Zesde hoofdstuk.

Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.

Rom. 11 : 36.


Zoo is dan de Belijdenis van den DrieŽenigen God aan de kerk van Christus toebetrouwd, opdat ze hierin het vaste bolwerk zou bezitten, waarachter ze beveiligd is voor de aanvallen van alle algodendom, zoo in den vorm van het PolytheÔsme en PantheÔsme, als in dien van het DeÔsme en Unitarisme.

De heilige Triniteit, dŠt is de Belijdenis, waarmeÍ de kerk onverwinlijk staat; en niet gelijk onze hedendaagsche godgeleerden plegen te zeggen: hun theÔstisch Godsbegrip.

Want hoe dankbaar we ook den steun aanvaarden, die door deze formule tegen het DeÔsme geboden wordt, toch mogen we ons volstrekt niet bij die formule nederleggen.

DeÔstisch en TheÔstisch zijn twee woorden, die slechts door den onderscheiden zin dien men er aan hecht verschillen. Eigenlijk toch duiden deze woorden geheel hetzelfde aan, alleen maar dat DeÔstisch gevormd is van het Latijnsche woord dat „God” aanduidt, en TheÔstisch van het Grieksche woord, om „God” uit te drukken. In het Latijn heet God Deus, vandaar DeÔstisch; in het Grieksch Theos, vandaar TheÔstisch.

Het is dus met deze beide benamingen ongeveer eveneens gelegen als |177| met het onderscheid tusschen moraal en ethiek. Beide deze woorden toch beteekenen zedekunde. Maar met dit verschil, dat moraal afgeleid is van het Latijnsche woord mores, en ethiek van het Grieksche woord ethos.

Toch is het niet geheel toevallig, dat men beide malen om het meer geliefkoosde stelsel aan te duiden het Grieksche woord koos. Vergelijkt men toch de levensopvatting der Romeinsche met die der Grieksche wereld, dan springt het in het oog, hoe in de Romeinsche wereld, die door het concrete recht beheerscht wierd, de wel klaarder maar tegelijk ook oppervlakkiger zin tot uitdrukking kwam; ongeveer zooals ook nu nog een Fransch of Engelsch schrijver veel klaarder en helderder, maar ook oppervlakkiger pleegt te zijn dan zijn Duitsche nabuur. En zoo nu was de Griek oudtijds wat de Duitscher nu is; meer de man van de afgetrokkene gedachte en van de wijsgeerige diepte.

Gevolg hiervan nu was, dat de moraal onder den overwegenden invloed van den Romeinschen geest te vormelijk en uitwendig was genomen; en dat onze Duitsche Vermittelungstheologen, om uitdrukking te geven aan hun meerdere diepte van onderzoek, den naam van moraal voorgoed met dien van ethiek verwisselden; daarmeÍ overgaande op de Grieksche en volstrekt niet op de Christelijke en Schriftuurlijke lijn.

En geheel ditzelfde nu is ook met dit DeÔstisch en TheÔstisch gebeurd.

De naam van DeÔsme was in Engeland opgekomen; al vond men de droeve zaak natuurlijk in alle landen van Europa, en in elk hart en huisgezin, dat er een „God voor het geval van nood” op nahield, maar voorts zijn God vergat en niet met Hem rekende. En het was in protest tegen deze ondiepe en oppervlakkige en uitwendige opvatting van het Wezen en het werken Gods, dat men onder Duitsche theologen toen van TheÔstisch Godsbegrip begon te spreken; ook hiermee overgaande, volstrekt niet op de Christelijke en Schriftuurlijke, maar op de Grieksche lijn.

Grieksche diepzinniger wijsbegeerte is ingeruild voor Latijnsche platheid, maar tot de volheid en de heerlijkheid van den levenden God der Heilige Schrift drong men hiermeÍ volstrekt nog niet door.

Niemand late zich dus door het thans zoo gangbare en veelgeloofde, maar nietszeggende en hoogst gevaarlijke spreken van een TheÔstisch Godsbegrip verleiden. Reeds het spreken van een „Godsbegrip” is iets waar heel de Heilige Schrift tegen opkomt, en wat op Christelijk terrein nooit mag toegelaten. Een „begrip” heeft men alleen van wat men „begrijpt”; en begrijpen kan men alleen wat men doorzien heeft en als voorwerp van onderzoek heeft onderzocht.

