Zondagsafdeeling X.

Vraag 27. Wat verstaat gij door de Voorzienigheid Gods?

Antwoord. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onderhoudt en regeert, alzoo dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen niet bij gevalle, maar van zijne vaderlijke hand ons toekomen.

Vraag 28. Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijne Voorzienigheid onderhoudt?

Antwoord. Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, wat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijne liefde scheiden zal, aangezien dat alle schepselen alzoo in zijne hand zijn, dat zij tegen zijnen wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.


*

Eerste hoofdstuk.

Worden niet twee muschkens om één penningske verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.

Matth. 10 : 29.


Uit de Schepping vloeit als vanzelf de Voorzienigheid des Heeren. Als gij, mensch, een kunstig stuk werks gewrocht hebt; zeg, ge hebt een prachtig marmeren leeuwenbeeld geboetseerd; dan draagt gij dien marmeren leeuw niet, maar staat die leeuw op een plek gronds die u en hem draagt. En ook, dan zijt gij het niet, die het marmer waaruit die leeuw gehouwen wierd, als marmer laat voortbestaan, maar dat marmer blijft marmer, geheel buiten uw toedoen en onafhankelijk van uwen wil.

Ware nu het werk Gods in de Schepping eenigszins gelijk aan dit uw werk bij het boetseeren van dien marmeren leeuw, dan zou dus ook God de Heere hebben kunnen doen, wat gij deedt, t.w. de wereld scheppen; |211| voorts ze ergens neerzetten of wentelen laten; en alzoo ze laten bestaan buiten zich om.

Zoo toch doet gij. Gij maakt zulk een beeld; laat het staan waar het stond, of zet het ergens anders; en voorts gaat ge elders heen, of legt u ter ruste; en uw leeuw staat daar vanzelf.

Maar zoo kan God niet doen. Als God de Heere een wereld schept, is er nergens eenige plek denkbaar, waarop Hij die wereld zou laten rusten. Hij kan, om het eens overduidelijk te zeggen, die wereld nergens neerzetten en is dientengevolge genoodzaakt al die eeuwen lang deze geheele wereld in zijn hand te houden. Denk u één enkel oogenblik dat de Almachtige God zijn vingeren had ontspannen en de koorden der Almogendheid, waarmee Hij die wereld vasthoudt, had laten glippen, en immers heel de wereld ware verzonken in het holle oneindig van een ruimte zonder perk of grens. En zoo zult ge derhalve allereerst dit godvruchtiglijk bedenken, dat God de Heere geen oogenblik van zijn schepping weg kan, dat Hij ze geen oogenblik kan laten varen of ergens uit zijn hand zetten, maar dat Hij van den eersten aanvang der stofjes af tot nu toe, al het wicht dier geheele wereld, d.i. én van de aarde én van den hemel onverpoosd en rusteloos zelf met zijn eigen goddelijke hand te dragen heeft.

Doch dit is nog niet al.

Denk u dat gij u een uurwerk hebt aangeschaft. Dan, niet waar, zet gij dit niet alleen rustig op uw schoorsteenmantel neder, en gaat uws weegs, maar ook gij windt het op; en door dat opwinden brengt ge het werk aan den gang; en nu loopt het uurwerk dagen lang. Zoo ontstaat de vraag, of de Heere onze God alzoo ook met zijn Schepping kon handelen. Ze ergens neerzetten, dit verstonden we nu, kan Hij niet. Hij blijft haar zelf rusteloos dragen. Maar kan de Heere dan tenminste het verborgen werktuig dier Schepping nu zoo opwinden, dat het vanzelf een tijdlang loopt; loopt buiten Hem om, gelijk het uurwerk loopt; ook al ligt gij verzonken in diepe ruste? En ook hierop moet geantwoord: Onmogelijk. Want waarom kunt gij zoo doen? Immers alleen omdat er geheel buiten uw toedoen en onafhankelijk van uw wil een spankracht in de veer van uw uurwerk trekt en werkt, en het Gods vinger is, die binnen in uw uurwerk, terwijl gij sluimert, die veerkracht in stand houdt. Maar wie zou dit voor God den Heere doen? Een mensch kan het niet. Een andere, tweede God, is er niet. En zoo is God de Heere verplicht, om ook dat in stand houden der krachten zelf te veroorzaken. Want denk u één oogenblik dat God niet langer in de stalen veer van uw uurwerk de spankracht, of in heel de Schepping al de dusgenaamde natuurkrachten |212| liet werken, en immers alles zou op hetzelfde oogenblik stilstaan en versterven.

