan broedermoord.

Dit is het wat de Heilige Schrift aldus uitdrukt: „De mensch overdenkt zijnen weg, maar de Heere stuurt zijnen gang.” Zijns is de overdenking, en zoo die niet stipt naar Gods geopenbaarden wil is, staat hij schuldig, maar zijn gang is van den Heere naar het bevel van zijn verborgen Raad.

Al wat van tevoren bepaald was, dat over Christus komen zou, en wel bepaald was naar zijn onveranderfijken heiligen raad, dat is hem overkomen door de zondige overlegging van Cajaphas en Judas en Pilatus.


Van de middelen geldt geheel hetzelfde. In Gods verborgen raad is niet maar een bloote bepaling van de uitkomst, maar evenzeer een stipte bepaling van de middelen, waardoor die uitkomst zal bewerkt worden. Zeg dus niet: als het bepaald is dat ik nog tien jaar leven zal hebben, kan |250| ik niet sterven, ook al eet ik niet en al verwaarloos ik mijn lichaam nog zoo. Want in dien zelfden verborgen Raad des Heeren is evenzeer elke maaltijd bepaald die uw leven voeden zal en alle spijs die u moet ophouden. De middelen staan dus niet tegen Gods raad over, maar maken er een zeer aanmerkelijk en volstrekt onmisbaar deel van uit. Niet één verkorene zal het eeuwige leven derven, maar dit is nu niet bloot als een feit in de uitkomst bepaald, maar gelijktijdig en precies evenzoo zijn in dien zelfden verborgen Raad des Heeren ook bepaald al de middelen des heils, die u ten leven voeren zullen. Bepaald alle vermaan en waarschuwing die naar u uit zal gaan. Bepaald de Dienst van het Woord die u trekken zal. Bepaald elke inwerking des Geestes. En ook bepaald elke ontmoeting die indruk op u zal maken. De middelen te verwerpen is dus niet vroom, maar verkeerd begrepen vroomheid. Wie de middelen verwerpt, schrapt de helft uit Gods Raad weg, en eert dien Raad niet, maar verkleint de majesteit van Gods verborgen wil.

Zoo is het dan precies om het even, of er staat dat Satan David aanporde om het volk te tellen, of dat de, Heere dit deed. De Heere deed het door Satan, en Satan kon het alleen doen als instrument des Heeren. Krek evenzoo als gij in het boven gekozen voorbeeld precies evengoed kunt zeggen: De bloedzuiger heeft mij dat bloed afgetapt, of wel de arts deed dat, die den bloedzuiger gebruikte.


Slechts ééne bedenking blijft hier over. Zoo dan God de Heere het hart verhardt, Pharao verstokt en David aanport, hoe is dit hun dan tot zonde? Om dat in te zien, moet men nu wel in het oog houden, op wat wijze God de Heere aan den mensch de beschikking over zijn innerlijk leven geschonken heeft. Volstrekt niet in Pelagiaanschen zin, alsof de mensch van oogenblik tot oogenblik de macht zou hebben, om kwaad of goed te zijn. In het minste niet. Dat ziet ge wel anders aan den dronkaard, die het drinken maar niet kan laten. Dat merkt ge wel aan alle karakterzonden, die invreten en u tot slaaf maken. Die de zonde eenmaal deed, is haar slaaf geworden. Neen, God de Heere schonk den mensch vrijheid, om òf ten goede te kiezen en dan nu ook voorts goed te loopen, òf om kwaad te kiezen, maar dan ook voortaan kwaad te loopen. Dit is de samenhang van ons leven. Of een keten met schalmen van goud, òf een keten met schalmen van zonde. Alle verdere zonde is dus een straf voor de eerste zonde, en in dien zin is een zondaar niet vrij. Hij kan geen Gode welbehaaglijk werk doen. Al zijn doen is zonde. En dat men dit niet zoo gevoelt, komt eenvoudig daar vandaan, dat wij alleen groote zonden zonden noemen, en geen oog hebben voor het zondigen in onze gewone kleine daden. |251|

En wat nu eindelijk aangaat, dat er toch van gesproken wordt, dat het God berouwde dat Hij den mensch gemaakt had, en dat de Heere Ninevé spaarde toen het zich bekeerde, en dat Hiskia nog vijftien jaren levens kreeg, zoo houde men wel in het oog, dat dit alles gesproken is naar onze voorstelling. Daartoe staat er te stellig in 1 Sam. XV : 29: „Ook liegt Hij die de overwinning van Israël is niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mensch, dat Hem iets berouwen zou.” Maar overmits God de Heere niet met ons handelen kan, dan naar den aard van ons menschelijk wezen, gelijk Hij ons dit zelf inschiep; en ons menschelijk wezen gebonden is aan den geopenbaarden wil Gods, die altoos voorwaarden stelt, zoo volgt hieruit dat de Heere altoos met vermaan en waarschuwing, naar menschelijke wijze tot ons komt, en zich menschelijk tegen ons overstelt.

Men moet dus niet zeggen, dat een uitdrukking als „dat het den Heere berouwde” een zich schikken is naar onze zwakheid.

Het is dat niet. Het is strikt en stipt een handelen en omgaan met den mensch naar de eischen van het Werkverbond. 1)




1. In hoofdstuk IV, pag. 233 schreven we dat een steen niet valt in het luchtledig. Hiermee is natuurlijk bedoeld, dat een steen niet vallen zou in het volstrekt ledige waarin geen lucht, noch iets was om den steen neer te trekken.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002