Derde hoofdstuk.

Die ze bij name roept, vanwege de grootheid zijner kracht.

Jesaja 40 : 26.


Het Noodlot en de Fortuin moesten dan vallen voor Godes heilige Voorzienigheid. Doch zie, nu treedt tegen de Voorzienigheid des Heeren, als stouter mededinger, vooral in onze dagen, nog een derde afgod op in de Natuur. Ook onze vaderen kenden dien vijand van ons geloof reeds, en wezen er daarom in deze vraag van den Catechismus zoo met nadruk op, dat „loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, zomer en winter, koude en warmte, ons niet bij geval, maar van zijn Vaderhand toekomen.”

„Niet bij geval” nu is gesteld tegen de Fortuin. „Zijn Vaderhand” is gezet tegen het Noodlot. Maar die breede opsomming van „loof en gras enz.” tegen de verheerlijking en vergoding der Natuur. En dat onze vaderen geen ongelijk hadden, met vooral dezen derden vijand des geloofs met veelheid van woorden te bestrijden, dát toont waarlijk de uitkomst wel. |225|

Ga slechts na, tot wat macht de „dusgenaamde” Natuurkunde zich allengs verheven heeft en niet wat zelfvertrouwen men schier door heel Europa haar „gewaande” resultaten tegen de getuigenissen des geloofs overstelt, en ge zult terstond voelen, hoe het juist deze verheerlijking van de Natuur is, die thans, in onze dagen, aan het geloof de meeste afbreuk doet. We lijden onder de overmacht en den overmoed van het Naturalisme.

Het is uit dien hoofde eisch, voor zooveel ons bestek gedoogt, vooral dit punt met eenige nauwkeurigheid te bespreken, en de Dienaren des Woords zullen wel doen, zoo ze op den kansel en in het catechisatievertrek deze fundamenteele zaak wat klaarder en breeder dan dusver voor de geloovigen en hun kinderen uiteenzetten.


En dan beginnen we met te verzoeken, dat niemand zich stoote aan ons spreken van een „dusgenaamde” Natuurkunde, en haar „gewaande” resultaten. Hiermee toch is volstrekt niet bedoeld, geheel den omvang van wat men natuurkunde noemt en al haar resultaten te veroordeelen. Integendeel, gelijk vanzelf spreekt, erkent ook ieder Christ-geloovige de verdienstelijkheid en uitnemendheid van al zulke natuurkundige studiën en van dát deel harer resultaten, waarbij de natuurkundige zich binnen den kring van zijn bevoegdheid hield. Hetgeen hij dán voortbrengt is wetenschap van de echte soort en wordt dankbaar ook door ons aanvaard en geëerbiedigd. Maar het ongeluk wil nu juist, dat onze natuurkundigen aan die soberheid niet aanwillen, maar na gepast, gewogen en gemeten te hebben, nu ook den philosoof en den theoloog gaan spelen, en, u allerlei onderstellingen en theorieën komen verkondigen over onderwerpen, waaromtrent hun natuurkunde hun volstrekt niets leert, en nooit iets leeren kan. De natuurkunde is een empirische wetenschap, die aan de stoffelijke verschijnselen en hun onderlinge verhoudingen gebonden is; maar die volkomen onmachtig is, om iets waar te nemen van geestelijke dingen, of om de vraag te beoordeelen, in hoeverre de geestelijke krachten op stoffelijke dingen inwerken. Zij moet uit dien hoofde in zeer strengen zin het „schoenmaker, houd u bij uw leest” indachtig blijven, en mag zich nooit of nimmer uitstapjes veroorloven op geestelijk gebied. Zoolang ze op haar eigen terrein blijft, is ze geprivilegieerd jager, maar zoodra ze op geestelijk terrein komt, is ze strooper geworden. En overmits nu de opbloeiïng van het Naturalisme bijna geheel te wijten is aan deze verboden strooperijen, kan niet ernstig genoeg tegen deze machtsoverschrijding worden geprotesteerd. Wanneer een hoogleeraar in de Scheikunde ons zijn resultaten over de Saccharometrie (suikermeetkunde) |226| mededeelt luisteren wij met open ooren, want alsdan spreekt de man van het vak; maar wanneer zulk een Scheikundige nu ook nog zekere theorieën over allerlei wijsgeerige en theologische onderwerpen uitstalt, dan moet hij ons veroorloven, dat we aan dit zijn gekeuvel al bitter weinig waarde toekennen, en ons voor wat deze onderwerpen aangaat, liever tot andere mannen wenden, die nu van déze vakken weer studie maakten. Dat Jenner en Pasteur onderzoek doen naar de stoffelijke oorzaken van allerlei ziekten, dit is hun recht en met bewondering volgen we hun uiteenzettingen. Maar als we nu aan de geheel andere vragen toekomen, of deze ziekten en plagen ons door God besteld worden als een oordeel, en of de gedwongen vaccinatie geen afbreuk doet aan zedelijke rechten, dan hebben Jenner en Pasteur ons niets meer te zeggen, maar is het woord aan den jurist en den theoloog.

