Vierde hoofdstuk.

Ik formeer het licht, en schep de duisternisse, Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de Heere, doe alle deze dingen.

Jes. 45 : 7.


Uit het Vader-zijn van den Eeuwige vloeit het Zoonschap des Zoons; vloeit de Raad die over alle ding beschikt; en vloeit de Schepping, die dezen Raad des Heeren in haar ontstaan en ontwikkeling verwerkelijkt.

Zijn schepping omvat derhalve alles. Niet enkel deze zichtbare wereld, maar ook den hemel en al wat in dien hemel is. En zoo ook op aarde niet alleen de tastbare en zichtbare voorwerpen, maar ook de daarin en daarachter schuilende creaturen. Want ook de electriciteit, en het magnetisme, en de lichtglans die de ethergolven schitteren doet, en evenzoo de tonenwereld met haar goddelijke harmonieën zijn creaturen Gods.

Doch zelfs hierbij mogen we niet blijven staan. Hij, de Heere onze God is de Fontein aller goeden, en zoo is er ook op redelijk en zedelijk gebied niets hoegenaamd denkbaar, of het is uit Hem. Noch in den hemel onder de engelen, noch op aarde onder de kinderen der menschen, vindt ge ook maar één enkelen druppel liefde, of uit Hem is die liefde geweld en door Hem is ze ingegeven. Zoo is er geen deugd of geen uitnemendheid, geen gerechtigheid en geen voortreffelijkheid, geen ding dat wél luidt en uw ziel kan sieren, of het is uit Hem in zijn schepsel ingebracht. En alle deernis en mededoogen, alle ontferming en vertroosting, alle |203| zelfverloochening en goeddadigheid, alle heldenmoed en geestdrift, alle ernst en hoogere zin, is niet uit het schepsel, maar van den Vader der lichten, van wien alle goede gave afdaalt. Heel de zedelijke wereldorde is zijn gewrocht, heel de schepping van het ideaal waar ons hart voor klopt, moet Hem worden toegeschreven. En als wij belijden te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, dan belijden we hiermee dat ook alle macht om lief te hebben, om heilig te leven, om met volharding onze loopbaan te loopen, van Hem, onzen Vader en Schepper, moet worden afgeleid. ja, zoo ver gaat de Heere in de Heilige Schrift hierin, dat Hij ons bij Jesaja zelfs toeroept: „Ik formeer het licht, en schep de duisternis, Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de Heere, doe alle deze dingen.”

Om het kort en toch volstrekt uit te drukken, zoo ge eenerzijds neemt al wat er buiten God den Heere in hemel en op aarde bestaat, en anderzijds God den Heere zelf, dan is al wat buiten God is (voor wat zijn wezen en bestand aangaat), door Gods scheppende daad in het aanzijn geroepen.


Evenwel moet hierbij onderscheid gemaakt tusschen tweeërlei soort van scheppen, het eene eigenlijk, het andere oneigenlijk.

Dit onderscheid zal terstond in het oog springen, zoo ge tegenover elkander stelt uw oog dat God in uw hoofd en de liefde die Hij in uw hart inwrocht. Bij dat oog staat ge voor een zuivere schepping; want toen God het eerste oog schiep, riep Hij daarmee iets tot aanzijn dat niet bestond; en wel niet bestond in zóó krassen zin, dat én de stof er voor én het plan van het oog én de werking van het oog uit niets tot aanzijn wierd geroepen. Wel was het denkbeeld, om waar te nemen wat buiten u is, in God zelf aanwezig; want Hij ziet alle ding en doorschouwt het tot op den bodem; en in zooverre heeft God de Heere met het oog te scheppen, slechts iets van zijn eigen vermogen op beperkte wijze in zijn schepsel gelegd. Maar als zintuig of orgaan bestaat in God den Heere de ooge niet; en zelfs al spreken we van Gods „alziend oog” en al zeggen we, dat de „oogen des Heeren aan alle plaatsen” zijn, dan zijn we er ons zelven toch volkomen helder bewust van, dat er bij God den Heere aan geen gezichtsorgaan mag gedacht worden, en dat bij God van een ooge te spreken in zekeren zin slechts een overdrachtelijke wijze van spreken is; terwijl omgekeerd bij mensch en dier het oog uitsluitend als orgaan voorkomt, en in zijn formatie als op zich zelf staand orgaan een gansch nieuwe schepping is.

