Tweede hoofdstuk.

Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid daarvan is van den Heere.

Spreuken 16 : 33.


Tegen der Christenen belijdenis van de Voorzienigheid Gods, stelt het ongeloof van ons natuurlijk en verdorven hart twee geheel andere voorstellingen van den gang van het heelal over, t.w. óf dat alle dingen door een geheimzinnig Noodlot beheerscht worden, óf wel dat alle dingen beheerscht worden door de Fortuin.

Is een natuurlijk mensch meer een denker dan een gevoelsmensch, dan hij voor het Noodlot; drijft hij daarentegen meer luchthartig op de prikkeling zijner indrukken, dan zult ge bevinden, dat hij een aanbidder van de Fortuin is.

Niet alsof alle lieden, die nog ganschelijk uit hun oude natuur leven hiervoor zouden uitkomen. Dat in het minste niet. Ge moet al wijsgeer van ambacht zijn, om rondweg te belijden, dat niet God maar het Noodlot heerscht, en al bijster wuft en dartel, om driestweg er voor uit te komen, dat de Fortuin en niet God over uw leven beslist. Maar op iemands zeggen kunt ge niet afgaan. Ge moet hem bespieden in de practijk des levens, als hij er zelf niet op let, hoe hij zijn eigen hart verraadt. En zoo ge dat doet zult ge bevinden, dat ons natuurlijk hart nooit en nimmer aan Gods Voorzienigheid gelooft, maar alleen op het Noodlot valt óf op de Fortuin. |218|

o, De mensch bedriegt zich zelven in dit opzicht zoo met open oogen. Luister maar eens toe, hoe verreweg de meesten, als hun leed of ongeval of rouwe overkomt, op hun lippen het zeggen hebben: „Het moest zeker zoo zijn!” „een mensch kan er niets tegen doen”; „wij, menschen, hebben er in te berusten!” En wat, bid ik u, bedoelen ze met al zulk zeggen anders, dan dat ze op een muur stooten, waar ze niet door kunnen; door een macht beheerscht worden, waar geen verwrikken aan is; en aan een keten liggen, die ze toch niet kunnen doorvijlen of stukwringen. o, Als ze macht hadden, om er tegen in te gaan, ze zouden opstuiven en verwoed tegenstrijden! Maar als een enkel dapper man door duizend vijanden omringd is, wat zal hij ook tegenworstelen; als men u aan een rotsblok van tien centenaar ketent, wat zult ge er ook aan rukken? En zoo nu voelen de kinderen der menschen zich van nature door een overmacht overmeesterd, waar toch geen worstelen tegen is; en daarom houden ze zich dan in, en berusten, zoo het heet; maar er is geen toon in het hart, dat God het gedaan heeft; geen klank in de ziel die aan een goddelijk ontfermen ook in zijn toorn gelooft; geen kus op de lippen voor de Vaderhand die sloeg.

Eer mort men en murmureert. En zoo men zijn gemor opkropt, is het enkel omdat het toch doelloos en onnut zou zijn.

Ge moet dus niet zeggen, dat gij van nature aan Gods Voorzienigheid gelooft en dat alleen de booze Stoïcijnen voor hun Noodlot bukken. De Stoïcijn zit ook in u, want Stoïcijn is elk zondaar van nature. En zoo u in het leed ooit een glans van Gods voorzienig bestel verkwikt en getroost en teeder gemaakt heeft, dan viel die lichtstraal in uw hart uit loutere genade.


En gelijk op die wijs de zondaar in dagen van smart en tegenspoed van nature een Stoïcijn is en het Noodlot voor God in plaats stelt, zoo komt uit datzelfde booze hart bij vreugd en Voorspoed en ook bij de woeling des levens, het spelen met de Fortuin op.

Leg uw oor maar te luisteren, als de een tot den ander zegt: „Ge moet ook maar gelukkig wezen”; „nu, daar zijt ge fortuinlijk mee geweest”; „dat is luk of raak zooals het uitvalt”; „dat loopt niet mee”; „daar hebt ge een kwade kans aan gehad”; „dat sloeg tegen”; „ge hadt de fortuin mee, man”, en wat er van zulk zeggen meer is; altegader klaarlijk aanduidende, dat men aan God niet denkt, buiten den Eeuwige om rekent, en zijn lot en zijn geluk beschouwt als vrucht van kans en van geval.

