Tweede hoofdstuk.

Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen.

Jes. 46 : 10.


Er is bij den Heere onzen God een Raad. Deze „raad” des Heeren wordt genoemd: zijn welbehagen, of ook zijn voorbeschikking, zijn besluit, zijn voorverordineering, en kan, zoo men wil, nog eenvoudiger uitgedrukt door zijn bestel, zijn wil, zijn wet, zijn ordinantie.

Twee denkbeelden zitten hierin.

Vooreerst het denkbeeld dat we reeds te berde brachten, toen we de Souvereiniteit des Heeren bespraken, t.w. dat alle schepsel door Hem |190| bepaald is; dat Hij voor alle schepsel bepaald heeft wat het zijn en worden en doen zou; en dat Hij, onze God, voor alle schepsel een wet heeft gesteld, en het nu óf gedwongen bij die wet houdt, óf eens naar die wet zal oordeelen.

Zoo is er een wet van God voor de stof en de natuurkrachten, en de telegraaf werkt zooals zij werkt, omdat God de Heere alzoo voor de electriciteit de wet heeft vastgesteld. Zoo is er een wet van God voor plant en bloem, en ze kleuren en ze geuren, de bloemen, naar God het in die wet voor haar bepaald heeft. Zoo is er een wet van God voor de vogelen in het woud en de dieren op aarde, en het is naar de muzikale wet door God voor het lied van den nachtegaal gesteld dat de zanger van het woud kwinkeleert. Zoo is er een wet van God gesteld voor ’s menschen denken en beseffen, en het is naar die van God gestelde regelen, dat ge telt bij uw tellen en spreekt bij uw spreken en besluiten trekt, uit wat ge vernaamt. Zoo is er een wet van God voor het zedelijk gevoel en een wet van God voor het schoonheidsgevoel en een wet van God voor uw kunstarbeid, en als het water der zee het schip draagt en op die wateren het schip naar de kompasnaald gestuurd wordt, dan is het God de Heere wederom, die het hout of den hollen ijzeren romp zoo bestelde, dat het water door de wet van veerkracht die Hij er voor bepaalde, dat schip dragen kan; en die eveneens de stalen naald en de magnetische strooming in zulk een verband zette, dat de naald, mits vrijgelaten, door die strooming verzet wierd.

Als uit de melk der koe èn kaas èn boter èn room èn wei en wat niet al, voor allerlei menschelijk gebruik geformeerd en afgescheiden wordt, dan heeft God de Heere dat, eer Hij de koe en in die koe de melk schiep, alzoo door zijn levenswet voor dit kostelijk dier verordend.

Niet wij zijn zoo vindingrijk en gevat en schrander, dat wij uit steenkool gas weten te maken en uit water stoom en uit een afvloeiende beek beweegkracht, maar het is wederom God de Heere, die eeuwen lang eer ooit eenig mensch deze krachten aan de natuur ontlokt had, ze alzoo bestelde en in zijn schatkameren verborg, opdat ze eens op die wijs zouden uitkomen en zijn menschenkind zouden dienen.

Natuurstudie in den wijdsten zin is daarom in hooge mate aanbevelenswaard, en zelfs Darwin en zijn school, die met onware wijsgeerige veronderstellingen die kennis der natuur misbruikten, hebben toch voor den geloovigen belijder menig stuk van het werk onzes Gods aan het licht gebracht, dat óns eertijds verborgen was. Vervang in al hun schrifturen dan ook slechts het woord Natuur door den heerlijken Naam uws Gods en alle rad loopt wel en alle spil is in orde. |191|

