Vierde hoofdstuk.

Maar gij zult gedenkten den Heere uwen God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij zijn verbond bevestige, dat Hij aan uwe vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is.

Deut. 8 : 18.


Om aan de valsche voorstelling van een Natuurwet te ontkomen, kunnen we niet beter doen, dan ons rekenschap geven van de wijze, waarop, een landswet werkt.

Waar is zulk een wet? Welk bestand heeft ze? Hoe doet ze haar gebiedende kracht gevoelen? Hoe werkt ze?

Doet ze dit alleen daardoor, dat ze tot Wet gestempeld, dat ze behoorlijk afgekondigd en in het Staatsblad opgenomen is? Denk slechts aan de Zondagswet, en ge vindt terstond op al die vragen het beslist ontkennen antwoord. Die Zondagswet is een wet in optimà forma. Ze is op volkomen geldende wijze tot stand gekomen. Ze is op de voorgeschrevene manier afgekondigd. Ze heeft in het Staatsblad gestaan. En ze behoort alzoo tot die categorie van staatsrechtelijke bepalingen, waarvan de uitvoering verzekerd is. En zie, toch wordt de Zondagswet niet uitgevoerd. Ze wordt niet gehandhaafd. Ze is een antiquiteit geworden. Ze vormt in onze Staatsbladen een dood vel misdruk, een macht die stom en daardoor machteloos wierd. Duizendmaal duizend keeren wordt elken Zondag de landswet overtreden, en toch geen haan kraait er naar, geen parket ziet er naar om. En wane nu niemand dat dit uitsluitend zoo het geval is met de Zondagswet. o, Er zijn een geheele reeks wettelijke bepalingen en verordeningen die wel gelden, maar toch nooit uitwerking hebben, en die feitelijk slapen of reeds dood zijn.

Wat blijkt hier dus uit? Maar immers dit, dat het voor een landswet niet genoeg is dat de Overheid haar vaststelt en uitvaardigt, maar dat het diezelfde Landsoverheid is, die door haar overaltegenwoordige landsambtenaren nu ook die wet nog eerst tot een werkende wet heeft te maken. |232|

Bepaalt de Overheid haar wilskracht tot het bloot uitvaardigen van de Wet, dan faalt en ontbreekt haar werking, en die werking wordt dan eerst openbaar, zoo, na de eerste wilsuiting van de Overheid om die Wet te geven, nu ook voorts een bestendige en duurzame wils- en krachtsuiting van diezelfde Overheid volgt, om haar als Wet te handhaven. Eerst door die handhaving ontstaat de werking van een wet en wordt die werking bestendigd. En gelijk een uurwerkmaker er niet meê af is, dat hij een uurwerk maakte, maar het dan eerst bestendig loopen zal, indien het nu ook van dag tot dag wordt opgewonden, zoo ook werkt een wet niet eenvoudig door het feit, dat ze is uitgevaardigd, maar dan eerst als ze, na die uitvaardiging, nu ook als wet in het land wordt ingedragen en verwerkelijkt.

Het uitvaardigen van een wet is nog slechts het te water laten van het scheepje; maar omdat het te water is gelaten stoomt het nog niet; en vooruit komt het eerst en gaat beantwoorden aan zijn bestemming, indien het, na te water gelaten te zijn, nu ook in beweging wordt gezet en door het roer bestuurd.

Dit geldt van alle wetten, en niet het minst van wetten van vereenigingen; want ieder weet hoe ook al de wetten van vereenigingen voor drie vierden schier allerlei bepalingen bevatten waar geen lid ooit aan denkt of zich aan stoort.

En heeft men dit nu eenmaal goed gevat, dan zal men vanzelf ook de Wet Gods, én in zijn natuurlijk én in zijn redelijk en zedelijk rijk beter gaan verstaan.

