Derde hoofdstuk.

Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir.

Ps. 33 : 6.


Er is een eeuwige generatie wat den Persoon aangaat, en deze belijden we als de eeuwige generatie des Zoons; zoo nu is er ook (indien men wil) een generatie uit het goddelijk bewustzijn, en dit noemen we Gods eeuwigen Raad; en eindelijk, niet eene generatie maar een tot aanzijnroeping, in dat aanbiddelijk werk dat we verheerlijken als de Schepping Gods. Maar hetzij ge nu ziet op den eeuwigen Zoon, ’t zij op den eeuwigen Raad, ’t zij op dit kunstig werk der Schepping, altoos is er een aanwijzing bij van Bron en Oorsprong, en telkens bevindt ge dat die Bron en |196| Oorsprong, tot op zijn diepsten grond gepeild, ligt in God den Vader.

Het is dus volstrekt geen willekeurige saamvoeging, als de Catechismus in dit eerste geloofsartikel het Zoonschap, den Raad en de Schepping bijeenvoegt, maar een volkomen juiste en volledige opsomming van de drie aanbiddelijkheden die in dit heilig Vaderschap begrepen zijn. Hij is Vader, omdat uit Hem eeuwig de Zoon gegenereerd is. Hij is Vader, omdat uit Hem alle wijsheid van Raad haar oorsprong nam. En ook, Hij is Vader, omdat de diepste wortel der Schepping uit Hem als Vader kiemt.

Dit werk der Schepping is een tot aanzijn komen van iets dat niet God is. Tot op het oogenblik, waarvan ons Gen. I : 1 verhaalt, was er niets dan God zelf. Het volzalig en Drieëenig Wezen bestond, maar niets was of bestond er buiten dit Wezen. God zelf was er, en niets meer. En al het ontzettende onderscheid tusschen wat achter de Schepping ligt en door de Schepping ontstond, is, dat er nu iets tegenover den Heere onzen God kwam te staan, en dat er iets dat niet-God, maar creatuur was, ontstond.

Dat er vóór deze Schepping nog andere Scheppingen zouden bestaan hebben, meldt de Heilige Schrift ons niet; eer doet de Heilige Schrift op alle manier déze Schepping als de eerste en éénige voorkomen. En waar de Heilige Schrift ons dit zoo voorstelt, en uit den aard der zaak geen mensch hieromtrent iets uit zich zelven kan uitdenken of uitvinden, zoo valt hier alle tegenspraak weg en hebben we ons aan de voorstelling der Heilige Schrift te houden.

Achter deze Schepping ligt dus een onafzienbare en onpeilbare eeuwigheid, waarin niets dan God bestond of was. En deze eeuwigheid zou uiteraard voor het eeuwige Goddelijke Wezen een onvolkomenheid hebben opgeleverd, indien dat Goddelijk Wezen niet Drieëenig ware.

Stelt men zich toch voor, dat er niet eeuwiglijk ware geweest de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, maar dat eeuwiglijk alleen de Vader had bestaan, dan natuurlijk zou deze God van alle eeuwigheid af tot aan de ure der Schepping een voorwerp gemist hebben, waar zijn liefde naar uitging; ongenoegzaam in zich zelven zou Hij een Schepping behoefd hebben, om zijn liefde te laten werken; en eerst door de Schepping zou de liefde, d.i. het hoogste in God, uit onbewuste sluimering zijn ontwaakt.

Vandaar dat lieden, die niet aan de Drieëenheid des Heeren gelooven, en toch nadenken, er wel toe moeten komen, om een Schepping te stellen, die er van eeuwigheid af geweest is, omdat anders hun God pas door |197| de Schepping een God van levende, waarachtige, werkende liefde, d.i. God zou geworden zijn.

Doch hier bespeurt men dan ook klaarlijk, hoe heerlijk in de Openbaring Gods alle mysteriën saamhangen. Immers in die Openbaring leert ge een God kennen, die in het allerminst geen Schepping van noode heeft, om zijn liefde te laten werken, maar in zich zelf genoegzaam, als Vader, Zoon en Heilige Geest, wel verre van een starre eenheid te zijn, eer integendeel het rijkste en volste liefdeleven bezat en bezit in zich zelven.


Glijd over deze overweging niet te ras heen; want uit het misverstand dezer zaak spruit de wortel van allen valschen godsdienst. Wie eenmaal zich inbeeldt dat wij, schepselen, den Heere onzen God iets toe hebben te brengen; dat onze offerande Hem iets schenken zoude, dat Hij uit en in Zich zelven niet bezit; en dat het Eeuwige Wezen dus wel verre van volzalig in zich zelven te wezen, van eens menschen hand gediend kan worden, als iets behoevende, — moet wel den weg der werkheiligheid op en kan niet afblijven van de Roomsche dwaling.