Ge moet en moogt geen scheiding maken. Ge moet niet zeggen: Er is een wet van God in de Tien Geboden, en er is een bestel voor de eeuwige zaligheid, en deze twee nu losmaken van de wet Gods die over alle dier en alle kracht gaat. Dan toch went ge u er aan, om het leven in twee deelen te deelen. Aan de ééne zijde dat geestelijke, waarin ge immers zelden bezig zijt, en aan den anderen kant dat alledaagsche, zichtbare leven, waarin ge twee derden van uw leven laat opgaan. En natuurlijk, als ge dan in dat grooter deel van uw leven, in uw voedsel en drank, in uw licht en warmte, in uw leven in huis en op straat geen wet Gods ziet noch opmerkt, dan klinkt het u zoo vreemd en zoo ongewoon, om op geestelijk terrein op eenmaal die wet van uw God te vinden. Maar ontkomt ge aan die valsche scheiding, en gaat ge de wet van uw God en zijn ordinantie weer zien in alle leven van steen en plant en dier, in alle huiselijk en maatschappelijk en rechterlijk en staatkundig leven, tot in uw sprake en taal, tot in uw beseffen en redeneeren toe, dan omsluit allengs die ééne machtige wet van God heel uw aanzijn en al uw leven, en zou het u vreemd zijn en verwonderen, bijaldien ge nu op zedelijk en geestelijk terrein niet geheel diezelfde wet van uw God terugvondt.

Zoo verstond en begreep de zanger van Psalm CXIX het dan ook, en als hij uitroept: „Heere, in alle volmaaktheid heb ik een einde gevonden, maar Uw gebod is zeer wijd”, en met nooit eindigende refreinen altoos weer die wet en die ordinantiën van zijn God verheerlijkt, dan is het in even dienzelfden zin, dat ook deze zanger die wet des Heeren verstaan heeft. Hij is de Heere, en daarom Zijn wil heeft voor alle schepsel én het aanzijn én de wijze van aanzijn bepaald.


Dit dus vooreerst; maar hier komt nu een tweede, geheel hiervan onderscheidene zaak bij, t.w. dat God de Heere, na eenmaal zulk een wet voor het aanzijn van alle schepsel bepaald te hebben, zich nu ook zelf het bij het scheppen en onderhouden van dit schepsel aan deze wet bindt; en zoo komen we vanzelf op wat men in engeren zin den raad des Heeren pleegt te noemen.

Gelijk men weet, hangen alle schepselen saam. Om ook hier ons tot het eenvoudige te bepalen, ten einde een enkele druif te laten groeien is én het bestel van de zon én van de werking van warmte en lucht én het bestel van den regen en van het vocht in zijn wetten, én het bestel van de aarde en haar voedende bestanddeelen, én het bestel van het houtweefsel noodig met de kanalen waardoor het vruchtsap opstijgt. De wijnstok is dus niet op zich zelven uitgedacht en geschapen, maar uitgedacht en geschapen in verband met al wat er is. En zoo vat ge dan, hoe eerst |192| heel de schepping moest zijn uit- en doorgedacht, eer de schepping van den enkelen wijnstok mogelijk was. Het was dus onmogelijk, dat God de Heere in die eenmaal uitgedachte wereld een gansch anderen wijnstok inschiep, want daarvoor zou én de zon én de wet van het vocht én de voedende kracht der aarde, kortom alles anders hebben moeten zijn.

En hieruit blijkt dus dat God de Heere, na de wet, het plan, het bestek voor zijn schepsel eenmaal te hebben vastgezet, nu ook zelf zich hieraan binden moest, en het alzoo moest verwezenlijken.

Die wet van aanzijn voor het schepsel, voor zooverre God er zich zelf bij zijn schepping aan bond, noemen we nu meest zijn bestel, gelijk dit in zijn raad bepaald was.

Doch hiermee is deze gebondenheid niet uit.

Waar God de Heere eenmaal bepaald heeft, dat water de wet of eigenschap zal hebben, om naar beneden te vloeien, tenzij het wordt tegengehouden, daar zit die valkracht niet in het water op zichzelf in, maar is het God de Heere, die van oogenblik tot oogenblik het water alzoo in stand houdt en er die kracht in doet werken. Als iemand zwemt en voelt dat het water veerkracht heeft om hem te dragen, dan is het God de Heere die in het verborgene zijn hand in dit water heeft en alzoo hem door dat water draagt.

Niet alleen dus dat God de Heere alle ding schiep, gelijk dit in zijn raad bepaald was, maar ook sinds de ure der schepping en tot nu toe is het diezelfde God, die aldoor zich aan dien raad, en aan het bestel, en de wet van dien raad gebonden houdt, en naar dien raad handelt en dien uitvoert.


