Vierde hoofdstuk.

De Heere zegene u, en behoede u!

De Heere doe zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!

De Heere verheffe zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

Num. 6 : 24-26.


Wat bedoelt de Geloofsbelijdenis onzer kerk met te zeggen, dat een kind van God aan het heilig mysterie der Drieëenheid gelooft, ook „om de werkingen die we daarvan in ons bevinden”?

Bedoelt de Confessie daarmede, dat dus eigenlijk ons geloof rust op onze bevinding, en derhalve niet, of altoos minder op Gods Woord?

Dit laatste stellig niet.

Maar neem nu ter vergelijking eens het leerstuk van de zonde. Ook daarover werpt alleen de Heilige Schrift het ware licht. Buiten het Woord is nergens rechte kennis van zonde ooit waargenomen. En, hoe diep we ook met ons hart in de ervaring van ons zondig bestaan zijn doorgedrongen, toch blijft altoos het apostolisch woord ons manen: „God is meerder dan ons hart!” indien ook mijn geweten mij niet veroordeelt, daarom ga ik nog niet vrij uit.

En toch, al geven we dit nu ook onvoorwaardelijk toe, en al blijft het dus onomstootelijk vaststaan, dat de kennisse der zonde uit Gods Woord is, toch zou een ieder het terstond verstaan, zoo hier eveneens wierd bijgevoegd: Dit alles gelooven wij niet alleen om wat de Heilige Schrift ons dienaangaande leert, maar ook om de werkingen die we daarvan in ons bevinden.

Zoodra er namelijk in de Heilige Schrift ons iets geleerd of geopenbaard wordt, wat op ons zelven betrekking heeft en waarvan de werking in ’s menschen hart moet zijn waar te nemen, moet dan ook die werking in het hart bespeurd worden, of er zou strijd ontstaan.

Wie uit de Heilige Schrift omtrent het diep bederf der zonde onderwezen, in zijn eigen hart nooit iets van den prikkel der zonde waarnam, |165| zou voelen dat die Schrift bij hem niet paste. En wie uit de Heilige Schrift geleerd, dat God vijandschap zet tusschen het zaad der Vrouw en het zaad der Slang, toch van die vijandschap nooit iets waarnam, zou wanen dat de Schrift over een denkbeeldige maar niet over de wezenlijke wereld handelde.

En zoo nu ook is het hier. Als de Heilige Schrift ons onderwijst, dat de Heere onze God een God is met wien we elk oogenblik van ons leven te doen hebben, en dat die Heere God Drieëenig bestaat, en als de Drieeenige God ook zijn onderscheidene werkingen van Schepping en Verlossing en Heiligmaking doet uitgaan, dan moet wie én der Verlossing én der Heiligmaking deelachtig wierd, er toch ook iets van bespeurd hebben dat het zoo is, of het zou een vreemde zaak buiten hem blijven.

Want wel is het volstrekt onmogelijk, dat een kind van God in de mystieke bevinding van zijn gemoed ooit ontdekkingen en influisteringen zou hebben, waaruit viel op te maken, dat God Drieëenig is; maar wel bevindt hij in zich werkingen, en omdat nu in de Heilige Schrift de werkingen van dat Drieëenig Wezen juist zoo geschetst en geteekend worden, als bij die werkingen ook in zich zelf bevindt, daarom kan en mag hij zeggen dat én de Schrift én de bevinding hem ten deze kennisse schonk; aangebrachte kennis de één, ervaren kennis de ander; en dat niet alsof de ervaring aanvulde wat in de kennisse die de Schrift ons schonk ontbrak.; maar zóó dat in de bevinding een deel bevonden en ervaren wordt van die zelfde kennisse, die ons uit de Heilige Schrift toekwam.

Met valsche bevindelijke mystiek heeft dit zeggen dus niets te maken. Het strekt in het allerminst niet, om in het mystiek gevoel een tweede bron van kennisse naast of tegenover de Heilige Schrift te openen. Maar beduidt alleen, dat de Heilige Schrift ons ten deze kennisse mededeelt omtrent werkingen die in een kind van God moeten plaats grijpen, en dat hij als kind des Heeren nu ook deze werkingen als zoo in zich bevond.


Welke zijn nu die werkingen?

Hierbij toch kon men licht op een klip verzeilen, door te wanen dat de werkingen die van het Eeuwige Wezen naar ons uitgaan, uitgaan van één der drie Personen, en dat de twee overige heilige Personen dan beurtelings hierbij toezagen.

