Vijfde hoofdstuk.

De Heere zegene u, en behoede u!

De Heere doe zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!

De Heere verheffe zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

Num. 6 : 24-26.


Omtrent de kennisse, die de vaderen van ouds van de heilige Drievuldigheid hebben bezeten, mogen we ons geen verkeerde voorstelling vormen.

Meer dan eens toch heeft men het doen voorkomen, als zou ťn Adam in het paradijs, ťn Noach in de arke, ťn Abraham bij Mamre reeds even klaar en helder inzicht in dit diepste aller mysteriŽn hebben bezeten, als in later eeuwen aan de kerk des Nieuwen Verbonds wierd gegund. Terwijl anderen op hun beurt, het ongerijmde van zulk een voorstelling van zaken inziende, in volstrekten zin alle kennis hoegenaamd van dit mysterie aan de geloovigen der Oude Bedeeling ontzeiden. Beide eenzijdige en onwaarachtige beschouwingen, die dienen bestreden.

De belijdenis van de heilige Drievuldigheid, gelijk de kerk des Nieuwen Verbonds die thans bezit, komt op de wijze, waarop de kerk die thans geformuleerd heeft, zelfs in gansch den Bijbel, zoo Oud als Nieuw Verbond, niet voor; en tegen de zoo vaak gemaakte opmerking, dat zelfs de |171| naam van den DrieŽenige in heel de Heilige Schrift niet wordt aangetroffen, is metterdaad niets in te brengen. Gold het derhalve dien naam van DrieŽenig God, en de aldus genoemde onderscheiding in Personen, dan zou voetstoots zijn toe te geven, dat niet alleen de oudvaders van deze zaak geheel onkundig bleven, maar dat, naar alle waarschijnlijkheid, Zelfs de Heere Jezus en zijn apostelen nimmer ’tzij dien Naam, ’tzij de vermelding van de drie Personen op hun lippen namen.

Maar in dien naam van DrieŽenig en in die benoeming van Personen ligt nu juist niet de hoofdzaak. »n die naam Ťn die Persoonsbenoeming zijn bijkomstig, terwijl de hoofdzaak juist hierin ligt, dat God de Heere alzoo in zich zelven bestaat en naar de mate van onze bevattelijkheid alzoo door ons gekend worde.

Niet alsof hierin de zeer bepaalde Belijdenis van den DrieŽenige en van de drie Personen in het ťťne Goddelijk Wezen voor onverschillig wierd verklaard, zoodat men ook nu nog, naardien eenmaal de kerk tot deze Formuleering kwam, ongehinderd en zonder schade dezen naam en deze Persoonsbenoeming op zij zou kunnen zetten. Dit toch ware geheel het doel van de Belijdenis der kerk miskennen; en de uitkomst heeft dan ook geleerd, dat nog nimmer zulk een poging, om aan de geijkte formule te ontkomen, voorkwam, dan juist bij godgeleerden, die tegen de zaak zelve bedenking hadden, en wel waarlijk het mysterie zelf der heilige Drievuldigheid aantastten.

Het is toch ganschelijk niet waar als zou de kerk des Nieuwen Verbonds geen andere roeping hebben, dan om de naakte Schriftwoorden eenvoudig na te spreken. Naspreken is geen geestelijke arbeid, en wel verre van zijn kerk tot zulk een werktuiglijk naspreken van klanken te roepen, gaf de Heere jezus haar veeleer de gewichtige taak, om den inhoud der Heilige Schrift op te nemen in het menschelijk bewustzijn; in dat bewustzijn met de leugen die er tegenover staat te laten worstelen; en als vrucht van deze worsteling tot een zoodanige Belijdenis van het goddelijk mysterie te geraken, dat ze als uit ons menschelijk bewustzijn wierd teruggegeven; en wel teruggegeven in zulk een taal en in zulke bewoordingen, als, ter afwering van elke ketterij, door ons menschelijk bewustzijn geŽischt wierd.

En meen niet, dat dez e arbeid der Christelijke kerk om, tegenover de leugen en ter afsnijding van alle ketterij, den inhoud der Heilige Schrift uit het menschelijk bewustzijn te reproduceeren, alleen een inspanning van het denken vorderde en dus uitsluitend op de kracht der hersenen en de studie der geleerden aankwam. Zoo lag het volstrekt niet. Integendeel is de Belijdenis der waarheid nooit ťťn enkele stroospier verder |172| gekomen, zoolang het een steekspel tussschen de godgeleerden bleef en eerst dan, als heel de kerk, in al haar rangen en standen aan zulk een strijd deelnam, en al het volk er over sprak en er over dacht en er in meeleefde, ja, als ten slotte de volkstoestand er door beheerscht en de internationale verhoudingen er naar geregeld wierden, eerst dan is er winste voor de Belijdenis tegenover de ketterij geweest.