Nu echter ontstaat er nog een geheel andere orde van dingen, zoo we komen aan de zedelijke wereld, waarin God de Heere zijn redelijke schepselen schiep. Immers voor die redelijke schepselen is het in Gods wet en raad bepaald, dat ze zelven ook zullen denken en naar die gedachten zelven handelen zouden. Als het water van de bergen stroomt, duwt God de Heere het van de bergen af, en het water is bloot lijdelijk. Maar als Satan tegen God woelt, of Abraham zijn eenige dien hij liefheeft offeren wil, dan treedt er een geheel ander iets tusschenbeide; iets dat onze vaderen noemden: de tweede oorzaken.

Ook die tweede oorzaken zijn er naar Gods wet en raad en wil. Hij schiep ze in zijn redelijke schepselen in. En hiermee ontstond alzoo het vraagstuk, hoe God de Heere, na die macht van de tweede oorzaken aan zijn redelijke schepselen te hebben ingeschapen, nu desniettemin te midden van dit woelen der tweede oorzaken, zijn bestel en bestek en raad, als eerste en opperste oorzaak zou doorzetten en verheerlijken. En ge |193| gevoelt, even eenvoudig en geleidelijk en natuurlijk als nu de werking van den wil des Heeren bij de planten en stroomen is, even saamgesteld, ingewikkeld en dooreengevlochten worden de beschikkingen Gods zoodra deze tweede oorzaken gaan werken. En het is om deze meerdere majesteit en goddelijke wijsheid die in dit beheerschen der tweede oorzaken ligt, dat men hierom vooral en hieraan in bijzonderen zin den naam van raad des Heeren heeft gegeven.

Deze raad des Heeren nu gaat over alle redelijk schepsel, over de engelen en over de menschen, ’tzij ze nog stonden of gevallen zijn; en niet enkel over hemelsche of aardsche personen, maar ook over hunne familiën, geslachten, stammen, natiën en volken; over de dooreenstrengeling en afsluiting in het leven dezer volken; en alzoo over heel de menschheid in al haar vertakkingen en in al het verloop van haar geschiedenis. En hier nu is het, dat zich ontdekt die groote en gansch majestueuse beschikking of voorbeschikking des Heeren, die onder alle deze millioenen en billioenen van wezens, én het leven van elk wezen op zich zelf én het verband van allen saam, én het richten van den enkele en van de geheelheid op zijn hoogste einde, bepaald heeft.

Nu toch ontstaat er tweeërlei wet en ordinantie. Eenerzijds de wet die God de Heere aan engelen en menschen gaf, in zooverre zij tweede oorzaken zijn, opdat zij zelven die wet volbrengen zouden (zijn geopenbaarden wil); en anderzijds de wet des levens die God de Heere bij zich zelven had voorgenomen, om dienovereenkomstig het lot van engel en mensch, van den enkele zoowel als van de geheelheid zelf te regelen en te leiden (zijn verborgen wil). Naar de eerste wet moet de mensch voor zijn God handelen, naar de tweede wet handelt God met den mensch. En daarom is het zulk een schrikkelijke hoovaardij, zoo een mensch zich vermeet, om die twee bepalingen om te keeren, en, met onderlating van Gods geopenbaarden wil, zelf naar Gods verborgen wil te willen handelen.


En zoo komen we dan vanzelf tot onze slotsom.

Immers juist daarin dat God de Heere deze twee deed, t.w. én dat Hij de vrije tweede oorzaken in engel en mensch zelf inschiep, én dat Hij toch heel het aanzijn van de engelen- en menschenwereld richt op een hoogste, door Hem verordend oogmerk of einde, en bewerkt dat dit bereikt wordt, dáárin vooral wordt die raad Gods „raad” in vollen zin, en wel gelijk onze Catechismus het uitdrukt, een eeuwige raad.

Overweeg toch wel, dat de opeenvolging in het tot stand komen der dingen altoos deze is: Eerst is er een gedachte, dan is er een woord, en eerst alzoo komt de zaak tot stand. Een veldheer, die met zijn troepen |194| op het slagveld staat, denkt eerst zijn plan van aanval uit, dit is de gedachte; dan geeft hij zijn commando, dit is het woord; en dan, op en door dat woord, geschiedt de aanval, en zoo komt de zaak er.

Dit nu is zoo bij ons, menschen, als flauwe afschaduwing van wat het in God den Heere was en is en zijn zal. Ook bij Hem is eerst de gedachte, hoe het worden zal, dan het woord, waardoor Hij hetgeen nog niet is roept zoodat het wordt; en eerst daarna ontstaat en komen het feit en de zaak.