Vandaar dan ook de onhebbelijke en onbedwingbare drift waarmeê de mensch zich in de strikken van het spel verwart. Van meet af zijn onze |219| vaderen kloek en kras tegen alle lotspel opgekomen. Ze hadden niets tegen spelen die oefeningen van scherpzinnigheid of spierkracht en vlugheid waren, zooals schaak- en dam- en kegelspelen; maar vooral tegen het kaartspel traden ze met onverzoenlijken ijver op. En terecht. Niet alsof er in de kaarten zelf iets zitten zou dat boos was. Dit te wanen ware geen geloof maar bijgeloof. Neen, maar, omdat de mensch in het blinde geval, hoe de geschudde kaarten uitvallen, zijn vermaak heeft en er lust in vindt om van dat blinde geval af te hangen. Went men daar nu zijn kinderen, went men daar zich zelven aan, dan sterkt men de zondige neiging van zijn hart en doet ongemerkt afbreuk aan zijn geloof. Het kwaad van het kaartspel zit dus volstrekt niet alleen in het om geld spelen, maar wel terdege in dat afhankelijk stellen van zijn kans van een bloot geval of fortuin. Dát is het wat het geloof in het hart ondermijnt. Maar natuurlijk, als men er nu nog geld ook aan gaat hangen, dan voegt men bij het eerste kwaad een tweede kwaad en maakt het nóg erger. En als men dan ziet, hoe lieden van aanzien aan de speelbank soms hun halve vermogen op één worp zetten, en zelfs prinsen en vorsten daaraan meedoen; en ziet, hoe op de beurs in effecten en waren gespeeld wordt met een drift en hartstocht, die aast op het goud dat hun de Fortuin in den schoot zal werpen; dan voelt men eerst recht hoe ontzettend diep onze maatschappij aan het geloof aan Gods Voorzienigheid ontvallen is, en er lust aan heeft om te drijven op de Fortuin.

Dit is niet gezegd, om het lot op zichzelf af te keuren, mits men het maar Schriftuurlijk gebruike. Gods Woord zegt ons in Spreuk. XVIII : 18: Het lot doet de geschillen ophouden; en indien er onder menschen over eenige zaak geen beslissing te vinden is, ligt er in de werping van het lot zelfs een aangewezen weg, die geheel met het geloof overeenstemt. Immers, een kind van God gelooft dat naar luid van Spreuk. XVI : 23 „het lot in den schoot wordt geworpen, maar dat het beleid daarvan bij den Heere is”. En bijaldien derhalve kinderen Gods, in onoplosbare moeilijkheden, begeeren dat God de Heere beslissing zal geven, en zij roepen Hem om die beslissing aan, en werpen nu het lot, niet om de Fortuin, maar om den Heere, hun God, te laten beslissen, dan kan zulks zeer wel stichtelijk en in de vreeze Gods geschieden.

Maar zoo bedoelen het de spelers niet. Den speler in ons hart is het niet om God, maar om een spel van luk en raak, om kansslingering, en om gril van de Fortuin te doen; en dit nu moet met hand en tand bestreden.

Het is daarom zeer zaak dat de Bediening des Woords ook op deze verborgen roerselen in het hart meer haar licht doe vallen. Dat deden |220| onze vaderen. Ze bespraken zulke diep ingrijpende zonden breedvoerig voor de gemeente, en alleen zoo is het hun gelukt, om in de Gereformeerde kringen deze speelzucht eenigszins in te binden. Den laatsten tijd daarentegen is men gewoon geworden, die fundamenten van ons innerlijk bestaan onbesproken te laten, en sinds die dagen neemt dan ook in geloovige kringen deze zonde weer hand over hand toe.

