Derde hoofdstuk.

De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen.

2 Cor. 13 : 13.


In uw belijdenis hangt alles er van af, wat ge van den Heere uwen God belijdt, en het is een hoogst gevaarlijke fout, die men hedendaags in veel kringen begaat, om het opkomend geslacht in allerlei heilige dingen te onderrichten, en ze veel uit den Bijbel en veel van Jezus te leeren, maar er bijna nooit op te komen, wat een Christen nu eigenlijk te gelooven heeft van den Heere onzen God, van zijn Wezen, zijn Wil en zijn Werk.

Met opzet spreken we daarom over dit „heiligste der heiligen” iets breeder.

Alle zonde in den mensch schendt terstond de zuiverheid van zijn belijdenis van het Eeuwige Wezen. Een zondaar ziet God valsch en belijdt Hem daarom valschelijk. Dat kan niet anders. De zonde belet hem juist te zien en juist te kennen. Een zondaar is zijn God kwijt, want op hetzelfde oogenblik dat de zonde in het vizier zijner ziele komt, gaat het Wezen Gods ook voor zijn zielsoog weg. En overmits hij dan toch God vast wil houden, grijpt hij mis, tast hij in het luchtledige, en verklaart nu, of, op grond van dit grijpen in het ijle, zijn God voor een Algod die overal en nergens is, of wel hij heeft behoefte om er iets van te zien, van te merken, van te ontwaren, van te kunnen aanwijzen, en vindt die aanwijzing dan Úf in zon, maan en starren, Úf in machtige dieren, Úf in vreemde natuurverschijnselen, Úf eindelijk in een beeld dat hij zelf maakt, ’tzij uit hout en goud, ’t zij uit de stof van zijn gedachten.

En nadat nu de zondaar in zijn hoovaardij en zelfgenoegzaamheid gezegd heeft: „Laat God de Heere zich maar van mij terugtrekken; geen nood; zoo die God weg is, denk ik een anderen God uit; maak ik zelf een anderen God; of verklaar ik, oppermachtige mensch, wie en hoe God |158| zijn zal”, — is de ontaarding en verbastering, de zelfverblinding en stekeblindheid steeds erger geworden, zoodat er onder de 1400 millioen menschen die op deze aarde wonen, stellig 1000 millioen zijn, die letterlijk niets hoegenaamd meer van den levenden God afweten, en niets dan een ongeloovig of bijgeloovig spel drijven met de uitdenkselen of inbeeldselen van hun eigen verzinning.

Vandaar dat zonder Openbaring van Gods zij de zondaar er nooit meer achter kon komen, wie en hoe de wezenlijke, levende God was en bestond.

De kennisse was weg; de heugenis zelfs der kennisse vervalscht; en de vatbaarheid voor deze kennisse der verdwijning nabij. En daarom heeft het den Heere een werk van eeuwen lang, een arbeid der genade van ondoorgrondelijke ontferming gekost, om allengs, om van lieverleÍ die kennisse van den levenden God weer zoo in die wereld in te brengen, dat de zondaar er vat aan kon krijgen, zoodra de Geest hem bewoog.


En zoo is toen eindelijk de belijdenis van den DrieŽenigen God in de wereld gekomen. Niet, dit versta men wel, alsof Adam in het paradijs juist in dezen vorm der DrieŽenigheid de heerlijkheid van Gods Wezen zou beleden hebben, uitgewerkt in al onze onderscheidingen en geformuleerd naar den inhoud van al onze artikelen. Dit kon natuurlijk niet, en ware ongerijmd. Zelfs mag men zich niet inbeelden, alsof in den hemel Gods zalige engelen of zalige martelaren nog met onze formules van de heilige Drievoudigheid het Eeuwige Wezen loven zouden.