Wat wij thans met zuiver maatgeluid jubelen mogen van den hoogheiligen Persoon van den Middelaar, en van zijn twee naturen, en van de tweeheid van wil in Hem, en van alle rijke gevolg, dat hieruit voortvloeit voor het Messiaswerk, is de vrucht van een geestesarbeid, waar eeuwen aan zijn opgeofferd, waar stroomen bloeds om vergoten zijn, en waardoor heel de geschiedenis der wereld een andere gedaante verkreeg.

Zoo en niet anders is die scherpe formuleering tot stand gekomen, en elk pogen, dat thans weer wordt aangewend, om aan de klem dier scherpe formuleering te ontkomen, gaat bijna altoos uit van den heimelijken toeleg, om de waarheid der Heilige Schrift weÍr terug te dringen en nogmaals ingang te verschaffen aan allerlei hoogst bedenkelijke ketterij.

Men ziet dit thans weer aan de Vermittelungstheologen, die gedurig verklaren, dat de oude formuleering omtrent den Persoon des Middelaars hun niet meer bruikbaar voorkomt, maar dan ook telkens kunnen betrapt worden op allerlei kettersche gevoelens, waardoor het eens zoo algemeen veroordeelde Monophysitisme en Monotheletisme (d.i. de leer dat uit de heide naturen in den Middelaar een soort van nieuwe, hoogere natuur saamgemengd was) als de eigenlijke zin van dit mysterie bepleit wordt. En eveneens zag men dit, toen voor korte jaren de hoogleeraar Doedes in zijn critiek op den Catechismus en de Confessie, op even bedenkelijke wijze aan de scherpe formuleering van Gods heilige DrieŽenigheid tornde, maar dan ook even spoedig verried, dat zijn gevoelen over den Tweeden Persoon feitelijk de belijdenis der DrieŽenigheid zelve ophief.

Men hoede zich dus wel, om met zekere onverschilligheid of minachting op die eertijds gevonden formuleeringen neer te zien. Die formuleeringen zijn tot den prijs van veel angst en moeite, meest van veel bloed en tranen door Jezus’ kerk gekocht. Ze zijn gevonden in een tijdperk, toen een ieder inleefde in de vraagstukken, waartoe zulk een mysterie aanleiding gaf. Toen de knapste en helderste koppen het voor en tegen gewikt en gewogen hebben. Toen geen bedenking, die uitdenkbaar was, niet werd ingebracht en niet van alle zijden getoetst en weerlegd wierd. En toen met name geen enkel woord der Heilige Schrift, dat licht over zulk een mysterie spreiden kon, veronachtzaamd of overgeslagen wierd.

Wie nu gelooft dat het leven der kerk en haar strijd en haar moeite |173| niet maar de vrucht zijn van een spel van. wisselvalligheid, maar onder het koninklijk regiment van haar Heer staan, en alzoo de leiding van den Heiligen Geest vertoonen, die zal dan ook bekennen, hoe ongeestelijk, overmoedig en aanmatigend het is, zoo ťťn enkel mensch, ook al ware hij de geleerdste kop, die ooit uit menschen geboren wierd, zich met zijn eigen bijzonder inzicht stelt tegenover het resultaat van zulk een reuzenworsteling, en zoo eens als resultaat van zijn abstracte studie u melden komt, dat eigenlijk heel deze oude voorstelling en heel deze scherpe formuleering niet deugt.

Er ontbreekt in zulk een overmoed historische zin; er ontbreekt in een geest van waardeering; er spreekt atomistische zelfgenoegzaamheid uit; de reuke der genade is er niet aan, omdat al zulk voorgeven gespeend is aan geestelijke kennisse van het werk dat de Heere Christus nu deze achttien eeuwen in en door zijn kerk heeft gewrocht.