En daarom stellen wij van meet af tegen deze gronddwaling de zuivere, d.i. gereformeerde belijdenis onzer Vaderen over, dat het Eeuwige Wezen geheel volzalig en genoegzaam in zich zelven is, en dat nooit ofte nimmer Hem door zijne Schepping iets wordt toegebracht.

Deze zelfgenoegzaamheid Gods sluit intusschen volstrekt niet uit, dat toch alzoo deze Schepping een doel heeft. De Schepping is er maar niet zoo. Neen, er is een einde, waarop ze gericht is, en dat doeleinde of einddoel ligt wel wezenlijk en eeniglijk in de verheerlijking van Gods Naam. De Naam van God toch is van zijn Wezen juist daardoor onderscheiden, dat zijn Naam is de openbaring van zijn Wezen in zijn Schepping. Het electrisch licht dat ge opsluit in een metalen cylinder is even glansrijk en even sterk licht als het schijnsel van den vuurtoren op de kust; alleen maar het opgesloten licht straalt niet uit; het mist niet zijn glans, maar alleen het spoor van dien glans naar buiten; en eerst als ge die korenmaat er van af en dien metalen cylinder wegneemt, zal, zonder dat er ook maar eenig licht bijkomt, toch plotseling dat eerst in zich zelf besloten licht, nu naar alle kanten uitstralen.

En zoo nu ook is aan God den Heere door de Schepping wel niets hoegenaamd toegebracht; want eeuwig onveranderlijk in zich zelven, is en blijft Hij de overvloeiende Bron en Fontein en Springader van alle licht en liefde en leven; maar zoolang er nog geen Schepping was, straalden deze Deugden Gods niet uit. Ze waren in zijn Eeuwig Wezen besloten. |198| En er was niemand buiten God om zijn Naam te noemen, om zijn Majesteit te aanbidden en om zijn glansen op Hem zelven terug te kaatsen.

En dit nu te doen komen is het doel der Schepping Gods. Hij wilde een Naam hebben. Hij wilde zijn schijnsel laten uitgaan. Hij wilde kristal voor zich zien (of een glazen zee, gelijk Johannes het aan den Troon zag) uit welks fonkelende lijnen zijn eigen deugden Hem tegenschitteren zouden. Zelf de Liefde, wilde Hij die liefde in duizend harten vermenigvuldigen en alzoo doen terugwerken op zich zelven.

Dat hebben van een Naam, van een schittering zijner Majesteit, van een uitstraling zijner glansen, van een openbaring zijner deugden, van een firmament vol vonken van liefde om zich heen, dát is het wat de Heilige Schrift noemt: de heerlijkheid Gods.

Op die heerlijkheid Gods is dus alles aangelegd. Daarop doelt heel de Schepping. Eerst daarin zal ze haar einde bereikt hebben. En wie derhalve de Schepping Gods in verband met zijn volzalig en zelfgenoegzaam Wezen doorzien en verstaan wil, moet die Schepping niet nemen, gelijk Hij ze eenmaal met mogendheid schiep, maar integendeel, alzoo als ze eens naar zijn Raad worden zal.

In de Schepping is iets dat wordt, iets dat zich ontwikkelt, iets dat zich ontplooit. En niet de pas gepote stek, maar de straks voltooide bloem en vrucht verklaart u het doel van den planter. En zoo moogt ge dus ook bij den Heere onzen God, als Hij tot scheppen overgaat, niet blijven staan bij die eerst geplante Schepping, maar moet ge beiden en wachten tot de knop ontloken en de bloem voldragen zij. God de Heere wordt eerst gerechtvaardigd in de voleinding van zijn Raad.


Dat is zelfs zoo sterk, dat de Schepping, afgezien van die voleinding, eer een beperking voor Gods glorie dan een verheerlijking voor zijn Naam is. Denk dit wel in. Alleen-zijn maakt en laat onbeperkt. Maar zoodra er naast en bij en tegenover u iets anders opkomt, heeft dit uit den aard der zaak op u een beperkende uitwerking. En al wil men nu bij de Schepping er nóg zoozeer den nadruk op leggen, dat toch God de Heere zelf de Almachtige bleef, die deze Schepping van oogenblik tot oogenblik alzoo in zijn hand had, dat niets zich zonder zijn wil kon roeren of bewegen, toch toont reeds de eerste bladzijde der Heilige Schrift ons, dat hiermee nog genoeg is gezegd.