En dit nu zou een gansch bedenkelijke leer zijn, want dan kreeg men, of men het wilde of niet, drie Goden. Stipt en streng hielden onze vaderen daarom steeds vol, dat er scherp onderscheiden moet tusschen wat ze noemden de opera immanentia en exeuntia, iets wat men zoo goed, zoo kwaad het dan ging in het Nederlandsch vertaald heeft door te onderscheiden tusschen de inblijvende en de uitgaande werkingen Gods. |166|

Lichten we kortelijk toe, wat hierdoor wordt aangeduid.

Een vader en moeder met hun kroost en hun dienstpersoneel vormen een gezin, een familie, een huishouding. En nu heeft zulk een gezin tweeërlei soort van bestaan. Het ééne binnenshuis onder elkaar, en het andere tegenover de buitenwereld. En nu voelt ieder, hoe in het gezin binnenshuis iederlid van het gezin zijn-eigen taak en roeping heeft, zoodat binnenshuis de leden soms tegenover elkander staan; maar dat daarentegen als het de buitenwereld betreft opeens alle onderscheid wegvalt, en het geheele gezin als één familie en één huishouding onder één hoofd en uit één kas leeft. Bij ons in onze gezinnen kan men dus in den regel zeggen, dat alles wat binnenshuis blijft een onderscheiden taak van vader en moeder en kind is, maar dat tegenover de buitenwereld heel het gezin voor één rekent.

En dat zelfde nu, wat op die wijs onder menschen slechts op hoogst gebrekkige wijze bestaat, bestaat nu in de hoogste volkomenheid in het eeuwige Wezen. Ook bij dat eeuwige Wezen toch moet wel terdege onderscheid gemaakt tusschen alle werkingen die binnen dat Wezen besloten blijven, en die voor den Vader, voor den Zoon en voor den Heiligen Geest onderscheiden zijn, en daartegenover tusschen die heel andere werkingen, die niet in het Wezen Gods besloten blijven, maar naar buiten scheppend, en in de schepping, uitgaan. En ook bij deze inblijvende en uitgaande daden des Heeren bestaat nu deze vaste regel, dat alle daden die in het goddelijk Wezen inblijven onderscheidenlijke daden óf van den Vader, óf van den Zoon, óf van den Heiligen Geest zijn, en dat daartegen de daden die uitgaan altoos gemeenschappelijke daden zijn van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.

Toch versta men dit niet weer zoo, alsof de uitgaande daden van het Eeuwige Wezen geen spoor hoegenaamd van persoons-onderscheiding vertoonen zouden. Dan toch zou er uit die daden of werkingen voor ons niets hoegenaamd omtrent de heilige Drievuldigheid te bespeuren vallen.

Neen zoo is het niet. Eer integendeel is in elke werking Gods die naar zijn schepping en zijn schepsel uitgaat zeer wel een onderscheidene werking van den Vader, -Zoon en Heiligen Geest op te merken; maar, en dat nu is het punt waar het op aan komt, bij alle uitgaande werking is er altoos een werking van de drie Personen tegelijk. Nooit een werking van den Vader zonder dat er tevens een werking van den Zoon en den Heiligen Geest is, en omgekeerd nooit een werking van den Zoon en den Heiligen Geest zonder dat er tevens een werking van den Vader in en onder zij.

En dit nu juist is met de inblijvende daden heel anders. |167|

Zoo b.v. als we de wondere werking van de eeuwige generatie nemen, waardoor de Zoon eeuwiglijk gegenereerd wordt; van eeuwigheid af, en nu, en tot in alle eeuwigheid; dan is deze generatie uitsluitend een daad van den Vader, waarbij de Zoon geheel lijdelijk is, en waaraan de Heilige Geest niets toebrengt. En zoo ook als de Vader en de Zoon den Heiligen Geest van zich laten uitgaan, dan is dit wel een daad van den Vader en wel een daad van den Zoon, maar niet van den Heiligen Geest, maar is de Heilige Geest hierbij geheel lijdelijk.

Zoo echter zijn nu de uitgaande daden nooit. Daaraan nemen altoos alle drie de Personen handelend deel, en daarbij kan de ééne Persoon nooit iets doen, zonder dat de beide andere meewerken. Dienovereenkomstig leert dan ook de Heilige Schrift dat de Schepping wel meer bijzonder den Vader is toe te schrijven, maar dat toch evenzeer „alle dingen geschapen zijn door den Zoon”, en dat bij de schepping „de Geest Gods zweefde op de wateren.”