Gansch anders daarentegen staat het nu met de liefde die oorspronkelijk |204| aan Adam was ingeschapen, en na den val, door den Heiligen Geest uit genade aan Gods uitverkorenen wordt ingestort. Hier toch hebben we te doen met iets dat niet nieuw door God geschapen is, maar met iets dat in Hem was, en uit Hem in het creatuur indaalt. Daarom zegt de heilige apostel zoo met nadruk: „De liefde is uit God”, hiermee kennelijk aanduidende, dat de liefde niet een louter en simpel gewrocht van Gods almogendheid is, maar een vonk licht uit zijn licht, gloed uit zijn heilige koestering, iets waarin God de Heere ons iets mededeelt van en uit zijn eigen goddelijke deugden. Toch is dit inplanten in het schepsel van liefde en heiligen zin ook weer niet een eenvoudig overvloeien van liefde en deugd uit God in ons. Want immers alle liefde en alle deugd en alle inzicht is anders in God dan ze in het schepsel is, en die innerlijke bewerkingen, waardoor een schepsel tot liefhebben, en heilig-zijn bekwaamd wordt, is evenals heel de ziel zelve, wel metterdaad een schepping van ’s Heeren hand; een tot aanzijn roepen, van wat er voor die scheppingsdaad in dit schepsel niet was.


Eerst met die onderscheiding voor oogen hebben we dus recht, om het eigenlijke scheppen als een roepen tot aanzijn van wat ganschelijk niet bestond, te omschrijven; en het is voor de godsvrucht en godzaligheid van het hoogste belang, dat we ons hiervan door geen nog zoo schoone voorstelling van de hedendaagsche wijsgeeren laten afbrengen.

Voor onze godsvrucht toch hangt er ons alles aan, dat wij het verschil en onderscheid tusschen den Heere onzen God en al zijn schepsel zoo beslist en volstrekt mogelijk nemen. Alleen zoo dit verschil en onderscheid onbepaald en onvoorwaardelijk door ons beleden wordt, is er in God niets van het schepsel en in het schepsel niets dat God is, en komt ge dus tot een God die wezenlijk kan worden aangebeden en tot een nietig creatuur dat tot aanbidding geroepen is. Dan is eenerzijds bij God alle macht en alle grootheid en alle majesteit; en anderzijds bij het schepsel alle kleinheid en nederheid en geringheid; en ontstaat vanzelf deze vrome zin, dat het nietig creatuur zich voor de majesteit van dien Eeuwige in stille verbazing nederbuigt. Terwijl omgekeerd, zoo ge deze grens en klove minder volstrekt neemt, er altoos een klein deeltje der Godheid in den mensch wordt gelegd, en deze daardoor geprikkeld wordt om zich mateloos te verheffen, en aan den anderen kant op Gods majesteit altoos iets wordt afgedongen en Hij dus den volkomen glans zijner aanbiddenswaardigheid verliest.

Wel kan er daarom een schepping van den mensch naar Gods beeld en straks een vleeschwording van het Woord, en eindelijk een inwoning |205| van den Heiligen Geest in het menschenhart zijn, maar juist eerst als we de grens en klove tusschen God en het schepsel absoluut stellen, peilt een kind der menschen althans eenigszins de onvergelijkelijk hooge eere en genade, die door deze driedubbele zelfmededeeling van den Eeuwige aan dit nietig wezentje, dat we mensch noemen, bewezen is.

Alle gedachte moet dus verre van u blijven, alsof door iets van dit alles ooit de volstrekte grens tusschen God en mensch wierd opgeheven. Zelfs als de Zoon Gods vleesch is geworden en als mensch op aarde omwandelt, liggen ook in zijn persoon de goddelijke en de menschelijke natuur nog altoos volkomen en volstrekt gescheiden, en is het dweeperij en wijsgeerige waanzin, zoo men deze beide ook maar eenigszins in hem vermengt.

De Schepper en het schepsel staan in volstrekten zin tegen elkander over. Bij den Schepper alle macht, en daarom Hij God, de Almachtige, en omgekeerd bij het schepsel niets dan volstrekte afhankelijkheid, in het schepsel niets dan wat ontvangen wierd en alzoo het schepsel in zich zelf volstrekt van alle macht ontbloot.