Voor twee gevaren hebben we ons dus wel te hoeden. We zouden verkeerd doen, zoo we om deze naturalistische kwakzalverij de echte Natuurkunde verachtten, of weigerden te erkennen, dat ook deze wetenschap een gave Gods aan ons menschelijk geslacht is. Omdat de Natuurkunde, door haar ongeoorloofde bemoeizucht zooveel kwaad brouwt en dies onder de geloovigen in zoo kwade reuke kwam, mag ze als wetenschap, mits binnen haar perken blijvende, door niemand geminacht. Maar ook van den anderen kant dient er scherp toegezien op alles wat ze ons toezendt, om wel te onderzoeken, of ze ook weer verboden waar binnensmokkelde, en weer staan ging aan wat haar niet toekomt.


Vraagt men nu wat bij deze bestrijding van de Natuurverheerlijking het hoofdpunt is, waarop het aankomt, dan heeft de Heidelberger dit uitnemend gevat, toen hij ons op dat loof en gras, op spijs en drank, regen en droogte, op jaarseizoen en op allerlei krankheid wees; woorden, waar slechts hij vluchtig over kan heenlezen, die niet begreep, waartoe deze opsomming hier dient.

De zaak is namelijk deze.

In de natuur om ons heen grijpen zekere afwisselingen plaats. De natuur is niet een huis, dat ons, jaar in jaar uit, bestendig denzelfden gevel en op dienzelfden gevel dezelfde lijnen en sieraden vertoont; maar ze is als een drama dat leeft en opgevoerd wordt in elkander telkens opvolgende bedrijven. Eerst is het nacht; dan komt de dag. Uit den winter gaat ge in de lente; uit de lente treedt ge in den zomer; ongemerkt schuift ge dan den herfst in; en ten leste keert ge in den winter terug. Eerst is de aarde groen van loof en gras, dán weer grauwt en grijst ze, en ligt eigenlijk voor u in het blanke wit van de sneeuw. Nu |227| eens bevriest ge, zoo koud als het is; en dan weer komt de dag, dat ge puft van warmte. Het eene jaar komt er uit heel den schoot van het aardrijk een overvloed van allerlei vrucht dat het niet te bergen is; dan weer gaan er onvruchtbare jaren. En zoo ook, nu eens bloeit aller gezondheid, en dan weer gaan er krankheden en pestilentiën uit. Deze opsomming ware natuurlijk nog veel breeder voort te zetten; maar bepalen we ons tot wat de Catechismus zelf aan de hand geeft.

Nu echter bestaat er omtrent deze gedurige wisseling van natuurtafereelen tweeërlei denkbeeld. De ééne beweert namelijk, dat al deze wisselingen het noodzakelijk resultaat zijn van natuurlijke oorzaken; terwijl het geloof staande houdt, dat al deze wisselingen gewrocht worden door Gods alomtegenwoordig bestel. Vandaar dat de Naturalist er om lacht, als men verband zoekt tusschen volkszonde en volksrampen, terwijl omgekeerd de geloovige in zijn conscientie de stellige overtuiging bezit, dat dit verband metterdaad bestaat.

Wat is nu ten deze het oordeel en de uitspraak der Heilige Schrift?

Ge vindt die in het woord dat boven dit opstel staat aangeteekend, mits ge maar een open oog hebt, voor wat in dat woord ligt.

We worden door Jesaja in dit woord op den starrenhemel gewezen. „Heft uw oogen omhoog en ziet wie al deze dingen geschapen heeft.” Maar nu wisselt ook het aanschijn van dien hemel af. Overdag ziet ge het diepe blauw of de grauwe wolken, maar des avonds, zoo het helder is, wordt dat blauw donkerder getint, en komen in dat donkere blauw achtereenvolgens allerlei prachtige starren te voorschijn; Venus, de avondsterre voorop. En dat prachtig schouwspel, dat opkomen der sterren aanziende, verklaart en betuigt de profeet nu, dat dit daardoor wordt teweeggebracht: „dat God ze met name roept”; let wel, niet eenmaal voor eeuwen tot aanzijn riep; maar roept, d.i. elken avond aan zijn hemel te voorschijn roept, vanwege de grootheid zijner macht en omdat Hij sterk is van vermogen. En vraagt men of Jesaja nu bedoelt, dat God de Heere dit zonder wet of orde of regel doet, dan snijdt hij zelf ook die vraag af, door er bij te voegen: „En ziet, er wordt er niet één gemist.” Jesaja’s getuigenis is dus volledig. God schiep den starrenhemel; in den starrenhemel gaat het naar vasten regel; maar nochtans wordt elke wisseling aan dien starrenhemel en al haar beweging gestadig en bestendig door Gods roepen en door Gods alomtegenwoordige kracht beheerscht.