En zoo komt men dan tot deze twee: En dat alle werkingen van God op, in of aan ons altoos werkingen zijn, die aan de drie Personen gemeen zijn; én dat in alle deze werkingen altoos een zeker onderscheid bestaat tusschen hetgeen de Vader er in doet, of de Zoon of de Heilige Geest.

Om het met een beeld op te helderen.

In den lichtstraal, zoo ge dien breekt, zijn zeven onderscheiden grondtinten; maar in den ongebroken lichtstraal zijn de tinten verdwenen.

Neem ik nu één kleur op zich zelf, ’t zij geel of blauw of rood, dan is er tijdelijke afwezigheid van de zes overige kleuren en werkt uitsluitend het specifieke van die ééne kleur. In den regenboog daarentegen is wel de straal gebroken, maar zoo dat toch alle kleuren saâm de werking doen.

Denkt ge u nu het Eeuwige Wezen, afgezien van alle werking naar binnen of naar buiten, dan hebt ge natuurlijk het ongebroken Licht. Onderscheidt ge in het Eeuwige Wezen de inblijvende onderscheidene daden van de drie Personen, dan zijn die hier afgebeeld in de aparte tinten. Neemt ge daarentegen de werkingen van het Eeuwige Wezen die uitgaan, dan wordt uw beeld de Boog in de wolken, waarin wel alle tinten saâmwerken, maar toch elke tint met een eigen kleurenpracht.


Alle misverstand is hiermee, zoo we hopen, afgesneden, en nu verstaat men wel, dat „de werkingen die we in ons bevinden”, altoos zijn: 1º. uitgaande en geen inblijvende daden; 2º. dienvolgens daden die nooit van één der drie Personen uitgaan, maar altoos van de Heilige Drievuldigheid; en 3º. niettemin zulke daden, waarbij elk der drie Personen op onderscheidene wijze uitkomt. |168|

Welnu, alleen en uitsluitend in dien zin is dan ook bedoeld wat de Catechismus aanduidt met de bekende onderscheiding: van God den Vader en onze Schepping, van God den Zoon en onze Verlossing, van God den Heiligen Geest en onze Heiligmaking.

Hiermeê toch is volstrekt niet aangeduid, dat elk dezer drie Personen beurtelings zou werken: de Vader eerst om u te scheppen, dan de Zoon om u te verlossen, en eindelijk de Heilige Geest om u heilig te maken; maar omgekeerd dat die u schiep is de Drieëenige God, en dat die u verloste is de Drieëenige God, en dat die u heilig maakt is de Drieëenige God, zoodat als gij schepsel van uw eerste wording tot in uw eeuwige glorie nooit afzonderlijk met den Vader zonder den Zoon, of met den Zoon zonder den Vader te doen kunt hebben, maar dat gij altoos te doen hebt met den Heere Heere, met den levenden God, met het Eeuwige Wezen, en dus met den Vader, Zoon en Heiligen Geest.

Dat er nu echter, waar deze werkingen Gods én scheppend én verlossend én heiligend naar en op u uitgaan, toch in deze werkingen van den Drieeenigen God een onderscheiding is, en wel zulk een onderscheiding, dat in al wat de Schepping raakt de Vader de hoofdwerker is met wien de Zoon en de Heilige Geest meêwerken; bij al wat de Verlossing raakt de Zoon de hoofdwerker met wien de Vader en de Heilige Geest meêwerken; en in al wat betrekking heeft op persoonlijke heiliging de Heilige Geest de hoofdwerker is en de Vader en de Zoon meêwerken.


De Vader is Vader en nooit Zoon, evenmin als de Zoon ooit Vader kan zijn. Nu ligt in het Vader-zijn dat men den oorsprong in zich draagt, en vraagt men dus, waar in het Eeuwige Wezen de Fontein, de Bronwel, de Springader, de Veroorzaker van alle goed in zijn diepsten grond is te vinden, dan voelt ieder terstond, dat dit niet de Zoon kan zijn, noch ook de Heilige Geest, maar dat dit moet zijn de Vader.

De naam reeds beslist hier.

En evenals in het Eeuwige Wezen de Vader den Zoon genereert, en mede van den Vader de Heilige Geest uitgaat, en dus in den Vader het oorzakelijke wordt beleden, evenzoo ook en niet anders komt de Vader in het schepsel uit. Voor alle schepsel is in Hem de Uitgang, de Bron, de Springader, van alle oorzaak de Oorzakelijkheid.