En dit nu, deze volstrekte, onpeilbare diepe klove tusschen God en mensch neemt ge weg en heft ge op, zoo ge ook maar iets afdingt op de schepping uit niets. „Roepen de dingen die niet zijn alsof ze waren”, gelijk we in Rom. IV : 17 lezen, of ook de belijdenis: „Door het geloof verstaan we, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden”, gelijk Hebr. XI : 3 het uitdrukt, is hiervoor de Schriftuurlijke zegswijs.


Ernstig protest dient daarom aangeteekend tegen de hand over hand toenemende dwaling, die thans weer de zinnen en hoofden vooral onzer dusgenaarnd meer-verlichten verduistert, alsof namelijk al wat is en leeft, ja wel door de aandrift van een Onuitsprekelijke Wijsheid zou gevormd zijn, maar zoo dat de stof waaruit de dingen gevormd wierden dan toch van eeuwigheid bestond. 1)

Nieuw is deze vondst volstrekt niet. Eer is ze zoo oud als ’s menschen denken. Zelfs is er in de wijze waarop het formeeren uit deze stof van al het geschapene wordt voorgesteld bijna niets, dat niet ook reeds in vroeger eeuwen den geest van schrandere maar vermetele denkers verblind heeft. En al wat onze tijd, vooral onder Darwins leiding, aan de oude voorstelling toevoegde, bestaat in de verzameling en rangschikking van |206| vele natuurkundige gegevens, om den overgang uit het ééne soort wezens in het andere waarschijnlijk te maken.

Doch onder wat vorm ook aangeprezen, altoos gaat deze voorstelling dan toch uit van de diepzondige leugen, dat de wereld eigenlijk mede-eeuwig met God zou zijn. Een waan, dien men daarom als diepzondige leugen behoort te brandmerken, omdat het stellen van een eeuwige stof naast God, vanzelf er toe leidt om eerst die Stof als goddelijk met God te eeren, en straks de eere van de Stof in de plaats te stellen van de eere die Hem alleen toekomt. Vandaar dat deze valsche waan onveranderlijk altoos tot deze twee gruwelen geleid heeft: vooreerst, dat men God pantheïstisch niet de Stof ging vermengen, en ten andere, dat men, God in de Stof bedelvende, God vergat en de Stof zelve aanbidden ging.

Als de Stof mede-eeuwig met God is, dan heeft God geen macht over haar; dan is de Stof Hem heur aanzijn niet verschuldigd; dan staat ze naast Hem als evenknie; en is alzoo rechtstreeks aan alle godsvrucht de bodem ingeslagen, alle gebed tot leugen gemaakt en alle aanbidding afgesneden. En al brandt deze haard van ongerechtigheid nu niet al zijn kolen op één dag uit, ja, al is het dat deze booze gloed niet dan langzaam voortsluipt, dit maakt het kwaad, dat er inzit, niet minder gevaarlijk maar juist te erger; want niet het minst door dat ongemerkt voortkruipen verleidt het de zielen der onnoozelen, zonder dat de kerk van Christus er op verdacht is.

En wel mogen dan ook die vele predikers, die even onbedacht, als eens Origenes, op zekere wijze en in zekere manier aan de absolute schepping uit niets tornen, en ja, dan niet rechtstreeks, maar langs een omweg, dan toch weer een Eeuwige Stof stellen, voor Gods heilig oog zich zelven afvragen, hoe ze het in den dag des oordeels verantwoorden zullen, dat ze zoo doodelijk gif, en dat nog al onder schijn van vrome beduimeling, in de geesten der menschen hebben ingedruppeld.


Veel hooge wijsheid baat hier dan ook niet, en al spanden alle knappe koppen het uiterste hunner beste krachten in, om dit raadsel te doorgronden, toch zouden ze aan het einde hunner diepzinnigheden nog altoos even onvernuftig en onnoozel en nietswetend als aan den aanvang hunner onderzoekingen blijven, want verklaren, hoe eigenlijk scheppen toegaat kan een wezen, dat zelf geschapen is, eenvoudig nooit. Alleen wie zelf ongeschapen en Schepper is, kan de wondere majesteit van de daad van het Scheppen verstaan.