Maar even ongeoorloofd en zondig als het is, om, nu eens deze geformuleerde Belijdenis, als vrucht van geestelijke worsteling gevonden wierd, te doen als bestond ze niet en ze te minachten, evenmin gaat het aan, om deze formuleering reeds in die eeuwen te gaan zoeken, toen de Heere zijn kerk nog niet in dezen strijd had ingeleid.

Elk tijdperk in het aanzijn van Christus’ kerk op aarde had een eigen roeping en in overeenstemming met deze roeping heeft de Heere zijn kerk dan ook beurtelings op geheel andere deelen der wereld doen werken.

Toen de tijd gekomen was om, de waarheid Gods uit ons menschelijk bewustzijn te formuleeren, heeft de Heere zijn kerk in het Westen geplant en onder de Volken die Grieksch spraken. Gelijk toch bekend is verschillen wij, Westerlingen, dŠŠrin vooral van de Oostersche natiŽn, dat bij den Oosterling meer het leven van verbeelding en intuÔtie spreekt, terwijl wij in het Westen meer de gave van het heldere bewustzijn ontvingen, een verschil dat dan ook uitkomt in de taal en zegswijze; iets wat een ieder merkt, die de taal en uitdrukkingswijze van de Heilige Schrift vergelijkt met wat in ons land wordt geschreven.

Maar eer de kerk van Christus geroepen wierd tot de veelomvattende taak, om den inhoud der Heilige Schrift te formuleeren, wachtte haar vooraf een geheel andere roeping, t.w. om den inhoud der Heilige Schrift te leveren. Het werk niet der kerkvaders, maar der profeten en apostelen. En hiertoe nu zouden wij, Westerlingen, gansch onbekwaam zijn geweest. Daartoe had God de Heere een geheel ander soort van menschen verkozen en die menschen geheel anders toebereid. En zoo kon het dan niet |174| anders of de kerk des Ouden Verbonds, die een geheel andere roeping bezat, en voor die geheel andere roeping geheel andere gaven ontving, moest dan ook wel op een andere wijze dan wij, diezelfde waarheid die ons zalig maakte bezitten.

Ligt onze roeping op het terrein van het bewustzijn, en daarmee sa‚mhangende, van de Formuleering, de roeping der oude kerk lag op dat terrein niet. Noch de patriarchen noch de proleten noch de apostelen hebben dan ook ooit in vaste omschrijvingen geformuleerd.

Hun wereld, waarin ze leven is een geheel andere. Hunner was die diepte en ontvankelijkheid des gemoeds, die juiste kracht geeft en bekwaam maakt, om zonder den strijd en de worsteling van het bewustzijn, veel vaster en dieper ťn juister indruk van de zaak zelve te ontvangen, dan wij dit in den spiegel.van ons helderst bewustzijn ooit vermogen.

Het dient dus tot niets, of men al uit enkele plaatsen der Heilige Schrift van het Oude Verbond enkele gegevens saamleest, om daarmee te bewijzen, dat ook Adam, ook Noach, ook Abraham en Mozes reeds in de belijdenis van den DrieŽenigen God hebben gestaan. Van geformuleerde belijdenis is toch noch in Mozes’ boeken noch in de geschriften der profeten ook maar schijn of schaduw te vinden. Die hoort daar niet thuis. Dit bij Mozes en de profeten te zoeken is even ongerijmd als dat men gegraveerd goud in de goudmijn of een geslepen diamant in de bergen zocht. Integendeel alle formuleering was bij hen ondenkbaar en onbestaanbaar. Zij leverden het gouderts, dat de kerk des Nieuwen Verbonds eens graveeren zou. Zij leverden de diamanten die eens de kerk na Christus’ hemelvaart in glans en schittering slijpen zou. Zelf te graveeren, zelf te slijpen ging tegen hun roeping in. Dit kon bij hen niet. Dit bij hen te onderstellen verwart alle helderheid van begrip.