Van al wat op uw aanzijn, uw levenslot, uw opleiding, uw onderhouding, en zooveel meer, betrekking heeft, voelt dan ook ieder terstond, dat de werking tot hem uitgaat van den Vader. En dat niet alleen van zijn lichamelijk of uitwendig aanzijn, maar evenzeer van zijn wedergeboorte en voorverordineering. Van alle eerste en tweede leven klimt de |169| beschouwing rechtstreeks tot den Vader op. Niemand voelt zich als kind van den Heiligen Geest of als kind van den Zoon, maar wel als kind van den Vader.

Dit nu gaat intusschen zoo toe, dat de Heilige Schrift ons wel terdege leert, dat bij het raadsbesluit onze verordineering, bij onze schepping, onze instandhouding en onze wedergeboorte, ook wel terdege inwerkingen en medewerkingen van den Zoon en van den Heiligen Geest plaats grepen. Of liever nog dat niet de Vader alleen, maar alleen de Vader door den Zoon en in de gemeenschap van den Heiligen Geest ons verordineerde, tot aanzijn riep, in aanzijn hield en den wortel van het aanzijn in de wedergeboorte vernieuwde.

En ditzelfde nu gaat ook door bij het werk der Verlossing. De Verlossing grijpt onze ziel „in het bloed des Zoons van God”, en niemand zal ooit spreken van het bloed des Vaders of van het bloed van den Heiligen Geest. Er is vrede door het bloed des Kruises, maar niemand spreekt daarom van het kruis des Vaders of het kruis van den Heiligen Geest, maar alleen en altoos van het kruis van Christus. De kerk is er zich dus volkomen van bewust en elk kind van God kent in zich deze onderscheidene werking, dat de tweede persoon in de Drieëenheid, de Zoon, zijn Verlosser wierd in het bloed dat hij vergoot, toen hij zijn aangenomen leven gaf tot een rantsoen voor velen.

Maar ook hier is deze daad des Zoons geen oogenblik buiten een daad des Vaders en des Heiligen Geestes. De Zoon had en heeft niet over zich zelven te beschikken, en daarom is het niet de Zoon, die in dezen eigenmachtig optreedt, maar de Vader die alzoo lief de wereld heeft dat Hij zijn eeniggeboren Zoon geeft en zendt; in wiens Vader-zijn de Raad Gods, dien de Zoon volvoert, zijn oorsprong nam; en die als Vader alle de dagen des vleesches den Zoon draagt. „Vader in uwe handen beveel Ik mijn Geest.” En ook de Heilige Geest is hierbij geen oogenblik werkeloos. Christus is van den Heiligen Geest ontvangen, de Heilige Geest was zonder mate in Hem uitgestort, en de menschelijke natuur was zonder de gestadige inwerking van den Heiligen Geest een geheel andere in den Immanuel geweest.

En dit nu geldt ten slotte ook van de Heiligmaking. Niet gij maakt u zelven heilig, om dan heilig tot uw God te gaan. Maar de Heere vindt u als een goddelooze en Hij is uw Heiligmaker. Maar nu bekent de kerk en belijdt elk kind van God, dat deze werking in hem bijzonder het karakter van den inwonenden Heiligen Geest draagt. Ook hierbij evenwel is evenzoo altoosdurend de gelijktijdige en er mee vereenigde werking van den Vader en den Zoon. Jezus Christus zelf zei het tot zijn jongeren: „Ik en de Vader, we zullen komen en woning bij u maken.” |170|

En zoo blijkt dan, dat elk kind van God weet en bekent, dat het is zooals de Heilige Schrift hem onderwees. Gedenkt hij zijn verordineering, zijn geboorte, zijn onderhouding, zijn nieuwe geboorte, dan klimt de ziel vanzelf tot den Vader op. Gedenkt hij daarentegen zijn zonden, en drinkt bij verzoening in en voelt hij zich verlost, dan is er niet één die niet in de eerste plaats den Zoon voor zijn geest heeft. En eindelijk gedenkt hij zijn worstelingen en zijn geestelijken triomf op Satan, dan voelt ieder, dat dit in hem zijn werkingen van den Heiligen Geest.

En in dien zin is het dan ten volle waar, en zegt de kerk alle eeuwen door er een Amen op, dat de kinderen Gods door de werkingen, die ze van deze drie Personen in zich bevinden, volkomen bevestigd zien wat de Schrift hun omtrent den Drieëenigen God onderwezen had.

Een God die niet Drieëenig was, zou de God van een verloste en geheiligde ziel niet kunnen zijn.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001