Met de Schepping zelve, en in haar van engelen en menschen, was terstond in die Schepping de mogelijkheid ingeschapen, dat er een macht in zou opkomen die zich tegen God zou stellen. Niet buiten Gods beschikking, we weten het wel. Niet zoo, dat ze ooit kon triomfeeren, het |199| spreekt vanzelf. Maar dan toch zoo, dat er een Satan kon komen, dat er heel een heirleger van demonen en duivelen kon ontstaan. Zoo dan toch dat heel die menschheid van Hem kon afvallen; dat ze Hem haten in stee van liefhebben zou; dat er een verderf over heel de aarde kon komen; dat er een vloek en lastering in stee van een loflied voor Hem op zou gaan; en dat reeds aanstonds deze Schepping, onder dien vloek, een schriklijk toonbeeld van verderf en ellende zou opleveren, om straks in de diepte der hel en in de eeuwige rampzaligheid der verlorenen, een vreeslijke werkelijkheid te doen geboren worden, die op zich zelf genomen, toch wel wezenlijk tegen God over stond.

En wie durft dit alles nu licht tellen? Wie ving niet uit de Schrift den diepen toon op waarmee het goddelijk hart van het Eeuwige Wezen schreide over zulk een eeuwigen jammer en toornde tegen zulk een gruwlijke ongerechtigheid? En als dan door de Heilige Schrift, zij het ook op menschelijke wijze, van aandoeningen in den Eeuwige wordt gesproken, die bij ons beperking door droefenisse uitdrukken, wie ziet dan niet, hoe de Schepping aanvankelijk, en afgezien van haar heerlijke voleinding, ook den Naam des Heeren eer beperkt dan groot maakt.


Ge moogt daarom de Schepping nooit losmaken van haar voleinding. Dat doet de Heilige Schrift ook nooit. Integendeel. Zij plaatst altoos de Schepping en de Voleinding aller dingen als één geheel voor u, en het is alleen door deze onafscheidelijke bijeenvoeging van Gods Raad met zijn Schepping, dat ge op dit pad voor groote afdwalingen behoed wordt.

Wen er u daarom aan, om altoos de Schepping met heel haar geschiedenis saam en bijeen te nemen. De Schepping met haar onderhouding naar Gods voorzienig bestel. De aanvang met het einde en al wat daar tusschen ligt als één groot majestueus geheel, en dat er alleen om dit einde is. Want niet in den aanvang, d.i. in de Schepping, maar in de Voleinding eerst komt het werk Gods uit. De Alpha loopt tot op de Omega door, en vindt eerst in die Omega haar rust.

Het is, als we zoo zeggen mogen, aanvankelijk alleen een leggen van het fundament en een optrekken van den steiger om het huis te bouwen; en eerst in de Voleinding der dingen, na de wederkomst des Heeren, en na het oordeel, zal in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde het eigenlijk plan der Schepping voltooid zijn. Al wat daaraan vooraf gaat is slechts middel. Eerst in die Voleinding ligt het doel. Want als dat einde daar zal zijn dan is het daarom nog volstrekt niet uit, maar dan begint het eigenlijk pas. Eerst dan zal het grootsche gebouw dezer |200| Schepping volbouwd, met gereedschap voorzien en versierd wezen; eerst dan zal het zijn een woonstede Gods.

„Nieuw Jeruzalem”, wat duidt het anders aan, dan dat eens heel deze nieuwe hemel en nieuwe aarde in der waarheid zijn zal, wat Jeruzalem op Moria slechts symbolisch en slechts voor een tijd geweest is.

Immers, de heerlijkheid des Heeren Heeren wordt eerst in dat nieuwe Jeruzalem openbaar.

En zoo verstaat ge dan ook, hoe God de Heere zich door die eerste daad van schepping, bij het leggen der fundamenten, als het ware beperken kon; want immers die beperking was slechts voorbijgaande, en straks zou naar zijn eeuwigen Raad uit die schepping een vergadering der volmaakt rechtvaardigen voortkomen, die zijn lof en naam weer al grooter zouden maken, en Hem den prijs zouden brengen van zijn lof.

En zoo loopen dan deze drie: Het Zoonschap, de Raad en de Schepping weer vanzelf saam. Want uit die Schepping komt naar den Raad des Heeren ten slotte alleen de heerlijkheid zijns Naams voort door de Gemeente zijns Zoons. Die zoon is het eeuwige Woord, waarin de inhoud van den Raad des Heeren ligt uitgesproken. En het is uit die Schepping, dat eens een Amen, ja Amen op dat Eeuwige Woord weerklinken zal.


Vooral den hemel moet ge hier van stonden aan bij nemen en in één begrip met de aarde saamvatten. De aanvang der Heilige Schrift maant daar zoo sterk toe. „In den beginne schiep God den hemel en de aarde!” Immers juist doordien ons geloof ons leert, deze wereld te verzaken, en niet de aardsche maar hemelsche dingen te bedenken, worden we zoo licht verleid, om het geschapene te gaan verachten en het ons voor te stellen, alsof de hemel eigenlijk tot het geestelijke behoorde.