De gedachte, de uitdenking, de beraming van den raad Gods gaat dus aan alle schepping vooraf. Hij de Heere, was uit dien hoofde bij dat uitdenken aan niets buiten zich gebonden. Hij was in het formeeren van zijn raad volstrekt vrijmachtig.

Toch was dit bedenken, deze uitdenking, deze beraming des Heeren Heeren daarom niet zonder bepaling. Een raad zonder bepaling is een gril, is inval, is willekeur, en waar dit reeds bij den mensch afkeuring verdient, zal wel niemand dit op den Heere onzen God willen overbrengen. De Heere koos in zijn raad. De wereld, zooals ze nu tot stand kwam, was niet de eenig mogelijke of voor Hem eenig denkbare. Er waren voor zijn Almacht ook andere werelden en geheel andere toestanden mogelijk. Zoo koos Hij dan uit die vele mogelijke en denkbare toestanden hetgeen thans tot stand kwam. En zoo is er in zijn raad Kiezing, en het is in die kiezing dat zijn goddelijke Wijsheid uitblinkt.

En waarin ligt nu reeds bij ons, menschen, de wijsheid der keuze? Immers daarin, dat het door ons gekozen einde het beste is en de uitkomst daaraan beantwoordt.

Zoo moest er dus wel in dezen Raad des Heeren een oogmerk, een doel, een uiterst einde zijn, waarop alles aangelegd, waarop het berekend, waaraan het alles ondergeschikt wierd; en het is eigenlijk eerst door dit richten van alles op dit uiterste einde of oogmerk en einddoel, dat het bestek en plan en de besluiten des Heeren die innerlijke eenheid en diepte erlangen, die ze stempelt tot een saamhangenden volheerlijken Raad.

En wat kon nu dit uiterste einde zijn? Dit uiterste einde of oogmerk kon slechts in een van deze beide liggen, of in iets buiten God, of in Hem zelven. En overmits er nu, toen God zijn raad sloeg, nog niets hoegenaamd buiten God bestond, zoo kan het niet anders of God de Heere moest dit uiterste einde in Zich zelven zoeken. Hij heeft alle dingen dan ook metterdaad geschapen om zijns zelfs wille.

Zijn glorie, dat is het oogmerk waarnaar Hij zijn Raad gericht heeft, en een ander oogmerk is er niet. Want wel vloeide er straks in het bijoogmerk, om zijn geroepenen te zaligen, maar ook dit vloeide uit het uiterste einde of hoofdoogmerk voort. Toen Hij zijn eeuwigen Raad sloeg, |195| was er nog geen schepsel en kon Hij zich dus naar wat niet was, en zelfs nog niet gedacht was, ook niet richten.

Wel, dit behoeft er nauwlijks bij gezegd, is er bij den Heere onzen God geen tijdsorde, en is met wat we zeiden dan ook alleen een orde van opeenvolging in de gedachte bedoeld; maar óf we moeten ophouden te stamelen over deze heiligheden, óf we moeten, om niet verward te wezen, ons wel uitdrukken naar die volgorde van denken, die God zelf door zijn Raad in ons gelegd heeft.


En nu ten slotte nog dit, maar dit laatste dan ook slechts als aanstipping.

Dat vastliggen van heel den Raad des Heeren aan het uiterste einde of oogmerk der schepselen; en dat eeuwiglijk bepaald zijn van dit oogmerk door Gods eigen glorie; vindt nu zijn heerlijkheid in het ongeschapen Woord, dat zelf God en bij God was eeuwiglijk en waardoor Hij alle ding schiep.

Dat Woord is uit de eeuwige generatie des Zoons, omdat de Vader dien Zoon eeuwiglijk genereert met volle, heldere, goddelijke bewustheid.

En als ge nu straks hoort, dat alle ding om de kerk gaat, en die kerk om den Zoon, en dat die Zoon niet zijn eere zoekt, maar tot spijze „de eere zijns Vaders” heeft, dan ligt daarin de gouden keten voor u, die Gods Raad over alle schepsel door het Woord of door den Zoon aan zijn goddelijke glorie verbindt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002