Er is een wet Gods in ons menschelijk denken, die we logica noemen en die maakt dat we niet anders kunnen, of we moeten erkennen dat tien meer is dan zes, dat drie minder is dan vier, dat een cirkel niet vierkant kan zijn, en dat een ronde rechte lijn niet denkbaar is. Maar zóó wordt in ons verstand door krankzinnigheid geen schade aangebracht, of die wet houdt op in ons te werken, en alles vertoont zich ordeloos aan onzen blik. Ja zelfs als we voor het naar bed gaan zoo pas logisch met ons verstand gewerkt hebben, dan slapen we in een oogenblik soms in, en dat eigen oogenblik is het met deze wet der logica in ons uit en zien we en denken we met datzelfde bewustzijn allerlei zonderlinge dingen, geheel onlogisch, door elkaar in onzen droom.

En dat dit nu bij de Natuurwetten zoo geheel anderen indruk maakt, komt alleen daar vandaan, dat er in de werking van deze wetten zoo bijna nooit stoornis of breking komt. Dit toch maakt dat deze wetten rustig en bestendig aldoor werken, en zoo ontvangen wij den geheel valschen indruk, als werkten ze vanzelf. |233|

Maar denk nu eens wel na. Hoe ter wereld zou een natuurkracht vanzelf kunnen werken? Waar zou die wet dan toch zijn? Neem zoo b.v. de zwaartekracht die maakt dat een stuk hout dat ge los laat, noodzakelijk op den grond moet neervallen. Waar is dan nu die wet? Is ze in het hout? Neen! want alle voorwerpen die zeker gewicht hebben gehoorzamen er aan. Is die wet dan altoos doorgaande? Antwoord: Neen, want in het luchtledig werkt die wet niet. [*] Waar ter wereld zou die wet der zwaartekracht dan kunnen zijn? Ze is niet als een landswet geboekt in eenig Staatsblad en is ook daar dus zelfs niet aan te wijzen. En al neemt ge dus aan, dat de kracht van de stof geheel onderscheiden is, en dat in die kracht iets inligt, dat haar werking bepaalt, zoo blijft dan toch nog altoos de vraag open en over, waardoor en hoe dit iets, dat deze kracht tot kracht maakt, en dat andere iets waardoor die kracht gestuurd wordt, werken en tot stand komen.

En op die vraag nu is geen ander antwoord te geven, dan dat het ook bij deze natuurwetten evenzoo gelegen is als bij de landswet van de Overheid. De Overheid moet niet alleen eens de wet geven, maar ook voorts haar bestendig, door haar overaltegenwoordige ambtenaren, werkzaam maken, of ze werkt niet. En zoo nu ook moet God de Heere niet slechts eens zijn natuurwet geven, maar Hij moet ook voorts overal en alomtegenwoordig door zijn mogendheid, of wilt ge door zijn „gedienstige geesten”, deze natuurwetten handhaven, werkzaam maken en in stand houden.

Alle kracht die in de natuur werkt is alzoo mogendheid Gods, en alleen omdat er nu in God geen willekeur is, maar zijn krachten en zijn mogendheden naar een bepaalde orde werken, en alzoo gestadig een gelijksoortige en gelijkmatige werking doen, ontstaat die regelmatigheid en die vaste werking der natuurkrachten, die wij natuurwetten noemen. Werkte zijn kracht nu eens zus, dan weer zoo, er zou geen natuurwet te ontdekken vallen. Maar omdat er in God bestendigheid is, en Hij zich zelven gelijk blijft, daarom zijn ook de werkingen van zijn mogendheid onderling volkomen aan elkaar gelijk, ’t zij ge ze waarneemt in Zweden of in Tonkin, of ’t zij ge ze waarneemt voor vijftig jaren of nu. Het is altoos, het is rusteloos de ééne zelfde mogendheid Gods, die eenmaal besloten heeft, in bepaalde voorwerpen altoos en onafgebroken, op deze en geen andere wijs te werken.