Iets wat óók van u zelven, van uw magen en lieven geldt. Gij leeft en zij leven. Hetgeen waarvan gij leeft is de adem Gods, die in uw neusgaten is geblazen, en die in uw bloed den klop van het hart en den slag van den pols, en uw zenuwen de gevoeligheid en uw spieren de kracht instort. En nu, ge kent het woord van den Psalmdichter: „Neemt Gij hun adem weg, zoo sterven ze en keeren weder tot hun stof!”

Of twijfelt ge hier nog aan, vraag u zelven dan maar af, waar het van daan komt, dat ge, laat ons zeggen, wel 50 kilo kunt vertillen, maar geen 200: dat ge schrikkelijke moeite hebt om 20 kilo ook maar één kwartier uurs te torsen, en dat ge uw eigen lichaam, dat 70 of 80 kilo weegt, vlug en soms uren achtereen draagt en tegen hooge bergen op kunt stuwen? Wat toch is nu die kracht? Waar zit die in uw spieren? Is die ooit gezien of microscopisch waargenomen? Wie bepaalt haar maat? Hoe raakte ze op en komt ze weer terug? En hoe zult ge dan uw eigen persoon begrijpen, zoo ge wegneemt het apostolisch belijden: „In Hem leven we, bewegen we ons en zijn we.”

En nu komen we op uw leeuw terug. Gij maakt een enkelen marmeren leeuw, zoo ge beeldhouwer zijt. God niet. God de Heere schept duizend levende leeuwen, die hun muil opsperren en brullen dat het dreunt door al het woud. En we zagen ten eerste dat God al die leeuwen in zijn eigen hand draagt, en ze nooit uit zijn hand kan zetten, en ten andere dat als die leeuwen brullen God de Heere de kracht voor dat brullen in de leeuwenborst gaande moet houden. Maar nu komt hier ten derde nog bij, dat die leeuw ook gevoed moet en gedrenkt, en ook dit moet God zelf doen: „Zij alle wachten op U en Gij geeft hun spijze te rechter tijd.”


Zoo blijkt dan, hoe de Schepping vanzelf de noodzakelijkheid der Voorzienigheid medebrengt. Gelijk een reeder geen schip in zee kan zenden, of hij moet tevens zorgen dat alles aan boord komt, wat voor de maanden dat de reis duurt, noodig is, en in den kapitein moet hij als het ware zelf mee, om het schip te sturen en zijn doel te laten bereiken, zoo, en in veel hooger mate nog, kon God geen Schepping in het leven roepen, of uit die schepping vloeide vanzelf de noodzakelijkheid voort, dat Hij tot den einde toe die Schepping drage, in stand houde, voorzie van wat ze behoeft en aansture op haar doeleinde.

En dit is niet een noodzakelijkheid, die door een macht buiten God aan den Heere is opgelegd. Integendeel, deze noodzakelijkheid vloeit uit niets |213| anders voort dan uit zijn vrijmachtigen wil. Uit dien wil des Heeren kwam de Schepping, en uit dienzelfden wil het besluit om ze alzoo voorzienig te blijven dragen en sturen.

Een wil die niet enkel den mensch en den leeuw raakt, maar doorgaat tot op het allergeringste. Wat is een musch, bij een leeuw vergeleken? Zelfs geen twee penningskens zou er in ons land voor gegeven worden, en toch als zulk een musch van boom naar boom fladdert, dan is dat uitslaan van haar vlerkjes en het rusten van die vlerkjes op de lucht Gods eigen werk. „Geen muschje zal op de aarde vallen, zonder den wil van den Vader die in de hemelen is.”

