Tweede hoofdstuk.

Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij, gelijk ook eenigen van uwe poŰten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht.

Hand. 17 : 28.


Met gelukkigen greep eindigt de Catechismus de inleiding op het stuk „van des Menschen Verlossinge” met de belijdenis van de Heilige Drievuldigheid; want dßßrin ligt metterdaad de verlossing van eens menschen ziel, dat hij van het zichtbare weer tot het onzichtbare kwam, van hout en steen bekeerd wierd tot den levenden God; en, van den god der uitdenksels en inbeeldingen en rnenschelijke verzinningen af, opgetrokken wierd tot dat Eeuwige Wezen dat drievuldig en drieŰenig in zijn drie Personen bestaat.

Wie daarom voor de eere Gods opkomt en de zielen liefheeft, die weerstaat de inkruipselen van het Algodendom (Panthe´sme), die ook nu weer van allen kant in de kerken indrongen, en roept met alle stem en alle kracht die God hem gaf, zijn medezondaren weer terug naar de glorie des DrieŰenigen. En vooral zoo hij merkt dat er lieden zijn, die een |152| verleidelijke formule van dit Algodendom uit gaan venten, als ware dit nu de volzalige belijdenis der DrieŰenheid, dan komt hij op tegen zoo schromelijke verwarring; eischt dat men weer waarheid met zijn naaste zal spreken; en wordt ontstoken in heiligen ijver voor den Naam zijns Gods.

Sabellius is gestorven, maar Sabellius is de bekoorlijke verleider, die niet voorgoed van het kerkelijk tooneel verdwijnt, eer de Christus op de wolken wederkomt. En daarom toen onze vaderen aan het slot van hun negende Geloofsartikel de kerken nog eens met name tegen Sabellius waarschuwden, bedoelden ze nog iets anders dan een distel op het graf van den lang verstorven Heresiarch te plaatsen; toen was hun toeleg een teeken aan den nog altoos levenden Sabellius te zetten; er; meer dan ooit heeft ook in onze dagen de kerk des Heeren dien nog altoos levenden Sabellius weer in het oog te vatten.

Bij Sabellius vloeit alles ineen. De Vader in den Zoon en de Zoon in den Heiligen Geest, en de Heilige Geest in ’s menschen geest, en ’s menschen geest in ’s menschen zichtbare gestalte. Alle grenzen weg. Alle lijnen uitgewischt. Onderscheid in naam, maar onderscheid in de zaak niet. En zoo ten slotte ook de Schepper en het schepsel tot ÚÚn gemaakt.

En dat nu is juist het onheilig spel, dat men ook thans weer drijft. Drijft in de vervalsching van de belijdenis van den Christus; in de belijdenis van ziel en lichaam; in de belijdenis van de zonde; in de belijdenis der wedergeboorte; in de belijdenis van een kerk, die eigenlijk met de wereld ÚÚn is. Weeropleving van de oude Monophysieten en in den Middelaar ÚÚn Godmenschelijke wil en ÚÚn Godmenschelijke natuur. God en mensch ineengevloeid, naar oud-Luthersche doling. En voorts, gelijk het met den Christus gaat, zoo ook zijn kerk van haar grenzen beroofd, en dan haar sfeer met de sfeer der wereld vereenzelvigd.

Alles Panthe´stische gevoelens, heidensche voorstellingen, wijsgeerige uitdenkselen, die de arme gemeente afvoeren van haar allerheiligst en eeuwenoud en onveranderlijk geloof.

En vraagt ge nu, hoe het komt, dat wijze, brave, nobele mannen dan toch aan de voortplanting van zulke dwalingen hun krachten besteden, en met open oogen zelf in dit verderf loopen, en er de gemeente in meŕ trekken, lees dan het antwoord hierop in Paulus’ rede, die hij te Athene hield.

