Zondagsafdeeling IX.

Vraag 26. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord. Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook dezelve nog door zijn eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christi wille, mijn God en mijn Vader zij, op welken ik alzoo vertrouwe, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lijfs en der ziele verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keeren; want Hij kan zulks doen als een almachtig God, en wil het ook doen als een getrouw Vader.


*

Eerste hoofdstuk.

Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt.

Eph. 3 : 14, 15.


De negende Zondagsafdeeling wenschen we weder in drie artikelen af te handelen, waarin we achtereen volgens spreken gaan over het Vaderschap, over den Raad Gods, en over de Schepping. Want wel wordt in deze Zondagsafdeeling ook met een enkel woord van de Voorzienigheid gerept, maar toch hoort de bespreking van de Voorzienigheid des Heeren niet hier thuis, maar in de tiende afdeeling.

In Eph. III : 14 en 15 zegt de heilige apostel Paulus, dat hij zijne knieën buigt voor den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, uit wien alle vaderbetrekking in hemel en op aarde genoemd wordt. Want onze Statenoverzetting leest hier wel: „Uit wien alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt”, doch dit is hetzelfde. Er staat patria, hetzelfde woord, dat ook voor „vaderland” gebezigd wordt, en dat in zijn ruimste opvatting aanduidt „al wat voortvloeit uit het feit dat er een vader is”. Hieruit nu komt de vader zelf, zijn geslacht, de vaderlijke betrekking, het vaderland en wat niet al meer. Ons is het er slechts om |184| te doen, om uit dit eigen woord van den heiligen apostel aan te toonen, dat de vadernaam dien wij op aarde dragen en bezigen niet oorspronkelijk is, maar afgeleid uit den Vadernaam Gods. Niet uit ons wordt de Vadernaam op den hemel overgedragen, maar alle vaderschap op aarde wordt genoemd naar het Vaderschap van den hoogen God. En dit is ons hier hoofdzaak.

HiermeÍ toch wordt de gewone opvatting van deze zaak omver geworpen.

Gemeenlijk immers stelt men zich de zaak zoo voor, dat wij onder ons menschen een vader hebben; dat die vader voor ons de uitdrukking is van zorge en trouw; en dat we alsnu, aan God den Heere denkende, en er op bedacht, om de nog veel trouwere zorg van den Allerhoogste uit te drukken, dien naam van den aardschen vader in hoogeren zin ook op God overdragen.

De vadernaam zou dus naar die voorstelling oorspronkelijk aardsch en menschelijk zijn, en eerst figuurlijk en overdrachtelijk, bij manier van vergelijking, op God den Heere zijn toegepast.

Maar hiertegen komt nu de Heilige Schrift op, en zegt u, dat het juist omgekeerd is. Neen, ook die Vadernaam is oorspronkelijk goddelijk en hemelsch en is eerst door verzwakking en figuurlijk overgebracht op ons, menschen.

Niet God heet Vader naar den aardschen vader, maar de aardsche persoon, die een kind teelt, heet „vader” naar God.


Ziet men dit recht in, dan voelt men ook terstond, hoe de naam van vader onder menschen dit vaderschap slechts op hoogst gebrekkige en beperkte wijze uitdrukt, en hoe de volheid, de rijkdom en de heerlijkheid van het Vaderschap eeuwiglijk alleen schittert in den Heere onzen God.

En dit nu heeft ook onze Catechismus gevoeld, als hij God noemt: „den eeuwigen Vader van onzen Heere Jezus Christus.” Immers dit eeuwige voor „Vader” duidt juist aan, dat de oorspronkelijke rijkdom van het Vaderschap van den beginne aan in Hem en in Hem alleen ligt, en dat de schepselen in den tijd hun vaderschap eeniglijk uit dien eeuwigen Vader kunnen afleiden.

„Vader” nu in zijn rijkste, ruimste en volste opvatting duidt aan „den oorsprong, waaruit leven voortkomt”. De namen Springader, Fontein, Bron, Wortel, Oorzaak en wat dies meer zij, doelen dus alle op hetzelfde. Of ge God noemt „de Fontein aller goeden”, de „Bron van alle ontfermingen”, de „Springader des levens”, de „Oorzaak van alle heil”, enz. dit komt alles neer op dit ééne dat Hij de Vader is in volstrekten zin. |185|

„Vader” drukt dan ook in zijn algemeensten zin hetzelfde uit als Schepper. Hij, die maakt dat het er komt; door wiens werking iets ontstaat; die aanzijn en leven en alle ding schenkt.