Ja, gelijk een musch niets is, bij een leeuw vergeleken, zoo is weer een musch een reusachtig dier, vergeleken bij die onzichtbare insectjes, die in het regenwater kruipen, en deze zijn weer reusachtig, vergeleken bij de bacteriën van cholera en de bacillen van andere pestilentiën, gansch onmetelijk kleine diertjes, maar die toch zulk een ontzettende macht hebben, dat ze, in uw ingewand ingekropen, u in ongelooflijk korten tijd vermoorden. Hoe zult ge dan voor u zelven belijden dat God de Heere uw leven in zijn hand houdt en dat Hij alleen uw levensdraad kan afsnijden, tenzij ge te gelijker tijd ook erkent, dat zelfs zulk een nietige bacterie of bacil zich niet roeren of bewegen kan zonder Gods wil.

Evenwel ook al volgt nu uit den wil van God de Schepping en al brengt die Schepping vanzelf de noodzakelijkheid der Voorzienigheid mede, toch moogt ge dit niet verstaan, als ware Scheppen en Voorzien eigenlijk één en hetzelfde, en alzoo het Voorzien een altoosdurend Scheppen!

Dit is niet zoo. Scheppen en Voorzien zijn twee. Het Scheppen is het roepen van wat niet is, dat het er kome; maar zoodra hetgeen er eerst niet was, aanzijn heeft, is het Scheppen uit. Het Scheppen is een afgesloten werk. Vandaar dat de Heilige Schrift ons bericht, dat God de Heere in zes dagen den hemel en de aarde en al hun heir geschapen had, en daarna rustte van zijnen arbeid. Niet met een ruste der werkeloosheid, met de ruste van het niets doen. „Mijn Vader werkt tot nu toe,” sprak de Heere Jezus, en het werk Gods gaat derhalve ook op den Sabbat door. Maar dit tweede werk is een ander werk. Het is een werken om te Voorzien.


Wat is dit Voorzien, dat door ons met het woord Voorzienigheid wordt uitgedrukt?

En dan sta hier allereerst ons protest tegen een zeer verkeerd gebruik van het woord „Voorzienigheid”, wanneer men dit woord gebruikt, om er God zelven meê aan te duiden. De zondige mensch is er altoos op uit, |214| om de gedachte aan God verre te stellen, en zoo ver hij kan van God af te komen; want van nature is er haat tegen God in zijn hart. Vandaar dat tal van menschen het zelfs niet lijden kunnen, zoo ge den naam des Heeren Heeren in uw spreken tot hen in laat vloeien. Overmits ze nu echter toch vaak behoefte hebben, om de instandhouding der gansche Schepping uit te drukken, verzinnen ze daar andere woorden voor. Die zeer boos zijn spreken dan van de Fortuin. Wie minder boos, dan wel tuk op hun verstand zijn, noemen het de Natuur. En wie nog zekeren vromen schijn bewaart, went zich aan om te spreken van de Voorzienigheid. Let wel, niet van de Voorzienigheid Gods; neen maar van „de Voorzienigheid” zonder meer. Alzoo de Voorzienigheid in de plaats van God nemende. Een kracht des Heeren in stede van zijn Wezen. En al moet men nu met Calvijn zeggen, dat men in godvruchtigen zin desnoods zeggen kan dat „de Natuur” en God hetzelfde is, en zoo ook met godzalige bedoeling, om het ijdel noemen van Gods Naam te mijden, van de „Voorzienigheid” zou kunnen spreken, zoo is toch met Calvijn tevens staande te houden, dat dit hoogst zelden een godvruchtig bedoelen heeft, maar meest een goddeloos zeggen is, en alzoo te mijden. Iets wat welbezien eveneens van het woord: de Voorzienigheid geldt.

In de Heilige Schrift komt dit woord dan ook niet één enkel maal voor, en Abrahams zeggen tot zijn jongen: „De Heere zal zich zelven een lam ten brandoffer voorzien”, is hier éénig steunpunt.

Nog eens sta daarom de vraag: Wat is dit Voorzien?