En dit nu is een grove misslag, die zich in heel de valsch-geestelijke wijze van God te dienen wreekt. Dan toch gaat het eigenlijk geloof aan de wederopstanding des vleesches te loor; de hemel wordt eew soort schaduwenrijk dat ons niet boeit noch aantrekt; heel het zichtbare deel der Schepping wordt door ons verwaarloosd; en het einde is, dat er eigenlijk zoogoed als geen Schepping Gods voor ons bestaat.

Reken gij daarom den hemel wél mede; ja, vergeet niet, dat de Heilige Schrift dien zelfs het eerste noemt. „God schiep den hemel én de aarde.” Niet de aarde voorop, en den hemel als een aanhangsel, een soort bijzaal, waar de gestorvenen schuilen. Neen, maar omgekeerd, den hemel voorop als de hoofdzaak, als het eerste, als datgene waar het meeste aan hangt. Even werkelijk als, ja, nog in hoogeren zin werkelijk dan deze aarde. Het punt waarvan ge áf hebt te rekenen. En daarom ook bij de |201| ontwikkeling der geschiedenis van de Schepping, de val niet het eerst op aarde maar in den hemel, en straks als het al voleind zal zijn, die hemelen de woonstede waar God al zijn heiligen vergaart. Zelfs de Tabernakel is niet gebouwd naar afmetingen die hier thuis hoorden, maar naar het voorbeeld, dat God er Mozes uit den hemel van getoond had.

In den naam „wereld”, dien de Heilige Schrift meer dan eens in dit verband bezigt, is dan soms ook de hemel mee begrepen. Zoo b.v. als de Heere Jezus in het hoogepriesterlijk gebed bidt: „Verheerlijk mij, Gij Vader, bij u zelven met de heerlijkheid, die Ik bij u had, eer de wereld was”, en straks: „Want Gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld”, dan is hiermee eigenlijk de gansche Schepping bedoeld. Niet, toen de hemel af was, en de aarde nog geschapen moest worden. Maar „met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer er nog een schepping bestond.”

Wat wij het „heelal” noemen omvat „hemel” en „aarde”, maar is een uitdrukking die de Heilige Schrift ganschelijk niet kent. Moet dit alomvattend denkbeeld worden uitgedrukt, dan spreekt de Heilige Schrift alleen van de Schepping Gods. Zoo b.v. in Openbaring III : 24, waar de Messias heet: Het Begin der Schepping Gods. Ook wel van „het schepsel” zonder meer. Zoo b.v. in Openbaring V : 13. Doch treedt de Heilige Schrift in geen onderscheiding, dan wordt het woord „wereld” als het algemeene woord gebezigd en daarmee al het geschapene aangeduid. Iets wat natuurlijk niet geschiedt waar deze wereld als reeds geschapen wordt genomen; maar wel waar de Heilige Schrift tot achter de Schepping teruggaat op die wondere „grondlegging”, toen de fondamenten voor dit gansche wonderbaar heelal door den sterken arm des Heeren zijn vastgesteld.


En zoo nu eerst komt de Schepping voor ons te staan gelijk het behoort, zoo dikwijls wij belijden te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

Dan toch moet de blik der geloovigen zich in den tijd en in de ruimte tot aan het uiterste einde uitbreiden.

God de Heere schiep niet alleen deze kleine, nietige aarde, die in haar kleinheid reeds verzinkt bij het firmament, maar Hij schiep den hemel en de aarde, d.i. „de dingen die boven zijn, en die op de aarde en die onder de aarde in de wateren zijn”. En waar nu de blik des geloofs, voor wat de ruimte aangaat, in zijn scheppingswerk alzoo ook den hemel, ja den hemel der hemelen omvat, daar moet de blik des geloofs nu ook in den tijd op eenmaal van den aanvang tot het einde doorgaan, en doorrekenen tot op het oogenblik dat eenmaal heel het verloop der geschiedenis, naar den Raad des Heeren, zijn einde eens zal bereikt hebben. |202|

En zoo nu, uitgebreid over alle eeuwen tot aan den dag der dagen, en opklimmende tot in de hemelen, ja, tot in den hemel der hemelen, staat deze schepping des Heeren Heeren voor u als het machtige wonderwerk, waarin Hij zijn Naam openbaren wil, waarin zijn kennisse als het water der zee zal stroomen, en waarin Hij alleen heerlijk zal zijn.

Ja, zelfs, en dit vooral verlieze men niet uit het oog, deze Schepping sluit volstrekt niet alleen de zienlijke dingen in hemel en aarde in, maar evenzoo de onzienlijke dingen onzes Gods.

Ge ziet de electrische kracht niet, en toch schiep God ze. Ge ziet eens menschen ziel niet, en toch is ze door God geschapen. Ge ziet een klank van heilige muziek niet, en toch zijn alle heilige accoorden en harmonieën door God tot aanzijn geroepen.

Zijn Schepping, waarin Hij zijn Naam verheerlijken zal, omvat alle ding.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002