Dit is er meÍ als met drinkwater uit een genezende bron. Uit die bron hebben de kranken eerst zonder nader onderzoek het water gedronken, en het heeft hun gesmaakt, en het heeft hun goed gedaan. Maar sinds rees er bedenking. De bron wierd verdacht gemaakt. De wateren dezer fontein zouden niet zoo deugdelijk zijn als men zich had ingebeeld. Zie daar ginder groef of boorde men een andere bron, en de wateren van die bron waren, naar men voorgaf, veel beter. En nu gaat men natuurlijk onderzoeken. Nu komt de scheikundige en schift. En zoo komt men er toe om deze wateren te gaan ontleden, om de bestanddeelen er van vast te stellen, en om de formule te vinden die juist het gehalte van dit water uitdrukt. En als dan straks de tegenstander weer opdaagt, dan verslaat men hem, niet door hem water te laten drinken, want dat weigert hij, maar door deze juistere formule. Zoodra daarentegen deze strijd afliep, en een ieder het water weer vertrouwt, dan hecht niemand meer aan de formule, maar drinkt ieder er gerust van, en is alle vreeze weg.

En zoo nu ook verging het met de Fontein aller goeden en met de springader des eeuwigen levens. Ook over die bron heeft men eerst niet |159| nagedacht noch ze onderzocht, en er eenvoudig in het Paradijs uit gedronken, en haar water heeft verkwikt. Maar sinds rees tegenspraak en kwam er bedenking. Deze wateren waren de goede wateren niet, en ginds riepen priester en wijsgeer dat ze een anderen God begiftigden, en dat elders bronnen vloeiden van veel zuiverder gehalte. En toen is natuurlijk ook bij deze bron de nadere onderzoeking gevolgd en heeft die onderzoeking tot nadere formuleering geleid, en alzoo is toen de heerlijke formule gevonden van den DrieŽenigen God, en bij deze formule blijven we en moeten we blijven en daar gaan we niet van af, zoolang als er, van welke zijde ook, nog tegenstand openbaar wordt. Maar gaan we eenmaal den hemel binnen en verkeeren we eenmaal onder de volmaakt rechtvaardigen, o, dan vallen ook voor ons al deze formules, die slechts dienst doen voor ons eindig bewustzijn, weg; weg alle kennisse die nog slechts ten deele was; en het wordt weÍr, ja beter nog dan in het Paradijs een eenvoudig drinken uit de wateren van deze Bron des eeuwigen levens, en in dat drinken zalig zijn.

De zaak staat dus zoo: Adam heeft in het paradijs rijk en vol genoten, de gemeenschap met dienzelfden DrieŽenigen God, dien wij aanbidden, en die aangebeden wordt eeniglijk door alle engelen en gezaligden; maar de formuleering van de Athanasiaansche geloofsbelijdenis doet slechts tijdelijken dienst, en wel als middel om ons bewustzijn te wapenen tegen den twijfel van het ongeloof dat ons, zondaren, anders verstrikt en bedwelmt. Want wel zullen er ook in den hemel der hemelen uitingen en klanken zijn, om het Eeuwige Wezen lof te zingen, maar van die hemelsche klanken is wat we op aarde stamelen, nog slechts de flauwe matte, zwakke afschaduwing.

En zoo komt het dan ook, dat de klare, heldere belijdenis van den Drieeenigen God eerst in het Nieuwe Verbond bepaalder vorm aanneemt, en dat ge toch wel in het Oude Verbond merkt: „o, Gewisselijk, ook de God die daar en toen wierd aangebeden, was wel waarlijk dezelfde DrieŽenige God!”


Maar toen dan nu, dank zij den ondoorgrondelijken ontfermingen onzes Gods, ten leste deze klare, heldere, doorzichtige belijdenis in den schoot der kerk was neergelegd, toen was het er nog verre vandaan, dat daarom ieder zondaar nu zeggen zou: „Dus zal ook ik eens in de belijdenis van dien DrieŽenigen God zalig zijn!”

o, Neen, integendeel. Toen hebben nogmaals alle zondaren vonden gezocht, om aan den drang en de klem van deze zalige belijdenis te ontkomen. En dat was natuurlijk. Want had die belijdenis gelijk, dan hadden zij ongelijk, en moest de dood gelegd op al hun uitdenksels, en konden |160| ze al hun uitgedachte afgoden en afgodische denkbeelden in het dal Hinnoms werpen. En dat, ge begrijpt het, wil en kan de zondaar niet. Dat zou hij dan eerst kunnen, als de Heilige Geest hem overreedde en aanzette; maar uit zich zelven kan hij dat niet.