„Voorzien” heeft tweeërlei beteekenis in onze taal. Ten eerste beteekent het: iets vooruitzien. Zoo b.v. in Hand. II : 31: „Zoo heeft Hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus.” Maar ook ten andere beteekent het: datgene wat men voorzag dat noodig zou zijn, teweegbrengen. Zoo b.v. als Paulus in Phil. II : 23 schrijft: „Als ik in al mijn zaken zal voorzien hebben.” Deze beide beteekenissen hangen echter alzoo saam, dat de laatste de eerste onderstelt. Alleen zoo ik vooruit zie wat noodig is, kan ik in het noodige voorzien.

En zoo sluit dan ook, van God den Heere gebezigd, deze term der Voorzienigheid deze twee in: ten eerste dat God de Heere alle behoefte, gebrek en nooddruft van zijn schepsel vooruit ziet, en ten andere dat Hij in dezen vooruit gezienen nood voorziet. Het is dus geen ledig of ijdel vooruitweten alleen, maar zulk een vooruit kennisdragen van allen nood die ontstaan zal, dat tevens de daad volge om alles teweeg te brengen wat door dien nood vereischt wordt.


Nu wordt echter bij den Heere onzen God dit Voorzienig bezig zijn |215| nog op een andere wijze uitgebreid. Wanneer namelijk eenige mensch iets vooruitziet en er daarom in voorziet, dan grijpt dit voorzien slechts op zeer gebrekkige wijze plaats en in zeer beperkten omvang.

Gij ziet ook wel eenige dingen vooruit, maar slechts in zeer bepaalde mate, en de Staatsman heeft het reeds ver gebracht, zoo het hem gelukt twee, drie jaren vooruit den loop der dingen in den grove zich voor den geest te stellen. God de Heere daarentegen doorgluurt alle eeuwen. Zijn blik wordt nergens opgehouden, stuit op niet één punt, maar dringt van eeuwigheid tot eeuwigheid op eenmaal door alles heen.

Ziet gij iets vooruit, dan ziet ge dit zeer in het algemeene, en wordt ge nog telkens teleurgesteld door allerlei onverwachte gebeurtenissen, waarop ge niet gerekend hadt. Maar God de Heere ziet vooruit alles tot in het allerkleinste en tot in de nietigste bijzonderheid. Als gij straks in verlegenheid zult zijn en een speld of spijker zult noodig hebben, was dat Gode van eeuwig bekend. En zoo nietig kunt ge niets uitdenken, of het stond klaar en helder van eeuwig voor den aldoordringenden blik des Heeren. En ook, bij God is op alles gerekend. Er bestaan voor God geen onverwachte gebeurlijkheden. Hij kan nooit verrast worden. Zijn berekening faalt nimmer.

En deze zelfde uitbreiding bestaat nu ook bij het voorzien in een vooruit gezienen nood.

Voorziet gij in een omstandigheid die ge vooruit gezien hebt, dan doet ge wat ge kunt. Ge voorziet ten deele. Ge voorziet zooveel mogelijk. Ziet ge b.v. vooruit dat uw kind in het leven een harde strijd wacht, een strijd om brood, een strijd om een levenspositie te winnen, een strijd met den twijfel, een strijd met de zonde, strijd met Satan zelfs, o, natuurlijk dan poogt ge daarin te voorzien en uw kind te bekwamen en te wapenen en te sterken met de vreeze des Heeren. Maar hoe bitter machteloos staat ge daarbij. Wat is uw voorziening gebrekkig! Hoe schiet ge op alle punten tekort!

Doch ook hiervan is bij God den Heere zweem noch schijn. Wat Hij vooruitziet, (en Hij ziet vooruit alles,) — daarin voorziet Hij ook volkomenlijk, zonder dat ooit zijn macht tekortschiet of zijn zorg iets vergeet.

En zoo wordt dan onze ziele opgeheven tot die godvruchtige bewondering en aanbidding van een volkomenlijk werken Gods, dat almachtig en alomtegenwoordig door al den loop der eeuwen zich uitbreidt; al die eeuwen door, al wat geschapen wierd omvangt en insluit; en in en voor al dit geschapene alle eeuwen door voorziet in elk gebrek, in allen nood, in iedere denkbare behoefte.

