Vijfde hoofdstuk.

Zij alle zijn uw knechten.

Ps. 119 : 91.


Zoo is er dan geen Noodlot, waardoor de Heere onze God beheerscht wordt; noch ook een Fortuin, die in zijn Schepping in zou spelen; noch ook eindelijk een Natuur, die door Hem zelven als een macht tegenover Hem zou gesteld zijn; neen, er heerscht van oogenblik tot oogenblik niets, volstrekt niets, dan de souvereine wil, en er werkt van oogenblik tot oogenblik niets, volstrekt niets, dan de alomtegenwoordige kracht en mogendheid des Heeren Heeren. Hij is niet maar in naam, maar wezenlijk God, en alle schepsel buiten Hem; ook de Natuur met haar krachten en haar wetten; ze zijn al te zaam zijn knechten, die van oogenblik tot oogenblik letten op het bevel, dat uit zijn mond uitgaat.

Dit niet te hebben ingezien, maar miskend, was de fout van het Supranaturalisme, waarmee geen enkel minnaar van Gods eere en geen enkel vereerder der Heilige Schrift kan medegaan. Wel lag er in dien term van Supra-naturalisme iets goeds, waar heel onze ziel bijvalt, in zooverre er mee bedoeld is dat God boven de natuur staat; en zoo dikwijls de Supra-naturalist deze waarheid tegenover den Pantheïst staande houdt, kiezen we hartelijk zijn partij en staan we aan zijn zijde. Maar als de Supranaturalist nu zijn eigen systeem gaat ontwikkelen, dan is hij juist de man, die het valsche stelsel huldigt, alsof de Natuur als een zekere macht, met krachten en wetten, tegenover God zou staan; wel onder Hem, zoodat Hij haar belet iets tegen zijn wil te doen, maar dan toch altoos in dien zin, dat de Natuur met haar krachten en wetten zekere zelfstandigheid naast, onder en tegenover God krijgt. En dit nu is niet een godvruchtige, maar een goddelooze voorstelling, die wij diep verfoeien, en waaraan het Supranaturalisme zich den dood eet.

Het sterkst en het duidelijkst komt dit uit bij het Wonder, waarover het hier de plaats is om te spreken. Een Supranaturalist stelt het Wonder voor als een ingrijpen van God in den gewonen loop der natuur. Men denkt zich dan een wagen die rijdt, en die door paarden getrokken wordt, en gestuurd door een voerman die op de bok zit. En gewoonlijk rijdt en loopt dit nu vanzelf. Maar soms, een enkel maal, komt er iemand naast dien voerman op de bok zitten, die plotseling met zijn hand in de teugels grijpt, en nu wendt de wagen zich op eenmaal in een andere richting. Of ook men denkt zich een machtig stoomwerktuig, dat met |239| zijn spillen en raderen en cylinders zich naar vaste wet beweegt, en zich niet anders bewegen kan; maar af en toe verschijnt er nu een geheimzinnige hand, die in dit raderwerk ingrijpt en plotseling hier of daar de machine anders doet werken dan gewoonlijk. Ge ziet wel, zoo is het altoos de voorstelling, alsof de Natuur iets is dat op zich zelf bestaat en loopt en werkt, en alsof God van buiten af nu en dan in dezen loop der natuur ingrijpt.