Bestond er dus een wetenschap die „God” tot voorwerp van onderzoek had, gelijk er wetenschappen zijn, die tot voorwerp van onderzoek den |178| rnensch of het dier of de plant of den starrenhemel kozen; en ware men in deze „wetenschap van God” tot eenig resultaat gekomen, dan kon zulk spreken van een „Godsbegrip” toegelaten.

Maar dit geval bestaat niet. Alle dusgenaamde „wetenschap van God” is niets dan de zelfinbeelding van de hoovaardij der geleerden. „God” kan nooit voorwerp van ons onderzoek worden; wel zijn wij elken dag en ieder oogenblik voorwerp van onderzoek voor Hem. En wel verre dat er dus een soort godgeleerdheid zou bestaan, die u als resultaat van onderzoek eenige dingen aangaande God zou mededeelen, blijft zelfs elk pogen van dien aard onherroepelijk geoordeeld door het getuigenis: „God is groot en wij begrijpen Hem niet!

Er is aangaande God den Heere dan ook volstrekt niets voor den mensch te weten te komen, dan wat het Hem zelven gelieft aan den mensch te openbaren; en dit geopenbaarde aangaande het Eeuwige Wezen nu is voor den mensch geen voorwerp van begrijpen, maar van belijden. Niet alsof er geen drang in dit geopenbaarde zou zijn, om het op te nemen in ons denken en in ůnze uitdrukkingswijze terug te geven, maar toch ook dit zelfs nooit met een minder doel, dan opdat de belijdenis in ons te dieper en te oprechter zou zijn.

In eens en voorgoed moet er dus gebroken worden met de dusgenaamde „Leer aangaande God”, die in beginsel door de Heilige Schriftuur geoordeeld is. Geheel deze „leer aangaande God” heeft hoogstens nog waardij en beteekenis voor de historie, opdat men wete, in wat dwaasheid ’s menschen geest zich verheven heeft om den Oneindige te begrijpen; maar in de godgeleerdheid behoort ze niet thuis. Ze moet er uit weg, niet enkel, omdat ze nooit ťťn enkele vrucht voor het Christelijk geloof kon telen, maar omdat ze, veel erger nog, aan de heerschappij van de Openbaring, die God aangaande zich zelven gaf, in den weg staat. Elke theologische faculteit die haar kracht nog in een zoogenaamde „leer aangaande God” zoekt, is reeds hiermeÍ op de wijsgeerige lijn overgetreden en zwenkte van de heilige lijn af.

En met deze „leer aangaande God” zal dan tevens het schermen met het evenzeer Grieksch-wijsgeerige begrip van TheÔstisch vanzelf verdwijnen. Dit toch zegt niets. Hoogstens houdt het een ontkenning van het DeÔsme en PolytheÔsme in, maar het indringen van het PantheÔsme belet het volstrekt niet, en de UnitariŽrs, gelijk de Groningers ten onzent, die principiŽel de heilige Triniteit verwerpen, gebruiken het woord TheÔstisch zelfs met voorliefde.

Uit al deze wijsgeerige doolpaden zal daarom de goede godgeleerdheid hebben terug te keeren tot de belijdenis van den DrieŽenigen God, om |179| alleen te vragen naar wat deze heerlijke God. aangaande zich zelven aan zijn volk geopenbaard heeft.


Doch volstrekt niet alleen onze godgeleerden zullen zich in dit opzicht tot de oude paden moeten bekeeren en zich afwenden van den wijsgeerigen doolhof; maar ook de bedienaren des Woords in hun bediening en de leden der gemeente in hun godvruchtige overdenking zullen veel meer dan tot dusver met de belijdenis van de heilige Drievuldigheid ernst moeten maken. En zoo we daarop komen, hoeveel zal dan niet anders in de kerk van Christus moeten worden?

Hoe zal dan niet op heel andere wijze dan thans de kennisse Gods weer op den voorgrond moeten treden, en de gemeenschap van den zondaar met het Eeuwige Wezen grondtoon van prediking en van godvruchtige overdenking moeten worden.

Helaas, we zijn zoo bedorven door de hospitaal-theorie. Alle zondaren zieken, en nu heel ons geloof en ons belijden er uitsluitend op gericht, om die zieken onder dak te brengen in een kerk, die genezing biedt, en in die kerk bijna uitsluitend sprake van allerlei krankheid en allerlei wonde, en daarnaast van allerlei medicijn en allerlei balsem, die door den Medicijnmeester ons aangeboden wordt!