Daar spreekt Paulus ook over het heidensche PantheIsme, en zegt aan de tempelbezoekers en beeldendienaars, dat ze poŰten onder hun stadgenooten hebben gehad, die veel uitstekender dingen hebben beleden dan zij in hun tempelwierook en beeldendienst merken lieten, want dat hun |153| wijsgeeren en dichters soms zelfs prachtige denkbeelden hadden geuit. Zoo o. a. het heerlijke zeggen: „Wij zijn van Gods geslacht!” (Hand, XVII : 28.)

En wat doet Paulus nu? Veroordeelt hij nu dat heidensch Panthe´stisch zeggen zonder meer? Neen, integendeel, hij sluit er zich bij aan, maar legt nu uit, hoe wat de Heiden en de Panthe´st hierin schoon, maar toch onzuiver uitsprak, eerst in der Christenen belijdenis verstaan en doorzien wordt. En dan geeft hij als inhoud van der Christenen belijdenis op dit punt u twee reeksen van denkbeelden, die, bij beide even krachtig en diep opvat. Eenerzijds: „dat wij in Hem leven, ons bewegen en zijn”. Maar ook anderzijds: „dat God heel de wereld en al wat er in is, geschapen heeft”, dat deze God „heel het menschelijk geslacht uit ÚÚnen bloede schiep”, en dat Hij „voor alle kinderen der menschen Ŕn de tijden, Ŕn de bepalingen van hun woningen tevoren verordineerd heeft.”


Welke twee stukken der belijdenis schuilen hier dan in?

Zie, er waren en er zijn lieden, die tot hun dood toe, nooit gevaar zullen loopen, ooit ÚÚn druppel uit den Panthe´stischen stroom in te drinken; die veeleer uit de hoogte alle neiging tot Algodisterij veroordeelen; en die toch nimmer in hun eigen ziel ÚÚn enkele vonk van geestdrift voor de Heilige Drievuldigheid voelden gloren.

Dit komt daar vandaan, dat deze lieden wel geen Algodisten zijn, maar in een tegenovergesteld uiterste vallen, en zich een God voorstellen, die, gelijk een pottenbakker los van zijn baksel is, zoo voorts en verder niets van doen zou hebben met zijn schepping.

Dit zijn lieden van een koude practijk of van een dorre verstandsrichting. Menschen zonder gloed van harte of warmte van gemoed. Zonder drijving en zonder geestdrift in zich. Haast als de visschen, zoo koud van bloed.

En deze koude, bevroren denkers stellen zich dan God in zijn scheppingswerk voor bij manier van een uurwerkmaker. Wie een uurwerk maakt, zet het inÚÚn, en als het ineen zit, windt hij het op, en nu krijgt het zijn plaats aan den wand, en zoo loopt het; en hij gaat wandelen, en ziet er niet eer naar om, en eerst als het weer afliep, dan neemt hij den sleutel in de hand en windt het afgeloopen uurwerk weer op.

En zoo nu, meenen deze lieden, heeft ook God de Heere gedaan. Hij schiep deze wereld, zette ze ineen, stelde haar krachten in beweging, en liet ze nu wentelen.

En nu loopt alles vanzelf en doet de natuur alles goed aan. Tot er een stoornis komt, en dan is het de oorspronkelijke Schepper die de gebroken schepping weer repareert. |154|

Vandaar dat dit slag lieden gemeenlijk leeft als bestond er geen God; niet bespeurt, dat men elken morgen en elken avond en elken middag met zijn God te doen heeft; en dan alleen van God gewaagt en tot dien God zijn toevlucht neemt, als er iets stuk is of in de war liep; en in nood en dood, of als er een schipbreuk in het leven dreigt, dan roept en bidt men ja, maar voorts leeft men buiten Hem om.

Deze zonde is wat men noemt het De´sme, gelijk die andere zonde het Panthe´sme.

Zonde! Verzwakt dat woord niet. Niet den levenden God, maar een eigen uitdenksel in zijn plaats, te aanbidden, is zelfs de diepe zonde; en alleen zoo we hiervan diep overtuigd zijn, bezitten we den moed om zelf in den liefsten broeder dit zondig kwaad te bestrijden.