En zoo bezien, is het noch gezocht noch gewrongen, dat de Catechismus hier én het eeuwige Zoonschap Christi, én de Schepping, én het Kindschap der geloovigen, alle drie uit dien éénen Vadernaam afleidt.

Al wat Oorsprong en Ontstaan aanduidt, al wat op Afkomst en Wording doelt, ligt in het begrip van den „Vader”. Vader zijn is de Wortel der dingen te wezen. Uitgangspunt en begin; in alle ding de Alpha, de verborgen diepte waaruit het opwelt; de schuilende Oorzaak waaruit het voortkomt en wordt.

Te belijden: „Ik geloof in God den Vader” houdt alzoo in, dat men, van alle schepsel afziende, dit uitgangspunt, deze diepste oorzaak, dezen wortel en deze springader aller dingen, niet in menschen zoekt, maar in God. Belijdt ge in „God den Vader” te gelooven, dan spreekt ge daarmee uit, dat ge met alle schepsel in de diepste en volstrektste afhankelijkheid van dien Heere der heeren ligt: dat er geen andere reden van uw bestaan is, dan in Hem uit wien uw aanzijn voortkwam; dat Hem in dank alle ding en alle talent en alle kracht moet toegewijd; en dat uw bestaan, zoo nu als eeuwig, eeniglijk aan Hem hangt.


Komt ge nu op den diepsten wortel die in deze Vadernaarn ligt, dan wijst de Catechismus u, zeer schoon, voor alle ding op de eeuwige Generatie des Zoons.

Versta wel, wat hierin ligt.

Is het eenmaal waar, dat God de Heere aller dingen Wortel en Oorsprong, Bron en Springader, Oorzaak en Fontein is, dan behoort het ook tot het eigen Wezen des Vaders, om alzoo Wortel en Fontein te wezen. Derhalve zou dan eigenlijk God de Heere ondenkbaar zijn zonder zijn Schepping. Want immers als de Fontein fontein is, vloeit er water; als de Wortel tiert, ontspruit de stengel; als de Oorzaak werkt, wordt er iets. Zoo genomen, zou God dus geen Vader kunnen zijn, of er moest dus tegelijk een mensch wezen die Zijn kind was. D.i. óf God zou geen eeuwig Vader zijn, óf zijn menschenkind zou mede-eeuwig met Hem moeten wezen.

En tegen die ketterij, om óf het Vaderschap in God eerst later te laten opkomen, óf de Schepping eeuwig als Hij zelf is te stellen, daartegen belijdt nu de Christelijke kerk: de eeuwige Generatie van den Zoon.

Vader van zijn menschenkind wordt de Eeuwige eerst later als dat schepsel er is; maar Vader van eeuwig is Hij daardoor dat Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid den Zoon genereert. |186|

Op dit punt aangekomen, dienen we nu intusschen op te merken, dat de Vadernaam door het schepsel óf in engeren zin van den Eersten Persoon in de Drieëenheid kan worden gebruikt, óf evenzoo van het Goddelijk Wezen zonder Persoonsonderscheiding.

Tegenover het schepsel genomen, is Vader, Zoon en Heilige Geest de Schepper en de Fontein aller goeden, en roepen we het Drieëenige Wezen als onzen Vader in de hemelen aan.

Indien we daarentegen nu nader vragen, in welken dezer drie Personen dit Vaderzijn in het Eeuwige Goddelijke Wezen meer bijzonder gevonden wordt, dan luidt het antwoord, dat in het Goddelijk Wezen (d.i. huishoudelijk of oeconomisch) het Vader-zijn in engeren zin toekomt aan den Eersten Persoon. En dit nu drukt de Heilige Schrift uit, door zoo telkens te spreken van den „Vader van onzen Heere Jezus Christus”.

Deze „eeuwige generatie” van den Zoon door den Vader nu mag nooit opgevat als afgeloopen; tegen deze verkeerde opvatting, zelfs kan niet ernstig genoeg worden gewaarschuwd. De Vader, die van eeuwigheid genereert, genereert ook tot in alle eeuwigheid. Mochten we dus (wat niet kan) de indeeling van den tijd op de eeuwigheid overbrengen, dan zou men moeten zeggen, dat de Vaddr begonnen is den Zoon te genereeren van voor de grondlegging der wereld; dat Hij al die eeuwen door den Zoon steeds heeft gegenereerd; dat Hij den Zoon nog genereert op dezen eigen oogenblik; en dat de Zoon ook in de toekomst nooit, en tot in alle eeuwigheid nooit anders zijn zal, dan elk oogenblik door den Vader gegenereerd.