Valt er dus een steen, dan valt die, omdat God hem naar beneden trekt. Loopt het staal naar den magneet, dan geschiedt dit, omdat God in die beide deze werking gaande maakt. Brengt een electrische draad een teeken over, dan is het omdat God langs dien draad op datzelfde oogenblik die kracht werken laat en die zóó doet werken, als hij werkt. Kortom buiten God is er geen natuurwet. Alle natuurwet bestaat alleen in Godes |234| bestendigen wil ten opzichte van de natuur. En in die natuur is er geen oogenblik en in die natuur werkt geen oogenblik een enkele kracht, en die kracht volgt geen oogenblik haar vaste richting, dan alleen en eeniglijk, omdat God de Heere op dat zelfde oogenblik die natuur almogend in stand houdt, in haar zijn mogendheid werken doet, en die mogendheid én gisteren én heden werken doet naar zijn voorgenomen en vastgestelden wil.

En dát dit nu zoo is, kan niet de natuurkundige ons leeren; die weet daar niets van; en kunnen we ook niet uit ons zelven opmaken, want bij ons blijft dit altemaal gissen; maar dit alles weten we nu eeniglijk en alleenlijk omdat God het ons geopenbaard heeft in zijn Woord.


De natuurkundige neemt waar. Hij weegt, meet, past, en constateert nu het feit, dat waar zekere stof in zekere omstandigheden verkeert, er zich bestendig deze en die kracht op deze en die wijze in openbaart. Maar verder kan hij niet. Zelfs de grenzen tusschen stof en kracht kan hij nimmer vaststellen. En al wat hij, bij dieper nadenken, constateeren kan, is dat de oorzaak waardoor dit alles alzoo en niet anders toegaat, uit de natuur zelve niet kan worden verklaard, en derhalve als een onbeantwoord vraagteeken voor hem blijft staan.

Maar sla ik nu Gods Woord op, dan wordt dit anders. Dan toch heb ik voor mij een openbaring van dienzelfden God, die tevens Maker en Schepper van de Natuur is, en die er mij dus alles van kan zeggen. En wat leert die God mij dan b.v. in Deut. VIII : 17 en 18? We lezen daar van Israël, dat het eenige jaren lang zonder akkers en zonder bakkersoven geleefd had van een manna, dat dagelijks uit den hemel viel. Doch nu zou er een tijd komen, dat dit ophield, en dan zou de Jood als boer zijn akker gaan bebouwen, het koren zou hij maaien, zijn molen zou het koren malen, uit het deeg zou brood worden gebakken, en de voldane jood van dat brood leven. Hij zou dus nu voortaan met de natuur te doen hebben, met haar krachten, met haar wetten, en zoo zou hij gespijsd worden. Hierdoor echter zou nu het gevaar komen te ontstaan, dat deze Jood zich ging inbeelden, dat die kracht in zijn akker buiten God om school, en dat die voeding hem, buiten God om, uit het gebakken brood toekwam. En dit nu, zegt en betuigt de gezant des Heeren, zou een volstrekt onware inbeelding en een loochening van Gods mogendheid zijn; want zegt hij: „Gij zult in uw hart niet zeggen: mijne hand en de sterkte mijner kracht heeft mij dit vermogen verkregen, maar gij zult gedenken den Heere, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen.” Derhalve wat wij zegen noemen. Zegen, niet als iets wat er nu nog bij moet komen, |235| maar als de werking die van God uitgaat om de krachten die Hij er in wrocht, ook nu te laten werken. En zoo vat dan Mozes deze zijne onderwijzing van de natuurwet saâm in wat ge in vers 3 leest: „Opdat gij verstaan zoudt, dat de mensch niet van het brood als zoodanig leeft, maar van het woord of van de werking die ’t zij in, ’t zij buiten dit brood, van den mond des Heeren uitgaat.” Elke natuurkracht die werkt, is alzoo een uitgaan uit ’s Heeren mond van een werking zijner mogendheid. Uit dien mond des Heeren gaan van oogenblik tot oogenblik alle natuurkrachten uit. En wie dit loochent, en die natuur met haar krachten beschouwt, als iets dat op zich zelf werkt, buiten Gods mogendheid om, maakt van de natuur niet minder dan een afgod. Zoo was de Baäl, zoo was de Astharoth een afgodische verbeelding van de natuurkracht. En alle wetenschappelijke leeken, die ook in onzen tijd de natuur als iets onafhankelijks en uit zich zelve genereerende beschouwen, zijn metterdaad teruggekeerd tot de afgoderijen der Kanaänieten. Vandaar dat Mozes dan ook terstond op deze onderwijzing volgen laat, dat het vergeten van den Heere bij de werking van de natuurkracht in het brood gelijk staat met een navolgen van de afgoden. Zie vs 19 en 20.