En vraagt nu niet, waar die De´sten dan toch huizen, en zegt niet, dat gij zulk soort menschen van dien naam nog nooit ontmoet hebt. Want de naam doet er niet toe, maar wat de zaak aangaat, kunt ge dit onheilig kwaad practisch tot diep in de Gereformeerde kringen vinden. Ieder die tien uren van den dag kan leven, zonder met zijn God te rekenen, is een practisch De´st. Of sterker nog, er leeft geen mensch die niet lange dagen van zijn leven zulk een practisch De´st geweest is. En het stelsel, de theorie er van vindt ge bij duizenden rechtschapen medeburgers, die vinden dat zelfs zwijgen over God regel moet wezen, en, dat alleen zoo er iets stuk is, God er bij mag gehaald worden. Op de manier van een chirurg of een arts is de ingebeelde god dezer deftige lieden. Zoolang ze gezond zijn en alles wÚl gaat, loopt het uurwerk wel vanzelf; maar als ze „erg ziek” worden, en vooral zoo de dokter zegt „dat er gevaar is”, dan gaan zulke lieden bidden.

Daarom moet van meet af dit kwaad, deze zonde in den wortel aangegrepen. Ge moet maar niet zeggen, dat zulke lieden hun god vergeten; neen, maar ge moet inzien en hun aantoonen, dat hun god, dien ze aanbidden, niet de levende God is, want dat zulk een schijngod, als waarmeŕ ze ophebben, eenvoudig niet bestaat.

En als ge dan diep in uw ziel den toorn hebt voelen opkomen tegen zulk een uitdenksel van een god die als een uurwerkmaker zou zijn; en ge hoort dan Paulus roepen: „Gelijk ook uw poŰten gezegd hebben: Gij zijt van Gods geslacht!” dan gaat er opeens een licht voor u op, en begrijpt ge, hoe ook heden ten dage dat dwepen met het Panthe´stisch vuurwerk de ziel der edeler lieden weer verleidt.


Immers tegenover deze koude proza-burgers staat een gansch ander slag van lieden over, die er voor passen, om in de dorre mechaniek van een |155| ziellooze deftigheid en een ontzield intellectualisme te bevriezen. Zij zijn menschen van gemoed, menschen met een hart, menschen van geestdrift en hooger bezieling. Het ideale wenkt hun toe. Ze zijn poŰtisch van, zin en aanleg. Ze kunnen met dat koude proza en met dien proza´schen schijngod niet meŕ.

En daarom staan van nature de poŰtische lieden tegen deze proza´sche dorheden over, en hebben deze warmer lieden altoos gloed en warmte van hart gezocht, en die nu bood hun het Panthe´sme.

Het Panthe´sme, het Algodendom is hooge poŰzie.

IJs is koud omdat het stil en vast zit; maar als er leven komt en de stroom ruischt, en de beweging gaat in gang, dan ontstaat er warmte, koestering, gloeiing; dan springen er vonken; dan ziet ge vuur schitteren; en de glans van dat licht trekt aan.

En op zich zelf ligt hierin iets kostelijks. Tienmaal liever gedweept en gedwaald niet deze warme en bezielde Algodisten, dan bevroren en versteend bij het afgemeten en wezenloos De´stisch geteem.

Vandaar dat ook de heilige apostel Paulus tegenover de dorre De´sten die in Athene voor hem stonden, zich op den gloed van hun Panthe´stische poŰten (of dichters) beriep, en, hiervan uitgaande hun het heerlijke dat er in den levenden God is, openbaarde.

Want, ja waarlijk het is zooals die poŰten zongen. Er is nooit een ledig, nooit stilstand, nooit een holheid, waar niets van God zou zijn. Hij is die goddelijke Voorzienigheid, die met zijn almogende en alomtegenwoordige kracht alle dingen draagt en vervult. Het is zoo, Hij, die Heere, onze God, geeft ons het leven en den adem en alle dingen. Hij is het, in wien wij leven, ons bewegen en zijn. En op geen manier kan ooit sterk genoeg die bezielende alomtegenwoordigheid en alom werkzaamheid des Heeren Heeren worden uitgesproken, of nog altoos schiet de koudheid onzer taal in heilige bezieling te kort.