In verband waarmeê lieden die in de vreeze Gods wenschen te staan, ook wel eens overwegen mogen, of ze goed doen met verlotingen en tombola’s voor dusgenaamd weldadige doeleinden aan te wenden. Hard willen we in deze teedere aangelegenheid niet oordeelen. Maar we willen toch gevraagd hebben, of er in zulk een goed bedoeld kansspel toch ook geen voedsel voor de bestreden neiging van ons hart zit, en of het doel, hoe goed ook gekozen, ooit het voeden van de kans-zucht verontschuldigen kan.


Wie van de Voorzienigheid Gods handelt, zal daarom wel doen, om niet in het liefelijke te blijven hangen, en in het afgetrokkene op den boozen Stoïcijn of wuften Epicureër te smalen, maar met in de harten der geloovigen zelven en van hun kroost den zondigen trek naar het Noodlot en naar de Fortuin op te speuren, bloot te leggen en met de macht der sleutelen te bestraffen.

Want dit springt in het oog, noch zulk een Noodlot, noch zulk een Fortuin kan met de belijdenis van de Voorzienigheid Gods ook maar één oogenblik bestaan.

Wat toch onderstelt zulk een Noodlot?

o, We weten wel, bij de meesten onderstelt dit nog niet, dat er geen God zou zijn. o, Neen, veeleer gelooven ze aan een God, maar ze achten, dat God er niets aan doen kan; dat Hij zelf gebonden is door een onnoembare macht. En wij, Gereformeerden, bovenal, mogen wel zeer scherp toezien, dat we niet evenals de Turk, of de Determinist, ons in die val laten lokken.

Want een Turk, dat weet ge, gelooft wel aan een God, maar hij gelooft er bij, dat die Allah, gelijk hij zijn God noemt, naar een onafwendbare noodzakelijkheid nu eenmaal alles zoo bepalen moest, en dat het ter oorzake van die onbeschrijfelijke noodwendigheid niet anders kan. En ook de Determinist, die in onze dagen weer uit de scholen der wijsgeeren is opgestaan, en ook ten onzent een tolk vond in den bekenden hoogleeraar Scholten, gelooft in den grond der zaak hetzelfde.

Ge vindt buitendien, zelfs bij de uitstekendste schrijvers der Grieksche en Romeinsche oudheid, in hun keurigste zangen en ernstigste klachten, |221| schier altoos de bekentenis, dat er zulk een vreeslijk, onafwendbaar Iets bestaat, waartegen zelfs de goden niets vermogen; zoodat de goden wel deernis met hen hebben dat het zoo moet, en zij wel deernis met de goden hebben, dat deze dien heilloozen raadslag moeten uitvoeren; maar de diepste oorzaak van wat geschiedt, en waaraan mensch en goden onderworpen blijven, is dan toch altoos het Noodlot.

En zie nu wel in, hoe sterk de menschelijke geest, juist uit heilige beweegredenen, naar zulk een Noodlot, waartegen ook God niets vermogen zou, drijft. Want als ge ziet hoeveel jammer er bestaat, en hoeveel zedelijke ellende, en ge leest van een Duivel, en van een eeuwige rampzaligheid, en van duizenden die verloren gaan, o, dan is het zooveel gemakkelijker, om te onderstellen, dat dit komt doordien God, overmits een ongeziene noodwendigheid van uw lot hiertoe noodzaakt, er niets tegen doen kan. Het zijn dan ook de slechtste zielen niet in welke al zulke overwegingen opkomen, en Gods kinderen loopen zeer ernstig gevaar om hierin te eerder verstrikt te raken, naarmate ze te volstrekter aan Gods souvereiniteit gelooven.

Wie op den vrijen wil het rad des levens zet, heeft aan dien uitweg geen behoefte, maar wie inziet, en wien uit Gods Woord geleerd is, dat alle zeggen, als zou onze wil Gods wil regelen, en niet Gods wil onzen wil beheerschen, ijdel dwaas is, die staat altoos voor die ontzaglijke moeilijkheid, hoe Gods wil het zóó kan willen, als we het zien; en dien wenkt dan de booze demon van het Noodlot.

En toch godvruchtiglijk kan men nooit of nimmer ook maar één oogenblik aan zulk een noodwendigheid, waaraan God onderworpen zou zijn, voet geven; want door dat te doen, raakt men dan wel schijnbaar uit de moeilijkheid, maar om op hetzelfde oogenblik zijn God te verliezen.