Wat nu de Theosofen onder de Ethischen er op hebben uitgevonden, om deze ongoddelijke voorstelling te verbeteren, brengt ons ook al geen stap verder. Zij toch praten ons aan, dat er eigenlijk twee Naturen zijn, een ondernatuur en de eigenlijke hoogere Natuur; dat nu deze beide naturen elk heur eigen orde hebben; en dat een wonder slechts is het indringen in de orde der ondernatuur van een werking der eigenlijke of hoogere natuur. Ook bij alle hulde Voor de goede bedoeling die in dit zeggen doorstraalt, is het toch niets dan een spelen met woorden. Ook zoo toch blijft deze ondernatuur (waarmede dan bedoeld wordt wat wij natuur noemen) altoos nog een vaste orde, die met zekere eigen zelfstandigheid buiten God bestaan zou; en juist dit denkbeeld moet er uit. Overwonnen toch is de fout van het Supranaturalisme dan eerst, als elke gedachte van zulk een zelfstandig en permanent bestaan der Natuur met wortel en tak is uitgeroeid, en ge goed vat, dat én de natuur én elk harer krachten én elk harer wetten, niets in zichzelf zijn, maar van oogenblik tot oogenblik alleen zijn wat ze zijn, door het bevel dat uit Gods mond uitgaat. „Zij alle, o, Heere, zijn niets dan uw knechten!”


In eens en voorgoed moet bij de Natuur dus heel het denkbeeld van een stoomwerktuig opzij gezet. Het is dit beeld dat alles verdorven heeft. Denk u daarentegen een paleis, waarin geen enkele spil of rad of cylinder werkt, maar waarin een koning troont, en met en om hem zijn kamerheeren en dienaren en lijftrawanten en knechten, die met andere dienaren en ambtenaren door heel het land in verbinding staan. Nu spreekt die koning, en des konings woord is met macht. Dat woord brengt die dienaren en die knechten in beweging, en die beweging trilt heel het land door tot aan zijn uiterste grenzen. Is nu zulk een koning een despoot en grilziek mensch, dan zal hij den éénen dag dit, den anderen dag dát bevelen, en er zal geen rust heerschen en geen orde te ontdekken zijn; maar als deze koning een wijs koning is, die alles wel doordacht heeft, dan zal hij maar zelden iets opnieuw te bevelen hebben, want naar de eens door hem gegeven ordinantiën loopt alles geleidelijk en geregeld. Er zijn geen spillen en geen raderen en geen cylinders, maar er is in de plaats daarvan een koninklijke |240| wil, en die onzichtbare wil, werkt ongezien door en is de grondoorzaak van alles wat dag aan dag plaats grijpt.

Zulk een Koning in het Paleis zijner Schepping is nu de Heere. Ook in die schepping bestaat rad noch veer, spil noch cylinder, stoom noch electrische drijfkracht, maar elk element in die Natuur, en elke kracht in zulk een element, is een dienaar, een knecht Gods in zijn paleis; en alle deze elementen en alle deze krachten wachten elken morgen en iederen avond op het bevel dat uit zijn mond uitgaat, tot aan de uiterste einden der Schepping. En omdat deze Koning nu in wijsheid en doorzicht volmaakt is, en dus alle ding dat geschieden moet doorgedacht heeft, heerscht er in dit Paleis zijner Schepping orde, en zijn wil is en blijft wat die was, en die wil is de wet waardoor alle deze elementen en krachten zich bewegen.

Van een ingrijpen in den loop der dingen is dus geen sprake, want niets loopt door een kracht buiten God, maar alles loopt eeniglijk gelijk het loopt door Gods wil, en zoodra Hij ook maar één oogenblik ophoudt het alzoo te willen, loopt het niet meer; of zoo Hij het anders wil, loopt het anders.

Het Wonder kan en mag dus nooit voorgesteld als een stoornis, of een ingrijpen, het is niets anders dan dat God op een gegeven oogenblik zeker ding anders wil, dan het dusver door Hem gewild was. Een steen valt uit uw hand alleen doordien God wil dat die steen, eenmaal losgelaten, vallen zal, en dan trekt Hij zelf dien steen naar beneden; maar wanneer God morgen wil, dat een steen, dien uw hand loslaat, niet valle dan valt hij niet, eenvoudig omdat God hem niet meer zelf naar beneden trekt. Wanneer gij op de zee wilt loopen, wil God dat gij er inzinkt en Hij trekt zelf u in deze diepte naar beneden; maar toen Jezus, en straks Petrus, op de zee wandelden, wilde die zelfde God even vrijmachtig dat de zee hen dragen zou en God zelf hield én Jezus én Petrus met diezelfde macht zijns willens op.