Natuurlijk denken we er niet aan, om ook maar ťťn stippelke te willen afdingen op de volstrekte noodzakelijkheid, om ťn die wonden in al haar diepte te peilen ťn dat eenig medicijn, dat in het bloed van Christus is, zijn volle werking te laten doen; maar wat we beweren is, dat dit door de hospitaal-theorie juist niet geschiedt. Dat op die wijs het krank zijn voor God en het voor God goddeloos en verloren zijn er uitgaat, en anderzijds de verzoening die er in het bloed des kruises is, niet doorgaat tot een verzoend zijn met den levenden God.

Met Hem, met den Eenig Heerlijke, hebben we te doen. Op Hem moet in alle prediking en in alle godsvrucht alles doelen en uitloopen. En de zielen worden opgehouden en kunnen de vleugelen niet uitslaan, zoo niet de gemeenschap met het Eeuwige Wezen ons punt van uitgang en ons rustpunt in het einde tevens is.

Alle Christelijke kunst in het belijden is dat woord van Jehovah tot den vader aller geloovigen waar te maken: „Ik ben uw schild en uw loon, zeer groot; wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht.” En daarom van voor dat aangezicht Gods mag de prediking geen oogenblik weggaan, en alle zoeken naar genieten van verzoening moet van oogenblik tot oogenblik een arbeid van de oprechte ziel voor het aangezicht van den Eeuwige zijn. |180|

Een niet kunnen uithouden van den weedom des harten, om onverzoend tegenover dat Eeuwige Wezen te staan; een niet willen zoeken van verzoening met dat Eeuwige Wezen dan in Hem zelven; en een niet kunnen verzoend zijn eer de ziel wezenlijk en werkelijk weer in verzoenden staat met dat Eeuwige Wezen geraakt is.

En dit nu tot den grondtoon van heel ons godsdienstig belijden en leven te maken, is geheel hetzelfde als steeds en overal weer toe te vallen tot de belijdenis van den DrieŽenigen God.

Wie buitenaf omzwerft op wijsgeerige paden, of zich opsluit in het ,Christelijk hospitaal, ja, die belijdt ook pro memorie nog de heilige Drieeenigheid, maar let eens op, hoe bijna nooit ze voor hem leeft, of kracht aan zijn woord bijzet.

Daarentegen wie terugkeerde tot de waarachtige wegen Gods, en zoowel zijn verdoemelijkheid, als zijn verzoening en zijn genieting van verzoening altoos voor het aangezicht Gods doorleeft, o, die heeft vanzelf de belijdenis van den DrieŽenige; die kan er niet buiten; die kan nooit een der Drie missen; en dien kan nooit de Eenheid dezer Drie ontgaan.

En zoo komen we vanzelf op de belijdenis van dien DrieŽenige als bezittende de meest absolute Souvereiniteit, waarmede we de bespreking van deze achtste Zondagsafdeeling besluiten.

Steeds hebben de Gereformeerde kerken op deze volstrekte Souvereiniteit allen nadruk gelegd, niet enkel in het werk der zaligheid, maar in alle werk Gods zoo der natuur als der genade. De belijdenis dat „uit Hem, door Hem, en tot Hem alle dingen zijn” is alleen bij deze kerken eenigszins tot haar recht gekomen, en we zouden de heilige zaak onzes Gods verraden, zoo we er geen open oog voor hadden, hoe ook weer in onze dagen juist deze belijdenis het meest gevaar loopt.

De toestand van het Christendom is zooveel hachelijker dan men denkt. Bijna niet ťťn stuk der Belijdenis wordt, we zeggen niet, door de afvalligen en ongeloovigen, neen maar door de Christenbroederen anders dan onzuiver beleden. Om het leerstuk van den Christus heeft men alle kennisse zoeken sa‚m te trekken en wel verre van ons den Christus naar de Schriften te prediken, prediken schier alle Vermittelungstheologen ons een Christus, die wijsgeerig gedacht is, en alle ketterijen der oude kerk hernieuwt.

En waar men alzoo in het middelpunt der Belijdenis zelve het rad des levens uit de spil lichtte, hoe kon het dan anders of zonder eenige uitzondering moest wel op elk punt der Belijdenis van lieverlee heel iets anders geleeraard worden, dan de Heilige Schrift en op haar voetspoor de kerk van Christus, had bedoeld. |181|

En dit nu komt op geen enkel punt zoo sterk uit, als juist in de belijdenis van ’s Heeren Souvereiniteit.