Hiervan echter wil het Naturalisme nu niets weten. Men acht de Natuurkunde te ver gevorderd en te machtig, om zich aan zulke |228| „oudwijvenpraatjes” te storen. Of is zij niet de alwetende en almogende wetenschap geworden, die jaren vooruit den loop der starren u voorteekent, en zelfs den loop der kometen u aankondigt? En waar ge dusver althans in de stroomingen van den wind en in het onverwachts opkomen van een onweder en in een allen overvallende aardbeving althans nog iets hoogers zaagt, komt ze u ook die illusie ontnemen, door u thans reeds, dank zij haar uitnemende meteorologische waarnemingen, dagen vooruit een naderenden storm te voorspellen, en van lieverleê ook de oorzaken van de aardbevingen op te sporen. Zoover schreed ze dan ook reeds voort, dat ze fier en trotsch beweert, dat eerlang elk mysterie der natuur zich voor haar ontsluiten zal en ten laatste niets meer ons zal kunnen verrassen.

En daar moet en mag niets op afgedongen, en onvoorwaardelijk geven we de mogelijkheid toe, dat van lieverlee zelfs het ongestadigste onder een regel zal gebracht worden, en wij zullen er God voor danken zoo het metterdaad gelukt voortaan ook de nadering van een aardbeving te voorspellen, en indien de namelooze ellende, die thans nog door schier elke aardbeving veroorzaakt wordt, voortaan kan worden voorkomen.

En toch is er iets in de kringen der geloovigen, waarom menigeen deze vorderingen der Natuurkunde met leede oogen aanziet. Niet zelden toch is men bang, dat er op die wijs voor God den Heere geen terrein om te werken en zijn werk te toonen in de natuur zal overblijven.

Hiervan echter ligt de schuld niet in de natuurkundigen, maar juist omgekeerd in de ongeloovigheid der geloovigen.

Wat toch is de groote fout, die de meeste geloovigen begaan? Ze deelen ongemerkt het leven der Natuur in twee groote deelen in, en plaatsen dan eenerzijds die reeks van verschijnselen en wisselingen die meer gewoon zijn en die ze zelven in hun regelmatigheid beoordeelen kunnen, zooals b.v. de afwisseling der seizoenen, de afwisseling van regen en schoon weder, de kleine cruptiën en verkoudheden en gewone ziekten, en zoo ook de gewone afwisseling van dag en nacht; en van al deze wisselingen oordeelen ze, dat dit alles naar vaste, gewone en bekende natuurwetten gaat, zoodat daarmede het geloof niets te maken heeft. Maar daarnaast plaatsen ze nu een geheel andere rubriek; de rubriek van de meer ongewone dingen, die hun onregelmatig toeschijnen; zooals een storm, een aardbeving, een cholera, een bliksem die inslaat; en oordeelen ze dat dit ongewone aan geen natuurwet hangt, maar rechtstreeks door God wordt gewerkt.

Ze deelen dus op die manier de natuur in tweeën; eenerzijds een terrein waarop de Natuurwet, en anderzijds een terrein waarop God de |229| Heere zijn gebied voert, En overmits zij geloovigen zijn en het dus voor den Heere hun God opnemen, staan ze er nu op, om dat onregelmatige gebied zoo groot mogelijk te nemen, en dat domein waarop de Natuurwet zal heerschen, zooveel mogelijk in te krimpen. En hieruit nu wordt hun vijandschap tegen de Natuurkunde geboren. Immers als nu de Natuurkunde maar stil zat en niet voortschreed zou men haar alle eere geven. Maar nu die Natuurkunde niet stil zit, maar eene koene werkzaamheid ontwikkelt, en telkens meer Natuurwet ontdekt nu maakt dit de geloovigen bang. Ai mij, denken ze, als dit zoo voortgaat, blijft er ten leste niets meer onregelmatigs over en zal het einde zijn, dat aan God mijn Heere heel zijn heerschappij ontnomen wordt.

En op dit onware standpunt moet men wel zoo oordeelen. Wie eenmaal de Natuurwet buiten God plaatst, en voor God alleen het onregelmatige overlaat, die moet wel begeeren, dat allengs de Natuurwet leugen blijke en zooveel mogelijk terrein aan haar beheersching onttrokken blijve.