Hij is de Almachtige, de Alwillende, de Alwerkende God. Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Niets weerstaat zijn wil. Voor Hem bestaat er dus geen wonder. Als de Schelfzee doorvloeit in haar bedding, bruisen haar wateren door Gods kracht, en zoo die kracht Gods hen een oogenblik niet liet bruisen, zouden ze stil zijn. Maar ook als Hij wil dat de Schelfzee als een muur van wateren op zal loopen, doet ze dit evenzoo, en niet anders, door dienzelfden wil en diezelfde kracht van onzen God. Het Manna dat in de woestijn regende, is niets wonderlijker voor Hem, dan de tarwe die Hij door zijn wil en kracht uit de aarde laat groeien. Al het wonderlijke ligt alleen in ons besef en in ons |241| oog. Wij zijn gewend aan een wils- en krachtsuiting van Gods mogendheid, dat de tarwe uit de aarde groeit en de Schelfzee vloeit. En zoo dit nu plotseling ophoudt alzoo te gebeuren, en er gebeurt iets waaraan we niet gewend waren, zoo staan we verbaasd, er is iets dat onze opmerkzaamheid boeit door zijn ongewoonheid, en we hebben een teeken, een wonder des Heeren aanschouwd.

Maar dit voor ons verrassende en ongewone nu daargelaten, is een wonder precies hetzelfde als een gewone natuurwerking, want het is beide, dat er een bevel uit ’s Heeren mond uitging en dat zijne knechten, dat zijn hier de elementen en de krachten der natuur, het alzoo volbrachten. Als het altoos Manna had geregend en er ware nooit tarwe gegroeid, dan zou het plotseling rijpen van tarwe in de halmen, en niet het vallen van het Manna voor ons het wondere zijn.


Alleen, en dit worde wel in het oog gehouden, God is daarom niet als de toovenaar, die nu eens dit, dan eens dat vertoont, om zijn behendigheid te toonen. In den toovenaar is de gril, in God de wil, en de wil in God is redelijk, d.w.z. hij ligt gebonden in Gods Wijsheid. Vandaar dat het gewone bij God regel is, omdat Hij zichzelven gelijk blijft en er bij Hem geen verandering is noch schaduwe van omkeering. Zulk een anders willen dan Hij dusver wilde, kan dus in God alleen veroorzaakt worden door een hoogere schikking, een hoogere wijsheid, en de verandering die hiermee in het willen Gods ontstaat, wordt teweeggebracht niet doordien God verandert, maar doordien zijn schepsel die wijziging, dit anders willen, noodzakelijk maakt. En ook dit weer niet, als een onvoorzien iets, waar God onverhoeds voor staat, en waarnaar Hij alsnu zijn wil regelt, maar met dien verstande, dat dit ongewone met het gewone zijn vaste van eeuwigheid al voorziene bepaling vond in zijn onveranderlijken Raad.

Uit dien Raad vloeien én de Natuurwetten én de Wonderen, en beide zijn goddelijke wilsuitingen alleen met dit verschil, dat Hij het gewone duurzaam wil, en het wondere slechts een enkele maal.