Daarom is het tafelgebed dan ook zoo dringend noodzakelijk, omdat bij het aan tafel gaan ieder meeëtende persoon zich eerst te herinneren heeft, dat God die spijs liet groeien door zijn alomtegenwoordige mogendheid, en door diezelfde mogendheid ze nu spijs laat zijn, en ze alleen door diezelfde mogendheid in ons bloed kan omzetten. Ge ziet dan ook, hoe de Natuuraanbidders onzer dagen dit gebed almeer opgeven. Voor hen wierd het onzin.


En mocht iemand wanen, dat dit een bijzonder Oud-Testamentische beschouwing was, dan zij hij verwezen naar wat Jezus zelf van de vogelen des hemels en de leliën des velds sprak. Wie voedt de leliën en wie omkleedt ze, en wie voedt de vogelen des hemels? En natuurlijk, als die vraag oprijst komt de ornitholoog en de botanicus u met juistheid en nauwkeurigheid uit den schat hunner kennis aanwijzen, hoe uit het zaad der leliën de kiem opschoot, en uit die kiem de stengel, en uit dien stengel de knop, en uit dien knop de lelie, en hoe het insect haar bewerkte, en de wortel haar sap toevoerde, en de lucht en de dauw en de zon haar hielpen vormen. En dat alles is schoon ontleed en meesterlijk uiteengezet. Maar als ik een schoon gekorven stuk hout zie, heb ik toch niet genoeg, als men mij zegt, dat dit kerven van het hout plaats greep door den beitel en den hamer en de zaag en de vijl en het draaiwiel, maar bedoel ik eigenlijk, wie de persoon was, die al deze instrumenten aldus bezigde. En zoo ook |236| bij de lelie. Lucht, dauw, zon en wat ge meer wilt, goed, dit waren de instrumenten, maar wie is het nu, die met deze instrumenten dit prachtig resultaat teweegbracht? en op die diepere vraag nu antwoordt Jezus: Hij, die elke lelie en bloem op het veld nog heden aldus formeert, en elk vogelke aan den hemel nog heden aldus voedt, dat is God, God de Heere met zijn almogende en alomtegenwoordige kracht. En daarom, aanzie de vogelen des hemels, dat ze noch zaaien noch maaien noch verzamelen in de schuren en nochtans voedt ze uw Vader die in de hemelen is. Of ook, aanmerk de leliën des velds, hoe zij wassen, zij arbeiden niet en ze spinnen niet, en toch zeg ik u, dat ook Salomo in al zijn heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk een van deze. ja, zelfs het gras des velds, dat nog veel nietiger is, zie, hoe het ook daarbij uw Vader in de hemelen is, die het met zijn groen gewaad bekleedt!