Gemis aan vertrouwen op den Heere uw God is daarom ongeloof |216| en zonde. Want gemis aan vertrouwen is twijfelen of God wel alles vooruitzag en in al dit vooruitgeziene wel volkomenlijk voorzag; is altoos toegeven aan den vermetelen waan, alsof God de Heere op iets niet zou gerekend hebben, bij de voorziening zou zijn tekort geschoten, of evenzoo nog iets vergat. En dit beseft ge toch, ook maar één oogenblik te denken, dat God de Heere iets vergat, is op hetzelfde oogenblik u op Godvergeten wijze aan loochening van zijn God-zijn schuldig maken. Want een God die iets vergat, zou immers ophouden God te zijn.


En nu onze laatste opmerking.

Vooruitzien is eigenlijk een woord dat van God den Heere niet dan in figuurlijken zin kan gebezigd worden. Als gij iets vooruitziet, onderstelt dit dat er een zekere ruimte van weg voor u ligt uitgestrekt. Als er een muur voor u staat, kunt ge niet vooruitzien. Vooruit ziet ge dan slechts, als er onafhankelijk van uw wil of buiten uw toedoen een reeks gebeurtenissen staan te komen, die ge indenkt en waarvan ge u een voorstelling poogt te vormen.

Vooruitzien onderstelt dus eigenlijk altoos, dat datgene waarin ge uw blik slaat, er komen zal buiten u om, en van uw wil onafhankelijk. Indien ge b.v. het voornemen opvat om een boomgaard aan te leggen, en ge koopt zelf het land, en poot zelf de stekken, en zet er zelf den tuin om, dan zult ge niet zeggen: Ik heb vooruit gezien, dat er stekken zouden komen te staan op dien akker. Eenvoudig omdat ge nooit van vooruitzien rept, als ge het zelf teweeg zult brengen en doen. Vooruitzien sluit daarom bij ons altoos in zich, het tot stand komen der dingen door een wil en macht buiten ons.

En dit nu grijpt uit den aard der zaak bij den Heere onzen God nimmer plaats. Buiten zijn wil kan geen enkel schepsel zich roeren of bewegen, en alles loopt naar zijn Raad en naar zijn Bestel. Het vooruitzien is dus bij den Heere onzen God slechts het indenken van zijn eigen wil en raadsbesluit. En nu komt bij dit Raadsbesluit niet van achteren een poging bij, om alsnu te gaan voorzien in al hetgeen blijkens dien Raad noodig zal wezen. Neen, maar in dien Raad zelven is tevens en van eeuwig alle middel beraamd en alle voorziening genomen. En aan een te hulp schieten omdat zijn plan misging, kan niet dan goddelooslijk worden gedacht.

Dit ligt aan de eeuwigheid des Heeren Heeren!

Vooruitzien, voorzien en wat hiermee samenhangt, sluit altoos het denkbeeld in zich van een overgang van den eenen tijd in een anderen, en geheel dit begrip van tijd valt bij den Heere onzen God ganschelijk weg. Vandaar |217| dat de Heilige Schrift, die altoos zoo diep van de eeuwigheid van Jehovah, den Eeuwiglijk-zijnde, zelve doordrongen is en ons doordringen wil, dan ook nimmer van de Voorzienigheid spreekt, maar ons wel altoos en overal, de almogende en alomtegenwoordige kracht des Heeren voor oogen stelt.

Zij het dus al, dat we, naar menschelijke wijze, van „de Voorzienigheid Gods” blijven spreken, toch zij een iegelijk op zijn hoede, dat deze manier van spreken geen schade aan zijn levensrust en aan zijn op God vertrouwen toebrenge, en steeds strale u uit heel de Schepping en uit heel uw eigen leven tegen die eeuwige, alomtegenwoordige mogendheid des Heeren Heeren, die u draagt, u omsluit, u omvangt, u doordringt en al uw weg gemeten en gebaand heeft, eer gij er aan toekomt, om op dien voor u onzekeren weg te gaan.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002