Ook het Gebed dat bij Zondag XLV afzonderlijk aan de orde komt, dient toch in dit verband reeds voorloopig besproken. Ook bij het gebed toch begaat men gewoonlijk twee fouten tegelijk. Vooreerst denkt men zich ook bij het gebed de Natuur als een macht buiten God, waartegen men ’s Heeren mogendheid alsnu te hulpe roept. En ten tweede beschouwt men zijn eigen bidden, als iets dat buiten God om, uit den mensch zelven opkomt, en waarmee God de Heere nu zou hebben te rekenen. Beide is nu geheel ongodvruchtig voorgesteld. Als ik een lief kind heb, en vreeselijke keelziekte houdt dat kind in doodsgevaar, dan is die diphteritische gifstof |242| volstrekt niet een macht buiten God, waartegen ik Gods beschermende hulp nu ten behoeve van mijn kind in heb te roepen; maar dan is het God zelf die op dat oogenblik door middel van deze ziekte het leven van mijn kind tenonderhoudt. Ook die keelziekte is een van zijn knechten. Hij zendt die naar mijn kind uit. Hij werkte ze in mijn kind. Als Hij even losliet, zou geen ziekte mijn kind meer deren. Er is dus geen sprake van, dat God te hulp kan geroepen als tegen een vijand, die buiten zijn weten mijn kind aanviel, en alsof ik dezen onbekommerden God nu door mijn bidden op de hoogte van de ziekte mijns kinds moest brengen, en roepen: „Kom nu toch Heere, en help mijn kind tegen die ziekte!” Neen Hij maakt levend en Hij doodt. En ook, Hij is niet alleen de eenige Medicijnmeester, maar ook de eenige die ziek maakt. Er zucht niet één kranke op zijn leger, of God heeft hem krank gemaakt. Alle roepen in den nood strekt dus, zoo het godvruchtig toegaat, niet om Gods hulp in te roepen als tegen een buiten zijn weten en toedoen over ons gekomen macht, maar om zijn wil die ons nu krank houdt te doen worden een wil die ons geneest en gezond maakt.

Dit is de eerste fout. En de tweede is niet een geringere. Ook ons gebed is niet iets buiten God, maar een kostelijke daad der ziel, die alleen door God in ons hart tot stand kwam. Het bidden is het hoogste. Tot hooger acte is geen menschenkind bekwaam. En wat godsvrucht zou er nu in de voorstelling liggen, als of we niet éénig goed werk verrichten konden zonder Hem die én het willen en het werken er toe in ons werkt en dat tegelijk de hoogste daad onze daad, een daad buiten God om zou zijn? Men gevoelt immers, dit kan niet. En de Schrift die u bij Zacharia leert, dat het de Heere is die zelf den Geest niet alleen der genade, maar ook van het bidden om de genade, in ons uitzendt, bestraft dien zondigen waan dan ook bitterlijk.


Intusschen is nu tengevolge van deze beide fouten de voorstelling ingeslopen, alsof ons bidden zijn zou, dat wij met onzen wil en naar ons goeddunken van God iets vragen zouden, en alsof God de Heere zich nu door zijn belofte verbonden had, om al zulke beden te verhooren. En dan natuurlijk ware er geen Voorzienigheid meer, maar dan zou de eigenlijke voorziening in allen nood uitgaan van de bidders. Er zou dan geen wil meer in God zijn en geen raad in den Heere, maar een wil bij ons en bij ons goeddunken, en het gebed zou het middel zijn, om dezen onzen wil nu aan God als op te leggen. En als er nu twee volken in oorlog met elkaar zijn, en beiden houden een bededag voor de overwinning van hun vloot en leger, dan zou hiermee heel Gods Woord en zijn belofte |243| reeds omver liggen, want natuurlijk dan kreeg altoos één dezer twee biddende volken de verhooring van zijn gebed niet.

Met geheel deze voorstelling van het gebed hebben Gods kinderen dan ook gebroken, en vooral in onze Gereformeerde kerken is de belijdenis van Gods Voorzienigheid veel te diep doorgedrongen, om al zulk bidden ook maar mogelijk te maken. Onzer is een diepere opvatting. Op grond van de Schrift belijden we met onze vaderen in dezen Catechismus, „dat alle creaturen alzoo in zijn hand zijn, dat ze tegen zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen” en zoo weet dan Gods kind, dat geen leed of ongeval hem anders dan door Gods wil en de werking van dien wil overkomt. Dit nu maakt hem in tegenspoed niet morrend, om er tegen in te gaan; en te zeggen: „Heere, waak op en help er mij van af!&3148; maar geduldig. Het maakt dat hij in gewone dagen van voorspoed niet denkt: „Nu ja, dit is nu het gewone, dat van de natuur of van mijn eigen inspanning komt”, maar dat hij in dien stillen dag van voorspoed elke bete uit Gods hand ontvangt en elken ademtocht zijn God dank weet. Zoo is dan danken het erkennen van Gods almogende en voorzienige inwerking, als het mij goed gaat, en zoo nu ook is bidden het erkennen van Gods almogende en even voorzienige werking als ik in moeite kom, of worstel met tegenspoed.