En vandaar toen die tegenstelling die opkwam. Eenerzijds een klein kuddeke, dat van God geleerd, nu zaliglijk dronk uit deze wateren, en in de kennisse des Eeuwigen genoot, en zwoer bij de heilige Drievuldigheid des Heeren; en daartegenover allerlei groepen die op allerlei manier, in theorie en in practijk, tegen die belijdenis van de DrieŽenigheid in verzet kwamen, en nu op andere, meer bedekte en verfijnde manieren, hun vroeger pantheÔstisch en polytheÔstisch spel voortzetten.

En zoo is het dan in de kerk van Christus tot bangen strijd gekomen. Tot strijd niet om een bijzaak, maar om het hoogste. Om dat, waarvan de Heere Jezus zei: „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den ťťnigen waarachtigen God!”

En toen ging men belijdenissen opstellen. En toen zijn de ketters letterlijk hetzelfde maar op veel gevaarlijker wijze in de kerk gaan doen, wat de Joden en Heidenen buiten de kerk deden.

Buiten de kerk stonden de Heidenen en Joden in bond, om op alle manier de belijders van den DrieŽenigen God uit te roeien door spot; uit te roeien door satyre; uit te roeien door laster en scheldtaal; en hielp ook dat niet, dan door ze maatschappelijk tegen te werken; door de Overheid tegen hen te wapenen; en door ze eindelijk, als het niet anders kon, uit te roeien met schavot en brandstapel.

En evenzoo zijn de ketters toen in de kerk aan het werk getogen, om innerlijk de kerk te verzwakken, te verdeelen, te doen verbasteren; en dat alles met het eenig beleden doel, om de belijdenis van den DrieŽenigen God weer door de belijdenis van een heel anderen ingebeelden god te vervangen. En ook in dezen strijd hebben de ketters niets ontzien en geen middel gespaard om dat kleine kuddeke, dat nog vasthield aan den levenden God, machteloos te maken en te vernietigen. Eerst door ze kerkelijk, toen door ze maatschappelijk te knakken; en ten leste door ze gevangen te zetten en onschadelijk te maken.

Altoos ťťnzelfde strijd alle eeuwen door, in alle land en in allerlei vorm. Van den ťťnen kant de zondaren, zonder hooger licht, die ťn buiten ťn in de kerk aan de uitdenkselen en verzinningen van hun eigen hart den naam van „god” gaven. En daartegenover de kleine kudde des Heeren, die (en dat wel uit louter genade) hooger licht ontving, en die nu tegen deze uitdenkselen en verzinningen klaar en helder de belijdenis van den DrieŽenigen God overstelde. |161|

En in dezen strijd nu zou dit kleine kuddeke nooit vooruit gekomen en nooit gevorderd zijn, zoo het zijn taak zelf had moeten verrichten en voleinden. Want ook dit kleine kuddeke struikelde telkens en beging allerlei mistred.

Maar, en dit is het hooge en heerlijke, op die kleine kudde lag de Naam des Heeren Heeren. En die Naam was haar een sterke toren. En zoo is het toen geschied, dat van achteren al de tegenstand tot niets anders heeft moeten dienen, dan om de belijdenis van den DrieŽenigen God steeds heerlijker te doen schitteren, en telkens klaarder te toonen, hoe zich ůf in PantheÔsme, ůf in PolytheÔsme, ůf in DeÔsme verloopt, al wie ook maar een haarbreed van de belijdenis van den DrieŽenige afwijkt.