Het spreekt toch vanzelf: Een God, die afhankelijk zou zijn van iets dat boven Hem was, zou geen God meer wezen. God te zijn zegt juist, dat Hij, zelf aan niets onderworpen, alles aan zich onderwerpt. Ja, men zou God den Heere daarmee verlagen, tot onder den mensch. Want immers, wij, schepselen, we zijn wel onvrij en afhankelijk, maar wij hangen dan ten minste nog van een levend God af, dien we kunnen eeren en liefhebben, maar God de Heere zou op die wijze niet eens van een levend God, maar van een dom onpersoonlijk iets afhangen, dat als een rots of blok Hem tot een stommen, zielloozen hinderpaal zou wezen.


En wat nu de Fortuin aangaat, zoo handelen we nu hier niet van de bepaalde spotters of godloochenaars, die feitelijk driestweg zeggen, dat er een God is en alles bijgeval gaat; want dezulken bereikt ons werk toch niet. |222|

Maar wel moet de valsche waan van hen bestreden, die het leven in twee stukken deelen, en een scherp onderscheid maken tusschen gewichtige dingen en beuzelingen. Dezulken nu belijden zeer zeker een Voorzienigheid Gods; maar, zeggen ze: het Godsbestuur laat zich niet in met het kleine en nietige. Veel is beheerscht door Gods wil, maar niet alles. Er is een zekere speelruimte aan het geval en aan de kans en aan het goed geluk gelaten, en op het erf dier vrije speelruimte werkt nu de Fortuin.

Dat God de Heere het lot van volken en staten beslist, houden ze voor vast en zeker. Ook gelooven ze vastelijk, dat hun leven in Gods hand is, en dat het einde hunner dagen bij God bepaald is. Maar of men nu uitgaande op den weg een vriend ontmoet, dien men juist spreken moet; of men, plotseling om een arts verlegen, dien juist aan den hoek van zijn straat tegenkomt; en wat dies meer zij; dat noemt men gevallig. Zoo gevallig, dat zelfs vrome Christenen gedurig van „bij toeval” in zulke ontmoetingen spreken, en de Schrift zelf in 2 Sam. I : 6 en XX : 1 zich naar dit gebruikelijk zeggen schikt. Wie in de vreeze Gods wandelt, bedoelt dan echter met zulk zeggen volstrekt niet de speling van de Fortuin, maar wil alleen zeggen, dat hij er niet op gerekend had, dat het buiten alle afspraak was, dat men over en weer niets van elkaar wist; en dat er alzoo een bijzonder bestel der Voorzienigheid Gods in valt op te merken en te loven.

Doch waar men nu niet alzoo met zijn gedachten tot God opklimt, en metterdaad leeft in het besef, dat er zeker vrij terrein in het leven voor allerlei kleine gevalligheden is, die buiten God omgaan, daar wordt wel waarlijk op de Fortuin vertrouwd, en God de Heere in zijn Majesteit verloochend.

Of leert God de Heere niet, dat Hij het is die den bloedwreker zijn slachtoffer doet ontmoeten? Leert de Heilige Schrift u niet, dat zelfs het schot van een pijl onder zijn bedwang en bestel is? Leert de Christus u niet, dat zelfs de haren van uw hoofd alle geteld zijn? En wat terrein van beuzelingen of kleine gevalligheden woudt ge dan nog vrijhouden, dat niet door Gods verborgen wil zou worden beheerscht?

Heel zulk zeggen is dan ook de onzinnigheid zelve. Of wie kent de historie en las niet gedurig, hoe de machtigste oorlogen en ontzettendste gebeurtenissen gedurig voort zijn gekomen uit de allerkleinste oorzaken? Wie weet niet uit zijn eigen levensgeschiedenis, hoe er gedurig tweesprongen op zijn weg waren, die over heel zijn volgend leven hebben beslist, en waarbij toch de keuze bepaald wierd door de nietigste beuzelingen?