„Alleen in uw licht, Heere, zien wij het licht!” Vandaar dat ons oog Gods werking in den dag des voorspoeds niet zien kan, of God de Heere moet er zijn licht op doen vallen. En zoo danken we dan doordien Hij ons tot danken bekwaamt. En evenmin kunnen wij bij tegenspoed Gods werking in ons ongeval en leed zien, of Hij moet er zijn licht op doen vallen; en als we dan zien dat Hij het deed, dan is Hij het die ons tot bidden bekwaam maakt.


Zoo is er veel, dat gebed heet, maar geen bidden is en dus niet meetelt. Een bidden van den dwingzieke, die God naar zijn hand wil zetten. Een bidden van den luie, die God wil laten goedmaken, wat hij verslonsde. Een bidden van den willooze, die liever het gebed dan de middelen aangrijpt, die toch door God geordineerd zijn.

Maar ook na aftrek van dit ongeestelijk bidden, blijft er dan toch een heerlijk en kostelijk bidden over, het heilgeheim van Gods kinderen. Een bidden, dat volstrekt niet enkel een inroepen van hulpe, maar allereerst zelf een aanroepen van ’s Heeren barmhartigheid, een aanbidden van het Eeuwige Wezen in ons gebed is. Na dan weer uren geleefd te hebben, dat we schier niet aan onzen God dachten, knielen we dan neder en sluiten onze oogen van de dingen der aarde af, en wachten of de |244| onzienlijke dingen zich voor ons ontsluiten mochten en de vensters des hemels voor ons mochten opengaan, en dan ziet ons zielsoog weer het werk des Heeren, achter ons in onzen doorleefden dag; om ons op aarde en in de natuur; ja, tot in ons eigen bloed en tot in onze nieren. En zoo liggen we dan voor Gods troon met onze lieven, en ons zielsoog geniet er in, om te aanschouwen, hoe de Heere onze God die allen houdt en bewaart. Maar toch dan komt er in dit bidden ook een inroepen van genade, een bede om hulpe, een afsmeeken van de ontfermingen onzes Gods. Niet natuurlijk alsof God de Heere, hadden wij Hem niet alzoo gebeden, den loop der dingen geheel anders zou geregeld hebben. Waar toch bleve dan zijn Raad, en waar zijn Voorzienigheid, en waar de ruste voor uw hart? Neen, maar dan is er in God den Heere een wil des welbehagens, om u aldus te redden, en tegelijk een wil des welbehagens om u het gebed voor die redding in de ziel te geven. En zeg nu niet: Dan kan ik het bidden wel laten. Want dat kunt ge niet. Als God u water geeft, geeft Hij u ook dorst, om naar dat water te verlangen, en dank zij dien dorst, wordt het drinken van dat water eerst waarlijk genieten voor u. Zonder dien dorst zou dat water zijn werking niet bij u gedaan hebben. En zoo nu ook is het met ons gebed en onze smeekinge. Dat bidden is de dorst om de redding in te drinken die God straks geven zal, en als die redding dan komt, maakt het smeeken dat voorafging, dat ge die redding genieten kunt, en ze u waarlijk redt.

En nu is het waar, dat God de Heere u ook tal van keeren dorsten laat, zonder dat alsnog het water komt, en zoo ook menigmaal bidden laat, en dat toch de redding nog uitblijft, maar dit houdt op vreemd te zijn, zoo ge maar opmerkt, dat al uw gebeden slechts op één levensgebed doelen, en dat die enkele gebeden als ware het slechts de ladder vormen om tot dat hooge gebed te komen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002