Maar al moet dus met kracht en ernst staande gehouden, 1º. dat niemand de eens gevonden formuleering vermetel en aanmatigend verwerpen mag; en 2º. dat niemand de formuleering zoeken mag in de periode toen de kerk nog niet aan deze formuleering toe was, — even beslist dient beleden, dat de geloovigen onder het Oude Verbond zeer stellig en ongetwijfeld af zijn gehouden niet alleen van alle dusgenaamde Afgoderij, maar ook van het even schadelijk Algodendom, en het nog doodelijker DťÔsme, en derhalve gestaan hebben in datzelfde geloof aan datzelfde Eeuwige Wezen, dat thans bij ons zijn uitdrukking vond in de Belijdenis van den DrieŽenigen God, alsmede dat zij van dit Eeuwige Wezen geheel dezelfde werkingen ervaren hebben, die wij thans uitdrukken door te spreken van de werkingen van Vader,. Zoon en Heiligen Geest. |175|

Van Adam vůůr den zondeval geldt dit zelfs in bijzondere mate. Zijns toch was niet alleen een oorspronkelijke gerechtigheid, maar ook een oorspronkelijke wijsheid, en daarmee een onmiddellijke kennisse van den Almachtige, die hem de volle genieting van den Eeuwige schonk. Van Adam sprekende, moet men dus geen kracht van bewijs zoeken in wat Gen. I : 27 staat, t. w. dat God zeide: „Laat ons menschen maken naar ons beeld en onze gelijkenis”, immers niets waarborgt u dat Adam van dit zeggen kennis droeg. Het tot ons gekomen bericht toch vermeldt het niet als een zeggen tot Adam, maar als iets dat gesproken wierd eer Adam geschapen wierd. Neen, Adams staan in geloofs- en levensbetrekking tot den wezenlijken levenden God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, moet afgeleid uit den staat der rechtheid, en was dŠŠrin gegrond.

Na den val in zonde daarentegen, toen de kennisse verduisterd was, en nevelen voor het zielsoog togen, toen ja, moest er onderrichting en inleiding in de waarheid komen, en toen heeft God de Heere op gansch wonderlijke wijze allengs het zielsoog zijner geloovigen voor zijn wonderlijk Goddelijk Wezen ontsloten.

En hier nu aan toegekomen, dan voorzeker is het beroep op al die Schriftwoorden des Ouden en Nieuwen Verbonds op zijn plaats, waar ook zonder formuleering toch zoo duidelijk en klaar het ťťne Goddelijk Wezen zich in een veelvoud van Personen aan zijn volk openbaart, en zoo onderscheidenlijk zijn werkingen naar zijn geloovigen laat uitgaan. „Laat ons menschen maken naar ons beeld en onze gelijkenis” in het meervoud met daarop volgende: „En God schiep den mensch naar zijn beeld en zijn gelijkenisse” in het enkelvoud, blijft dan ongetwijfeld reeds op de eerste bladzijde der Heilige Schrift de stellige aanwijzing van een Eeuwig Wezen, dat noch PolytheÔsten noch PantheÔsten noch DeÔsten mogen verstaan, maar als DrieŽenig beleden rnoet, zonder dat de dwaze, tegenwerping, als hadden we hier met een „majesteits-rneervoud” te doen, ons ook maar een oogenblik op mag houden; daar toch ieder thans genoegzaam weet, dat zulk een majesteits-meervoud in Mozes’ dagen ganschelijk onbekend was.

Maar toch hoe hooge waardij ook aan deze uitdrukkingen zij toe te kennen, toch ligt hierin het zwaartepunt niet, en veel sterker gewicht moet dan ook ten deze vallen op de TheophaniŽn, op de Messiasverwachting en op de zending van den Heiligen Geest.

Op de TheophaniŽn, d.i. op die wondere verschijningen van den Middelaar aan Abraham en Hagar, aan Izašk, aan jakob, aan Mozes, aan Jozua, bij Bochim, aan Gideon, aan Simsons moeder, en waar al niet meer. Altegader verschijningen, waardoor de starheid van het DeÔsme |176| afgesneden wierd en de zaak van het Triniteits mysterie openbaar wierd.

Op de Messiasbelofte, die heel IsraŽls geschiedenis door doelt op een komen van God tot zijn volk, dat God toch in den hemel blijft, en alzoo de majesteit van het mysterie zich al nader ontsluit.

En eindelijk de zending van den Heiligen Geest, die gelijk breeder in onze artikelen over het werk van den Heiligen Geest ontvouwd wierd, reeds op allerlei wijs in IsraŽl als van den Messias onderscheiden en toch God tot het hart brengend, openbaar wierd.

En het is, dank zij den schitterenden openbaringen, zoo in woord als in persoon en in daad, dat God de Heere vanouds zijn volk getroost heeft, dat ze den Vader hadden en kindsgenade genoten, den Zoon eerden en in Hem heul zochten, en den Heiligen Geest inriepen, als komende zoo eerst de gemeenschap des Heeren tot hun hart.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001