Niet, dit verstaat men, als ware deze genereering dus steeds onvolkomen en niet af, zoodat er nog iets aan ontbrak. Neen, op elk gegeven oogenblik is die generatie volkomen; zoo volkomen dat de Zoon eeuwiglijk op het allervolmaaktst het Zoonschap in zich draagt; maar zoo verstaan, dat Hij, de Zoon, nooit of nimmer Zoon is, dan op dat eigen oogenblik uit den Vader gegenereerd wordende.

Onder menschen is én het vaderschap én het zoonschap hoogst gebrekkig en onvolkomen. Het vaderschap is door het optreden der moeder gebroken in zijn kracht; want een zeer aanmerkelijk deel van hetgeen tot het vaderschap behoort, gaat hiermeÍ op de moeder over. Dan is een vader eigenlijk slechts ten volle vader op het oogenblik dat hij genereert; maar op dat oogenblik teelt hij wat hij niet kent; het komt buiten en tegenover hem staan; en tegen den tijd dat de zoon mensch wordt en uitkomt, raakt hij van vader af, wordt minder zoon, en wordt straks zelf vader. |187|

Dit alles is dus hoogst gebrekkig en onvolkomen.

Het is een schijnsel, een flauwe schaduw van het Vaderschap; maar meer ook niet. Het komt en gaat. Het licht en het taant. Het is er en verdwijnt weder.

Maar bij de „eeuwige generatie des Zoons” is dit alles geheel anders. Hier is geen moeder, maar de Vader het één en alles. Ook zijn er geen voorouders, maar alleen deze Vader. In dien Eéne is heel de Bron. En wat uit die Bron gegenereerd wordt is niet een kind naast een kind, zoodat de Vader slechts één enkelen trek van zijn Wezen in elk dier kinderen overstort, maar er is één Zoon, en die ééne Zoon is het uitgedrukte beeld des Vaders, heel het Wezen van den Vader in dien éénen Zoon. En dat ééne heilige Kind niet opgroeiend, niet allengs ontluikend, maar zonder groei of wasdom, van eeuwigheid tot eeuwigheid onveranderlijk het volle afschijnsel zijner heerlijkheid zijnde. Niet, om zich allengs, na eenmaal geboren te zijn, van den Vader los te maken, maar om eeuwiglijk eenswezens met den Vader, nooit buiten diens Wezens zijnde, en altoos opnieuw, als we zoo zeggen mogen, door Hem gegenereerd.

Zoo wordt dan deze zoon ook nimmer zelf Vader, maar blijft de Eeuwige Zoon, gelijk de Eerste Persoon de Eeuwige Vader is; en gelijk in den Eersten Persoon het Vaderschap zoo is in den Tweeden Persoon het Zoonschap volkomen.

Het kind-zijn van ónze liefste kinderen is nooit dan flauwe afschaduwing van het Zoonschap gelijk dit in den Eeuwige schittert. Bij Hem geen „broederen” die het Zoonschap met Hem deelen, of volkomener maken; maar Hij alleen de Zoon in den volstrekten zin, die in dit woord kan liggen. Het Zoonschap in Hem uitgeput; in Hem volmaakt; in Hem al zijn rijkdom toonend. En al wie straks als „broeders” van dien eenigen Broeder worden ingeleid nooit anders zonen dan door zijn Zoonschap. Nooit iets aan Hem toevoegend, maar wandelend in zijn glans.


Deze eeuwige Vader nu van onzen Heere Jezus is om zijns Zoons Christi wille ook de God en Vader van zijn verkoren kinderen op aarde.

Hier is dus de tweede openbaring van het Vaderschap; niet in één heilig Kind Gods, maar in vele; niet in den Eéngeborene of Eeniggegenereerde, maar in vele aangenomenen; niet in de eenheid des Wezens, maar in de gemeenschap des Geestes; niet in den éénen Zoon, maar in zijn vele Broederen.

Dat tweede Vaderschap nu ligt ten deele reeds in de schepping des menschen. Vandaar dat de evangelist Lucas in zijn geslachtsregister uitdrukkelijk Adam, ook voor zijn bekeering, een kind van God noemt. Zoo |188| toch luidt het slot van Luc. III : 38: „Enos de zoon van Seth, Seth de zoon van Adam, Adam de zoon van God.”