En dat nu hebben ook de afgedoolde lieden in onze eeuw gevoeld. De Vermittelungstheologen hebben het niet kunnen uithouden bij dat koude, dorre, versteende Supranaturalisme en Rationalisme, en toen is in hun oor gedrongen de bekoorlijke melodie van de Panthe´stische hymne. En ze hebben geluisterd. En hun ziel is verleid geworden. En zoo is het ten leste geschied, dat zelfs de vroomsten en de besten onder de Ethischen ten slotte Algodistische elementen in zich opnamen.


En waar ligt nu deze tegenstelling in?

Gemeenlijk noemt men dat ’s Heeren Transcendentie en ’s Heeren Immanentie. |156|

Met de Immanentie (d.i. inblijving, inwoning) bedoelt men dan, dat er voor of in eenig schepsel, welk ook, geen oogenblik of geen atoom denkbaar is, dat niet van ademtocht tot ademtocht daadwerkelijk door de levende, in hem inzijnde, en almogende kracht des Heeren gedragen, in stand gehouden en tot leven bekwaamd wordt. Immanentie bedoelt alzoo dßt alles in den Heere onzen God, waardoor Hij met zijn schepsel in gemeenschap staat.

Onder de Transcendentie (d.i. dat God boven het schepsel verheven is) daarentegen verstaat men, dat God de Heere, juist om op zijn schepsel te kunnen werken, met zijn Wezen buiten zijn schepsel moet liggen, al is het ook dat Hij met zijn kracht in zijn schepsel zij en het van binnen in zijn spil en middelpunt draagt.

Die twee staan dus tegen elkaar over en vullen elkaar aan.

Ik mag niet volstaan. met te belijden: „God de Heere is immanent, d.i. werkt in zijn creatuur en is in dit creatuur met zijn mogendheid”, — want dan loop ik gevaar, den Heere met zijn schepsel te vereenzelvigen, als hing Hij van zijn schepsel af.

Maar ook kan en mag ik niet volstaan met te zeggen: „God de Heere bestaat op zich zelf, is zelfgenoegzaam en is als Schepper ver boven zijn schepsel verheven”, want aan zulk een God heb ik niets, en dien trek ik slechts pro memorie uit.

Daarom heeft de kerk steeds de heilige roeping, om voor die twee stukken tegelijk te waken. Te zorgen, dat aan Gods Majesteit niet te kort worde gedaan, en te zorgen, dat Godes alomtegenwoordige almachtigheid niet worde weggecijferd of vergeten.

En omdat nu de kerk zweeg, de laffe die ze was, in steŕ van voor Sions God te roepen, daarom zijn nu de ketterijen weer over ons gekomen. Wat saÔm hoorde is gesplitst. De ÚÚn is eenzijdig met Godes alomtegenwoordige mogendheid gaan dwepen en daardoor Panthe´st geworden. De ander is aan het registreeren van een werkeloozen God gegaan en is De´st geworden. En practisch slingert de gemeente nu tusschen deze beide ketterijen in. Nu eens dwepend in ijle verrukking met een vuur van vroomheid, dat niet door den Heiligen Geest is ontstoken, en dan weer bevriezend in koele dorheid, en doende alsof er geen God bestond.

Terwijl genezing ook voor dit bittere en bedenkelijke kwaad alleen maar ligt in terugkeer tot de belijdenis van den DrieŰenigen Verbondsgod.

Van God den Vader en onze Schepping, dat is de doodsteek voor het Panthe´sme; want een schepping kent het Panthe´sme niet. Dan van God den Zoon en onze Verlossing; dat is de ontworteling van het De´sme, want voor een Woord dat vleesch wordt, heeft het De´sme geen plaats. En |157| eindelijk van God den Heiligen Geest en onze Heiligmaking, om Ún immanentie Ún transcendentie zuiverlijk te vereenigen.

Want inwoning van den Heiligen Geest zegt juist dat de tempel waarin Hij woont van den Inwoner onderscheiden is.

De nauwste vereeniging, en toch de onderscheiding volstrekt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001