Men zie dus wel in, dat de belijdenis van den DrieŽenigen God niet een vraagstuk der spitsvondigheden is, maar de levensquaestie voor de kerk en voor de menschheid en voor heel de toekomst der wereld.

Gelukt het aan de gezamenlijke tegenstanders in en buiten de kerk, om deze hoogheilige Belijdenis te vernietigen, dan is de Christelijke kerk op aarde weg en overstroomt de afgoderij onder allerlei priesterlijke en wijsgeerige vormen weer het aardrijk, geholpen door de doodenbezweerders en spiritisten en allerlei guichelaars.

Want wat men wel eens zegt, dat de kerk aan de vraag hangt: „Wat dunkt u van den Christus?” is slechts ten deele waar. Neen zelfs niet aan den Christus hangt de kerk. De kerk is de kerk van den levenden God, in zijn raadsbesluit gegrond en door zijn genade uitgeroepen, en zoo het Hoofd als de leden der kerk zijn wat ze zijn door den levenden God. Alzoo niet de Christus is het Hoogste, maar die levende God, wiens wil te doen zijn spijze was. En slechts in zooverre de belijdenis van den Christus als zelf God, vanzelf de belijdenis van het DrieŽenig Wezen onderstelt en eischt, mag gezegd dat van uw belijdenis aangaande den Christus ook uw standpunt afhangt. Mits men dan maar altoos wel versta, dat de belijdenis aangaande den Christus hierbij slechts dienst doet om wat hoofdzaak is en blijft t.w.: uw belijdenis aangaande het Eeuwige Wezen vastelijk te bepalen.

Het kan om niet anders dan om God gaan, en allerlei Christelijke kringen, b.v. de Hernhuttersche, die dit voorbijzagen, en zich aanstelden, als ging eigenlijk toch alle ding door en om den Christus, zijn geheel tegen hun bedoeling instrumenten geworden in de hand der PantheÔstische wijsbegeerte, om aan de zake des Heeren afbreuk te doen. Vergeet niet, |162| hoe de geestelijke vader van het kerkelijk PantheÔsme, dat thans de zielen vergiftigt, Schleiermacher was, en leer uit de geschiedenis hoe Schleiermacher juist uit de Hernhuttersche kringen zijn theosophische denkbeelden had meÍgebracht.

Veel innigheid en veel teederheid en veel warme beweging des gevoels in de Christusvereering en Christusaanbidding is kostelijk maar ook dit heilige kan onzuiver worden, en dit is het wat bij alle verplaatsing van het Hoogste aan de Mystieken overkomt.

Niet de Christus is de Fontein aller goeden, maar Hij zelf is gegenereerd uit den Vader en gepraedestineerd als Messias. En daarom het Eerste in orde des denkens en het Hoogste in de orde der aanbidding is niet de Middelaar, en kan reeds krachtens zijn ambt nooit de Middelaar zijn, maar is en blijft eeuwiglijk de DrieŽenige God.


Wie toch belijdt dat het Eeuwige Wezen Drievuldig is en DrieŽenig bestaat, die sluit daarmeÍ alle afgoderij of PolytheÔsme uit, veroordeelt alle PantheÔstische zonde van een Algodendom, en voorkomt het gevaar dat het hart in de koude van het DeÔsme bevriest.

Daarentegen zijn we tegen dit aanmerkelijk gevaar volstrekt niet beveiligd door de bij velen gangbare formule: „Dat we een persoonlijk levend God aanbidden”. Want dit zeggen is wel goed bedoeld, maar schiet zijn doel ten eenen male voorbij.

Met „levend” God bedoelt men dan een God, die niet als een afgod van hout of steen levenloos is, en met een persoonlijk God zulk een God, die niet als de gedachtengod van het PantheÔsme onpersoonlijk bestaat, of liever nog aldoor wordt.