Een pan valt van het dak en doodt uw kind, omdat een kat over het |223| dak kroop en de pan loswoelde. Uit baldadigheid schiet een dartel mensch op een feest zijn geweer af, en de kogel vliegt in uw huis en doodt u. De bliksem valt neer, en juist hebt ge een stuk staal in de hand, waardoor ge dien aantrekt. Als een man hout hakt met een bijl en het ijzer vliegt van de bijl af en doodt zijn maat, dan heb Ik, zegt de Heere, dat ijzer bestuurd in zijn vliegen. Een stoomtrein snelt langs zijn sporen voort, en ontspoort en drie wagens worden stuk gewrongen en veertig menschen boeten hun leven in, maar gij ontkomt doordien ge plaats naamt in den middelsten wagen, hoewel ge reeds in den voorsten waart ingestapt. Aan het leven van Duitschlands Keizer hangt de vrede van Europa; en ook op hem schoot men; wat nu is gevalliger dan de vraag of de moordenaar bij het schieten zijn hand een duizendste centimeter te hoog of te laag hield?

Zoo ziet ge dus wel, dat al het spreken van zulk een onderscheiding pure ongerijmdheid is.

Er zijn voor God geen groote en geen kleine dingen, en ons leven zou in duizend angsten verteren, zoo we niet wisten, dat én kleine én groote dingen geheel in zijn bestel gevat zijn. Niets staat los en op zich zelf van wat gebeurt. Het is al één keten, waarvan de kleine en de groote schalmen alle ineengeklonken zitten, en waaruit er niet één kan worden gemist. Ons lot bestaat niet uit losse stukken, maar heel ons aanzijn is als één kunstig raderwerk, waarin het kleinste stiftje evenzeer onmisbaar is als het grootste rad. Neem er de proeve maar van met uw eigen uurwerk. Daar zijn ook groote raderen en lange veeren, en spillen en stiftjes in, maar indien ook maar het allerkleinste stiftje of schroefje losraakt, staat al uw uurwerk stil.

Onder het brandmerk van gansch goddeloos en Godverzakend moet daarom al zulk gevoelen ten eenen male verworpen, alsof er naast het groote terrein waarop Gods wil heerscht, toch nog zeker klein terrein van vrije kansspeling zou overblijven, waarop we de gunst van de Fortuin konden zoeken. Wie dit zegt en meent, heeft in zijn hart zijn God verloochend en gebroken met zijn geloof.

Het staat dus niet tusschen de keus: „God het meeste en de Fortuin een klein deel”; maar wel waarlijk tusschen deze heel andere: „Alles van God afhankelijk of alles overgelaten aan het geval van de Fortuin.”

Ook hier kan niet op twee gedachten gehinkt. Ook hier kan men geen twee heeren dienen. Voor eenige kans, of eenig geval, of eenig spel van de Fortuin, is naast de Voorzienigheid onzes Heeren geen plaats. Elk rekenen op geluk of kans is God in uw hart verloochenen, en omgekeerd elke geloofswerking in uw ziele drijft alle hechten aan spel of goed geluk uit. |224|

Ja dit gaat zoover, dat het vroom gemoed, dat God vreest, juist in het kleine en schijnbaar beuzelachtige te meer zijn God zal verheerlijken. Als een Syrisch soldaat, zonder op Achab te mikken, Achab toch treft tusschen den gesp en het pantsier, en Gods profetie gaat hiermee in vervulling, dan is juist in dat onnoembaar kleine van de vaart die zijn pijl nam Gods werk zoo majestueus en aanbiddelijk. En als er in ons eigen leven kleine, nietige dingen voorkomen, die we haast aan andere menschen niet durven vertellen, zoo onbeduidend als ze zijn, en we werden toch, toevallig, gelijk men dan zegt, er uitgeholpen, dan zal het kind van God juist uit dit nietige ongemeene geloofsversterking putten en er de hand in merken van zijn God.

Het is zoo, men kan dit overdrijven en er mee te koop loopen, en zoo langs dien weg zijn hart weer schade toebrengen. Maar op zich zelf is zulk merken op de kleine dingen steeds het merkteeken van Gods heiligen geweest. Als uw kleed scheurt en ge hebt een speld noodig om het vast te spelden, en ge ziet juist een speld voor uw voet liggen, dan heeft God de Heere er die speld voor u gelegd.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002