De Heilige Schrift zegt er dan ook niet anders van, dan dat God sprak: „Het zij er” en „zie, het was er”, en elders dat Hij alle ding schiep |207| door het „Woord” of ook „door het Woord zijner kracht.” Het Woord nu is de Zoon des Vaders, en zoo onderwijst ons dan de Heilige Geest, dat er zonder dit Woord des Vaders, d.i. zonder den Zoon „geen ding gemaakt is”, en in 1 Cor. VIII : 5 herhaalt de apostel het ons: „Wij hebben één God en Vader, uit wien alle dingen, en één Heere jezus Christus door wien alle dingen zijn”; terwijl het in den aanvang van den brief aan de Hebreën (I : 3) heet: „God heeft in deze laatste dagen tot on gesproken door den Zoon, welken Hij heeft gesteld tot een erfgenaam van alles, door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft.”

Men mist uit dien hoofde alle recht, om het spreken Gods bij de schepping met het commando van een veldheer op één lijn te stellen of met het tooverwoord van een goochelaar.

Op een commando kan er wel iets gebeuren, maar niet ontstaan; want gebeuren is niet dat er iets ontstaat, maar dat er een beweging of verandering plaats grijpt in of door reeds bestaande dingen. Als ons woor bijv. geestdrift in duizend harten doet ontstaan, dan scheppen we die geestdrift niet, maar blazen slechts de vonk aan die onder de asch van het hart reeds smeulde. Bij het scheppend spreken Gods moet alle denkbeeld van het commando dus verre worden gehouden, en moet alle eerbiedige bewondering gericht op het Woord, dat in den beginne bij God en God was, en waardoor Hij alle ding geschapen heeft.

Het uitspreken van een woord is voor ons menschen: een gedachte, die eerst in ons verborgen was, naar buiten uitbrengen, zoodat ze nu ook buiten ons bestand en aanzijn hebbe, en zoo ook is het spreken Gods een buiten zich in het aanzijn roepen van de dingen, waarvan de plannen en denkbeelden in zijn eeuwigen Raad verscholen lagen. En waar nu deze creaturen niet alleen aanzijn maar ook een zijn ontvingen, adem e leven en bezieling hebben, daar is het de Heilige Geest die zweeft over al het geschapene en het met leven bezwangert en ontvonkt.

De Drieëenige God, in zich zelven volkomen genoegzaam, is het dus, die als Vader, Zoon en Geest, geheel alleen door zijn goddelijke werking zonder daarbij iets aan te wenden of te gebruiken dat buiten Hem bestond, heel dit wondere heelal in het aanzijn heeft geroepen. Eerst was dit heelal alleen in de gedachte Gods. Toen sprak Hij het uit door het Woord en het trad naar buiten. En, buiten Hem tot aanzijn geroepen, wierd het ten doel geleid door den Heiligen Geest.


Natuurlijk weet geen mensch noch eenig schepsel iets hoegenaamd uit zich zelf, over hetgeen bij en tijdens de Schepping plaats greep, en al wat men uit de oude boeken der Chineezen en der Egyptenaren, of ook uit |208| onderzoekingen van den schoot der aarde heeft meenen te kennen, kan natuurlijk nooit op iets anders slaan dan op hetgeen lang na de Schepping voorviel, maar nooit licht spreiden over de Schepping zelve.

Slechts tusschen twee hebt ge hier de keuze.

Ge moet, óf besluiten niets omtrent de Schepping te weten, en er dus voorts bot over zwijgen, óf ge moet u desaangaande laten onderwijzen door uw God. Adam stond hierin met u en gij met Adam ten volle gelijk. Zoodra toch ontwaakte zijn bewustzijn niet en bevond hij zich in het paradijs, of op datzelfde oogenblik was de Schepping juist afgeloopen. Ook hij, hoewel vlak bij de Schepping staande en zelf van de Schepping een deel uitmakende, ja er de kroon van zijnde, wist toch aangaande die Schepping zelve door eigen waarneming volstrekt niets, en zoo hij er iets van wist, heeft zijn God hem dit onderwezen.