En deze zelfde toon nu is de doorgaande toon der Heilige Schrift. Wat Jezus zoo roerend schoon van de leliën sprak, zong in gelijken zin reeds de Psalmist, toen hij van de visschen en alle dieren jubelde: „Zij alle wachten op U, dat Gij hun spijze geeft te rechter tijd. Geeft Gij ze hun, ze vergaderen ze; doet Gij uw hand open, ze worden met goed verzadigd; maar ook, neemt Gij hun adem weg, zoo sterven zij en keeren weder tot hun stof” (Psalm CIV : 27 v.v.). Als er een vogelke of vischje uitkomt, dan „zond God zijn adem uit en ze wierden geschapen”; neemt God dien weer weg, dan sterven ze, en daarom valt er geen muschje op de aarde zonder den wil uws hemelschen Vaders. Hij is het en niet een „natuurkracht”, die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tusschen het gebergte heen wandelen. Hij drenkt de bergen uit zijn opperzalen. Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten en het kruid tot dienst der menschen. Hij doet het brood uit de aarde voortkomen. Hij beschikt de duisternis en het wordt nacht. „De jonge leeuwen gaan uit om hun spijs van God te zoeken” (Ps. CIV : 10-26). Het is God die zomer en winter formeert (Ps. LXXIV : 17). Hij geeft het vette der tarwe. Als het sneeuwen zal, „zendt Hij zijn bevel op aarde, en dan loopt zijn woord zeer snel. Hij geeft sneeuw als wol en strooit den rijm als asch. Hij stremt de stroomen, en werpt zijn ijs als stukken.” En zal het dan weer dooien dan „zendt Hij weer zijn woord en doet ze smelten. Hij doet zijn wind waaien en zie, de wateren vloeien heen” (Ps. CXLVII : 14-18). „Als er een woord uit zijn mond uitgaat, keert het niet ledig weder, maar doet wat God sprak, en de regen en de sneeuw dalen neder uit den hemel en doorvochtigen” naar goddelijken last „de aarde en er spruit zaad op voor den zaaier, en brood voor den eter” (Jes. LV : 9, 10). De Heere heeft niet alleen gewerkt, maar werkt nu nog aldoor alle ding naar den raad zijns willens. |237| „Als Hij spreekt, zoo doet Hij een stormwind opkomen die de golven der zee omhoog verheft” (Ps. CVII : 25). Dan „weer doet Hij den storm stilstaan, dat de golven der zee zwijgen” (vs 29). Niet de electriciteit, maar „de God der eere zelf dondert, Hij zelf is op de groote wateren. De Heere zelf breekt de cederen, en houwt er vlammen vuurs uit. Een stem des Heeren is de donder en de Heere doet door dien donder de hinden jongen werpen”. Ja de Heere zit als Koning in eeuwigheid ook over den watervloed (Ps. XXIX). „God”, zegt Elihu, „dondert met zijn stem zeer wonderlijk en Hij doet groote dingen. Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde! en tot den plasregen des regens, en dan is er plasregen op de aarde. Door zijn geblaas geeft God de vorst, zoodat de breede wateren stijf worden. Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid. Hij verstrooit de wolk zijns lichts. Die wendt zich door ommegangen naar zijn wijzen raad, dat ze doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde, hetzij dat Hij die tot een roede of tot weldadigheid beschikt heeft” (Job XXXVII : 11 v.v.). „De bliksemen worden door Hem uitgelaten, dat ze zeggen: Zie hier zijn we” (Job XXXVIII : 35). En Hij, de Heere, is het, „die de raaf haren kost geeft, als haar jongen tot God schreien” (Job XXXIX : 3). Dat zon en maan heur vasten loop vervolgen is, omdat God een verbond aan haar gesteld heeft (Jeremia XXXI : 35). Zoo blijft alles, o, Heere, roept de Psalmist, naar uwe verordeningen staan, want zij alle zijn uw knechten (Ps. CXIX. : 91).

En van al deze bestendigheid nu ligt de grond alleen hierin, „dat uwe getrouwheid, o, God, is van geslachte tot geslachte” (Ps. CXIX : 90), of wilt ge, „dat er bij den Heere geen verandering is noch schaduwe van omkeering.”

Zoo en zoo alleen verstaat ge het dan ook, dat de Heere na den zondvloed het als een belofte stelt, dat „zomer en winter” voortaan niet zullen ophouden.

En ons resultaat is derhalve, dat er zeer zeker vast bestand, vaste orde en vaste wet heerscht in de natuur, in de wereld van het denken en in de zedelijke, wereld, kortom in gansch de schepping Gods, maar niet alsof deze vaste orde op zich zelf bestond.

Neen, deze orde was, is en zal steeds niets zijn dan uiting van Gods wil en welbehagen. Die orde is vast omdat Gods wil van oogenblik tot oogenblik vast en gelijk blijft. En het is alleen door Gods alomtegenwoordige kracht, dat deze vaste orde van oogenblik tot oogenblik, zoo morgen als heden, werkt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002