Zei men dan ook een „levende niet onpersoonlijke God”, zoo zouden we ons hierbij mogen neerleggen. Maar nu kunnen we dit niet. Nu men eenmaal aan de phrase ven den Persoonlijken God ingang schonk, en juist op dat persoonlijk bijzonder nadruk leÓ, schuilt er in dit spreken van een „persoonlijk” God zeer groot gevaar. Het gevaar namelijk, dat door dit spreken van een „Persoonlijk” God juist de belijdenis van de drie Personen gekrenkt worde.

Reeds Sabellius wees den ketters het spoor aan, om hiertoe te geraken. Spreek van een Persoonlijk God, maar neem de namen van Vader, Zoon en Heilige Geest slechts als vormen, waarin achtereenvolgens toch ťťnzelfde Wezen en dezelfde ťťne Persoonlijke God zich openbaart, en het is u gelukt, om in naam en schijn orthodox te blijven en toch feitelijk met Heidenen en Joden, met ketters en wijsgeeren meÍ te doen, om de belijdenis van een heilige Drievuldigheid te vernietigen. |163|

En dit kan niet anders.

Immers het begrip van „persoonlijk” is bij ons, menschen, streng en stipt individueel. Een persoon is ťťn, en hoe meer een wezen persoon wordt, hoe meer zijn eenheid uitkomt; wel in verband met anderen, maar toch juist als persoon van die anderen onderscheiden; iets in zich zelf; iets waardoor hij niet een ander is; waardoor hij naast dien ander staat; en slechts als iets eigens en zelfstandigs voor dien ander waarde bezit en beteekenis.

Persoonlijke moed is de moed die opwaakt in den held, als juist de anderen deinzen en hij alleen doorgaat. Persoonlijke verantwoordelijkheid is als de gemeenschappelijke solidaire aansprakelijkheid ophoudt en die van den persoon voor eigen risico begint. Persoonlijk initiatief is als iemand durft vooropgaan, en er is er een die het waagt.

Te spreken van een „persoonlijk” God strekt derhalve om zoo sterk mogelijk de eenheid van persoon in het Goddelijk Wezen aan te schroeven, en daardoor noodwendiglijk de drieheid der Personen te loochenen.

In al dat apologetisch roepen: „Wij houden vast aan een persoonlijk God!” zien we dus niet alleen geen heil, maar rechtstreeksche schade; en de kerke Gods mag wel scherp toezien en zeer fijne voelhorens uitsteken, om de gemeenschap af te snijden met alle priesters en wijsgeeren, die met een God die ťťn persoon zou zijn (en in dien zin persoonlijk) dwepen.

Neen, niet een persoonlijk God, maar een eeuwig Wezen in drie Personen is het voorwerp der aanbidding, waarvoor engelen het aangezicht dekken en alle gezaligden in de hemelen zich neÍrbuigen.

Op dien God moet aangehouden. Op Hem en op Hem alleen moet de kerke Gods gericht. Met alles wat nevens of tegenover dien levenden God wordt gesteld mag ze geen oogenblik gemeenschap hebben.

Niet in ťťn, maar in drie Personen bestaat de levende God.


En zoo komt het er dan ook hier maar op aan, om den goeden weg in te slaan.

Ge moogt niet van u zelven tot uw God besluiten, d.i. een God naar uw beeld en gelijkenis maken, maar gij moet in uw God altoos het oorspronkelijke zien en belijden, waarvan alleen de afbeelding onder menschen bestaat.

Ge zult niet zeggen: Zoo is ůnze liefde onder menschen, dus moet ook zoo de liefde Gods zijn, maar omgekeerd erkennen, dat de liefde in God oorspronkelijk is, en slechts een schijnsel hiervan in ons.

En zoo ook: Ge zult niet zeggen: Ik ben een persoon, gij zijt een persoon, |164| en zoo nu ook is God persoonlijk. Maar ge zult omgekeerd belijden: de Persoonlijkheid is oorspronkelijk in het Eeuwige Wezen, en van deze Persoonlijkheid die DrieŽenig bestaat, is wat we persoon onder menschen noemen, slechts een flauwe, gebrekkige schaduw.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001