Dit zoonschap van Adam doelde op tweeërlei. Vooreerst daarop dat Adam geen aardschen vader had gehad, maar rechtstreeks, zonder tusschenkomst van aardsche ouders, zijn ontstaan en aanzijn aan God dankte; en in zooverre ziet het eenvoudig op de rechtstreeksche scheppingsdaad, toen de Heere hem boetseerde uit het stof der aarde en in zijn neusgaten inblies den adem des levens en alzoo het aanzijn schonk aan een „levende ziel”. En ten tweede daarop dat er een soort van gelijkheid tusschen God en dit schepsel bestond.

Vader is iemand te voller, hoe meer in zijn kind zijn eigen wezen terugkeert en weer opleeft. Dan zet een vader zijn eigen leven in zijn kinderen als het ware voort. Het Vader en Schepper zijn loopen dan ook daarin het meest uiteen, dat de Schepper die een star schept, die star scheppen kan zonder dat deze star eenigen trek van gelijkenis vertoont met Hem zelven; terwijl omgekeerd het Vader-zijn altoos insluit, dat er eenige verwantschap en overeenkomst tusschen Vader en zoon besta.

Zoo teelde Adam toen hij vader wierd zijn zoon „naar zijn beeld en zijn gelijkenis” (Gen. V : l). En dit nu wordt ook van Adam zelf ten opzichte van den Heere beleden. Ook Adam was beeld Gods op beperkte wijs. Waarlijk beeld des Vaders is alleen de Eenige Zoon. In Hem is het beeld ten volle uitgedrukt: Hij is het „uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid”, „Het beeld des onzienlijken Gods.”

Nu, dat was Adam niet. Om dat te zijn zou hij zelf de eenige Zoon hebben moeten wezen. Maar wel was er in hem iets naar dat beeld. Een trek van gelijkheid en overeenkomst. Zekere trek van verwantschap. Niet als een star of rups of walvisch eenvoudig uit Gods scheppingsmacht voortgekomen, maar zoo, dat er iets aan hem was van God zelf.

Zwak, zeer flauwelijk en op hoogst beperkte wijze derhalve was het beeld Gods in hem afgekaatst. Niet als in den eeuwigen Zoon het beeld van zijn zelfstandigheid; dat kon niet; maar het beeld van zijn gelijkenis; d.i. van de goddelijke eigenschappen, voor zoover die mededeelbaar zijn.

En zoo was Adam dan „zoon van God”, en zijn tot op zekere hoogte nog alle menschen „kinderen Gods”, naar aanleg en oorspronkelijke bedoeling, in zooverre, vergeleken bij een steen of een wolk, in den mensch trekken zijn, die aan trekken in de gelijkenisse Gods, zij het ook in omgekeerden zin, herinneren. Een gebroken nardusflesch is niets meer waard. En is er geen nardus meer in, en zij kan voor geen nardus meer dienst doen, maar toch is het nog altoos aan de brokstukken te zien, dat het een flesch, voor zulk doel bestemd, geweest is. |189|

Toch is geen onzer meer van nature zoon van God gelijk Adam dit was. Immers bij Adam is ontstentenis van alle tusschenkomst van een geschapen vader en moeder; maar bij ons niet. Bij ons trad een aardsche vader tusschenbeide.

Bij ons kan derhalve niet dan in zeer verwijderden zin nog van dit vaderschap aller menschen sprake zijn. Vooreerst, omdat er een aardsche vader was die ons teelde en een aardsche moeder die ons baarde. En ten tweede, omdat de oorspronkelijke trekken van het Beeld der gelijkenisse Gods, tot onkenbaar wordens toe, uit ons wegsleten.

Vandaar dat de Catechismus dan ook niet op dit natuurlijk kindschap van Adam teruggaat, maar terstond op het geestelijk kindschap in Christus komt. „Om zijns Zoons Jesu Christi wille mijn God en mijn Vader.”

Dit nu beduidt, dat langs de lijn van het Adamietisch kindschap nooit weer iets van het kindschap Gods te zien komt. Integendeel, dat slijt steeds meer uit, wordt onkenbaar en gaat geheel teloor.

Maar nu komt er een ander kindschap. Het kindschap van den Zoon. Een kindschap dat geestelijk is. Niet uit de geboorte, maar uit, de wedergeboorte. En in dit kindschap nu is het, dat de Vader die in de hemelen is, zich zelven verheerlijkt.

En dit kindschap nu, sluit zich wel aan het natuurlijk kindschap aan, want geen leeuw en geen adelaar, maar alleen een mensch wordt wedergeboren.

Doch het blijft hier niet bij.

Het verdiept dit kindschap tot een geestelijke gemeenschap, en neemt het geschapen kind in den Eeuwig Gegenereerden Zoon op, en zoo eerst ontstaat op menschenlippen het Abba, lieve Vader!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001