Doch juist tegen heel deze voorstelling komt nu onze Catechismus op grond van Gods eigen Woord dan ook op; en let er op, hoe onze Heidelberger daarom in deze Zondagsafdeeling juist niet zegt: „alzoo dat storm en onweder, aardbeving en pestilentie ons niet bij geval maar van zijn Vaderlijke hand toekomen”; maar dat hij omgekeerd juist de zeer gewone en regelmatige dingen opsomt, en u spreekt van „loof en gras, regen en droogte, spijs en drank.”

Reeds Calvijn had er dan ook met nadruk op gewezen, dat heel deze voorstelling, alsof de gewone dingen door de natuurwetten gedragen worden, diep ongeloovig was, en daartegenover de gansch Schriftuurlijke belijdenis gehandhaafd: dat al hetgeen door eenige natuurwet in zijn gang en loop bepaald wordt desniettemin, of juist daarom, van oogenblik tot oogenblik in zijn gang en loop bepaald wierd door God.

En wel verre van hiertegen op te komen, wenschen wij deze stelling zelfs nog uit te breiden, en te verklaren, dat o.i. alles door een vaste Natuurwet in zijn gang en loop bepaald wordt, maar dat ook juist deswege alles van oogenblik tot oogenblik beschikt en geregeld wordt door Gods eigen hand.

Wij verwerpen dus geheel en al die valsche voorstelling van een deeling in regelmatige en onregelmatige, gewone en ongewone verschijnselen. Het staat voor ons vast, dat alles één gebied, één terrein, één domein vormt, en dat er op dit gansche terrein niets is, of het volgt zijn gang en loop, door die natuurwet bepaald. Ook de storm, ook de aardbeving, |230| ook de optredende pestilentie. En dat dit anders schijnt, ligt niet daaraan, dat er geen regel en regelmaat zijn zou, maar is uitsluitend daaruit te verklaren, dat wij dien regel nog niet kennen.

Kenden wij heel de natuur en de werking en regeling van al haar krachten, dan, hiervan zijn we overtuigd, zou alles verklaard zijn, en alles behoorlijke orde en regelmaat blijken. En in zooverre nu de Natuurkunde de geroepene wetenschap is, om ons in die kennis verder te brengen, juichen we haar toe, en wenschen we van heeler harte, dat ze niet stil zitte, maar doorwerke, en allengs al de regelen der natuur ons ontsluite.


Maar, en hierin is nu het geloof, terwijl we op die wijs heel het terrein der Natuur onder regelmaat wenschen gesteld te zien, houden we aan de andere zijde, op grond der Heilige Schriftuur, met Calvijn en onzen Heidelberger staande, dat heel dit terrein van regelmaat van oogenblik tot oogenblik alleen daarom zoo regelmatig is en werkt, omdat God de Heere het van oogenblik tot oogenblik aldus bestaan en zijn en werken doet.

Versta het wel; niet, het alzoo bestaan en zijn en werken laat, maar alzoo bestaan en zijn en werken doet.

Als ’s avonds de sterren aan den hemel opkomen, komen ze op naar vaste regelmaat, omdat Hij ze naar regelmaat met name roept. „Elk jaarseizoen”, zingt de Psalmist, „brengt God te voorschijn.” Als het regent brengt God de wolken saâm. Als het rijmt, heeft Hij dien rijm gestrooid. Hij werpt zijn ijs heen als stukken. Alles wat is en leeft en tiert, is, leeft en tiert alleen doordien Hij het van oogenblik tot oogenblik alzoo maakt en bewerkt.

Het is niet alzoo, dat God de Heere in den aanvang der Schepping zekere machten of wetten vastgesteld heeft, en dat nu de Natuur deze machten en wetten, buiten God om, haar loop volgen deed; terwijl God slechts nu en dan eens wakker zou worden, om in dien loop in te grijpen, en eens een aardbeving of pestilentie te zenden. Neen, er is nergens door Hem een macht of wet gezet die ook maar één oogenblik buiten Hem, of zonder Hem bestaan zou of zou kunnen werken. Maar dit is de zaak: God de Heere is niet als een mensch grillig en ongestadig in al zijn doen, maar al zijn doen is goddelijke majesteit. Vandaar dat er in al zijn doen bestendigheid, gelijkmatigheid, vaste regelmaat en orde heerscht en dat Hij nu al zijn creaturen naar zulk een vaste orde en wet loopen en gaan doet, dat de mensch die onderzoekt, er die vaste wet en orde ook in terugvindt. |231|

Doch, eer dit duidelijk kan ingezien, dient eerst nader het karakter van een wet besproken, en daar dit voor het onderhavig artikel te ver uit zou loopen, zien we ons genoodzaakt, dit uit te stellen tot het volgende hoofdstuk.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002