Die hooge Souvereiniteit onzes Gods is metterdaad uit onze hedendaagsche theologie en belijdenis en prediking gebannen, en het is uitsluitend in Gereformeerde kringen dat nog een geritsel van betere dingen vernomen wordt.

De Souvereiniteit Gods, gelijk onze Modernen die nog op Scholtens voetspoor beleden, is eenvoudig een andere naam voor een natuurproces, waarbij noch voor den DrieŽenigen God noch voor zijn heilige Souvereiniteit plaats overblijft.

Wat daarnaast in de breede kringen der dusgenaamde belijdende Christenheid over de eeuwigheid der stof en de werking der krachten in de natuur vernomen wordt, brengt u op zulk een onmetelijken afstand van de belijdenis van de Souvereiniteit des Heeren, dat ge er zelfs den naam niet meer in herkent.

En wat daarnaast door goede, lieve Christenen over de macht van ’s menschen wil in het heilswerk en van de macht ter eigen heiligmaking onder de belijders gesproken wordt, stelt u altoos weer voor het pijnlijk dilemma, om ůf aan de oprechtheid van hun woorden te twijfelen, ůf wel te moeten komen tot de droeve belijdenis, dat bij hen de Souvereiniteit in het heilswerk gezocht wordt niet in den DrieŽenige, maar in den zondaar.

Want dit springt toch in het oog, Souvereiniteit laat geen deeling toe. Reeds op aarde kunnen er geen twee souvereinen in hetzelfde land zijn, en alle pogen, om, door deels aan den vorst en deels aan het volk de Souvereiniteit toe te kennen, een soort gemengde Souvereiniteit in het leven te roepen, liep altoos en onverbiddelijk op een feitelijk eeren van den volkswil als hoogste Souvereine macht uit.

En zoo nu is het ook, en in nog veel sterkere mate, zoodra er sprake komt van de Souvereiniteit niet in ťťn enkel land, maar over het Heelal en over al wat in dit Heelal besloten ligt.

Tegenover den Eťnige en Eeuwige kan er geen oogenblik van iets half-souvereins naast Hem sprake zijn. Hij is de Almachtige, en niemand kan macht en vooral geen Souvereine macht hebben, dan uit Hem afgeleid, aan Hem onderworpen, en in alles van Hem op het diepst afhankelijk.

En deze Souvereiniteit nu, die in het Godzijn van het Eeuwige Wezen en in zijn Almachtigheid ligt, die wil de wereld niet, die wil de ketterij niet, en ook, helaas, die wil de tegenwoordige Christenheid niet. |182|

En daarom, mannenbroeders, laat ons toezien.

Op ons, die (natuurlijk geheel buiten ons eigen toedoen) nog eenig hart voor de Gereformeerde paden ontvingen, en daarom het Souvereine geklank van onzen Koning opvingen, op ons rust de dure verplichting, om al moest het ons al onze rust, al ons goed, ja, het bloed onzes harten kosten, voor die allesbeheerschende belijdenis pal te staan.

Niet, om uit de hoogte anderen te veroordeelen, want wat onderscheidt ons, dat we niet met hen afdoolden, of van onze doolpaden terugkwamen?

Maar wel, om onverbiddelijk stand te houden, waar alles wijkt. Wel, om te beseffen en in te zien, dat waarlijk geen Gereformeerde klanken ons meer redden kunnen, maar dat het aankomt op ernstige bestudeering van de Souvereiniteit, op nietssparende aanvaarding van haar vťrreikende gevolgen, en vooral op een belijdenis van haar heerlijkheid Ťn in alle werk Gods Ťn in de practijk van het leven.

Want, laat het ons met ernste gezegd zijn.

Te belijden dat God de Heere DrieŽenig is, en dat Hij voorts ůůk Souverein in zijn Majesteit is, dat nut niet en is werktuiglijk klanken stamelen.

Neen, dan eerst wordt deze belijdenis rijk en heerlijk, als het voor Gods ingeleide kinderen weer worden mag, de Souvereiniteit van den Vader in alle werk van Oorsprong, de Souvereiniteit van den Zoon in alle werk van Redding, en de Souvereiniteit van den Heiligen Geest in alle werk om te Heiligen; — en dan toch te bekennen en te belijden en zaliglijk te erkennen, dat deze Drie Eťn zijn, en dat heel ons zijn en aanzijn en toekomst volstrektelijk hangt aan de eere en majesteit van deze Souvereiniteit van den DrieŽenige.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001