Of nu de berichten aangaande de Schepping, die ons de Heilige Schrift mededeelt reeds uit Adams dagen dagteekenen, en door hem aan de nakomelingschap zijn overgemaakt, dan wel aan Mozes het eerst zijn geschonken, staat er niet bij. Indien men evenwel er op let, hoe de belijdenis van God als den Schepper aller dingen de grondslag van alle godvruchtigheid is, en hoe buiten de Heilige Schriftuur alle menschelijk verstand juist op dit punt, reeds lang voor de dagen van Mozes, feil ging, dan is niet wel aan te nemen, dat God de Heere zijn oude kerk van de dagen van het paradijs af tot op Mozes omtrent den oorsprong aller dingen onkundig zou hebben gelaten. En voegt men hier nu bij, dat de berichten aangaande de Schepping in Genesis als ineengeweven zijn met het droef verhaal van wat in het paradijs voorviel, dan mag veilig aangenomen, dat de wetenschap aangaande de Schepping reeds zoo oud als de aanbiddinge Gods is. Waarbij het er voorts niet toe doet, of Mozes voor het te boek stellen van zijn verhaal een of twee oorkonden omtrent de Schepping geraadpleegd heeft, of ook deels op mondelinge overlevering afging, daar toch immers het vinden van zijn stof en zijn keur van die stof niet omging buiten de inspiratie van den Heiligen Geest. En wat eindelijk de bedenking aangaat, dat ook bij de Perzen en verwante volken verhalen aangaande de Schepping in omloop waren, die menigen trek van gelijkheid met het verhaal van Genesis vertoonden, waaruit men dan wel afleidt, dat derhalve Israël slechts de Perzen nasprak, zoo zij opgemerkt, dat juist het reeds aan Adam bekend zijn van het gebeurd bij de Schepping wel oorzaak moest zijn dat ook bij andere volken nog de heugenis van deze overlevering naklonk.

Uit dien hoofde wil de kerk van Christus dan ook niets weten van de bewering der Vermittelungstheologie, alsof in Genesis eigenlijk geen |209| werkelijke historie, maar slechts mythische inkleeding of ingekleede sage voor ons zou liggen; en zij weigert aan dit zoet gefluit gehoor te geven, al stellen de Ethische godgeleerden het ook nog zoo schoon voor door de sproke, dat het hoogere historie zou zijn.

Immers ze doorziet zeer wel, dat deze schoonklinkende benaming van hoogere geschiedenis slechts een stuk gekleurd glas is, waardoor vindingrijke maar dolende geesten een bekoorlijke tint weten te leenen aan dorre onwaarheid. Geschiedenis is een getrouw verhaal van alzóó gebeurde zaken, en anders is het geen geschiedenis, en met hoogere historie bedoelt men een inkleeding van niet alzoo gebeurde dingen, maar van dingen, waarin slechts soortgelijke ideeën worstelden. En dit nu komt feitelijk neer op de sobere belijdenis, dat men welbezien niets van het eigenlijk gebeurde weet; een belijdenis, die, nu God het ons eenmaal geopenbaard heeft, niet nederig maar zeer vermetel en ondankbaar is; en straks de aan Gods Woord ontwenden weer in de holheid van de eeuwige stof werpt.

Daarom verwerpt de kerk van Christus dan ook al deze vinders van nieuwe vondsten, die ons geheel afbrengen van de stille en eenvoudige nuchtere waarheid, en blijft ze Gen. I en II lezen, zooals het daar staat, en het zoo als het daar staat gelooven. Gelooven een Schepping uit niets door het Woord. Gelooven een Schepping in zes dagen. Gelooven een Schepping in die opeenvolging die ons wordt voorgehouden. En gelooven ook een afzonderlijke Schepping van elk ding en elke soort op een der zes dagen, zonder ook maar van verre in Darwins eisch te bewilligen, dat rijk in rijk door de wet der voorkeur zou overgaan.

Want dat ziet ook elk kind van God zeer wel, dat rijk en rijk en soort en soort zeer nauw saamhangen, maar de oorsprong van dien nauwen samenhang ligt voor Gods kind niet daarin dat het ééne uit het andere geworden is, maar veel meer in de eenheid der gedachten Gods, waaruit beide hun oorsprong hebben.




1. De vroeger meer gangbare ketterij, alsof de menschenziel een uit God uitgevloeid deeltje van zijn Wezen zou zijn, wat men emanatie noemt, vereischt in onze dagen geen opzettelijke bespreking meer.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002