Zondagsafdeeling VIII.

Vraag 24. Hoe worden deze Artikelen gedeeld?

Antwoord. In drie deelen. Het eerste is van God den Vader en onze schepping. Het andere van God den Zone en onze Verlossing. Het derde van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking.

Vraag 25. Aangezien dat er maar ťťn eenig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zone en den Heiligen Geest?

Antwoord. Omdat God zich alzoo in zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidelijke Personen de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn.


*

Eerste hoofdstuk.

Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb.

Matth. 28 : 19.


Overmits in de negende en volgende Zondagsafdeelingen afzonderlijk van de drie Goddelijke Personen staat gehandeld te worden, bespreekt de Catechismus nu vooraf in de achtste Zondagsafdeeling de belijdenis van het eenige Goddelijk Wezen, waarin deze drie Personen bestaan.

Uit den aard der zaak nu behoort de belijdenis der DrieŽenheid, van de Triniteit ofte van de heilige Drievuldigheid, tot de allerdiepste mysteriŽn, waarvan noch eenige Catechismus noch eenig mensch, al duizelde hij van geleerdheid, ook maar eenige de allerminste verklaring kan geven.

Niemand denke dus, dat hij, ja, wel een stukske van dit mysterie begrijpt, maar dat er dan daarna nog een onbegrepen stuk overblijft. Neen, hij noch iemand kan er ook maar het allergeringste van verklaren, en een ieder die zich dit inbeeldt, gaat zelf feil en brengt feil in anderer gedachten. Wie zegt: „Ik moet God begrijpen”, zegt evenveel als wanneer hij lasterend zei: „Ik weiger aan een God te gelooven”. Hoe zou een klein, nietig |145| wezentje, gelijk wij menschen toch zijn, dien grooten, dien almachtigen Heere Heere kunnen begrijpen! Wat zijn wij, diep en in alles afhankelijke schepseltjes, vergeleken bij den omtrek van ons vaderland? Wat is heel dat vaderland, vergeleken bij den omvang van Europa? Wat is gansch Europa, bij deze aarde gezien? Hoe nietig die aarde niet bij de zon vergeleken! Hoe klein die zon, bij heel het firmament genomen! En wat is dan nog heel dat firmament bij den Heere onzen God, die al die zonnen, en die starren bij name roept, vanwege de grootheid zijner kracht en omdat Hij sterk is van vermogen! En zie, er wordt er niet ťťn gemist!

Zelfs al denkt ge u de zonde weg, dan nog kan er nooit sprake van zijn, dat een schepsel den Schepper zou kunnen begrijpen. En ook de heerlijke kennisse van „aangezicht tot aangezicht”, die de heilige apostel in I Cor. XIII aan Gods heiligen in den staat der heerlijkheid profeteert, heeft met een begrijpen van den Eeuwige en den Ondoorgrondelijke niets te maken.

En zoowel in het paradijs dat verloren wierd, als in het paradijs dat Gods verkorenen verbeiden, is en blijft het naar Elihu’s zielskreet: „Zie, God is groot, en wij begrijpen Hem niet!” (Job XXXVI : 26.)

Wel is er een kennen van den Eeuwige; maar „kennen” is heel iets anders dan „begrijpen”. Ik ken iemand niet, zoo ik hem nooit zag, nooit hoorde, nooit met hem in aanraking kwam. Daarentegen ken ik iemand wel, zoo ik zijn aangezicht afgedrukt in mijn voorstelling draag; zoo ik aan zijn stem hoor dat hij er is; zoo ik zijn wijze van doen gadesloeg, en daardoor iets leerde verstaan van zijn karakter. En dit „kennen” gaat dieper en dieper, naarmate ik meer aan al zijn wegen gewend wierd, lang met hem verkeeren mocht, en in allerlei ernstige en gewichtige omstandigheden zijn trouw en zijn liefde leerde proeven. Vandaar dat ieder man zijn vrouw en iedere vrouw haar man kent, en de ouders hun kinderen kennen, en de vriend den vriend kent. Maar om al dit kennen begrijpt daarom geen mensch nog ooit het wezen van een mensch, begrijpt een vader niet hoe zijn kind er kwam, hoe in dat kind ziel en lichaam verbonden ligt, of ook hoe wonderbaar in dat kind het onbegrijpelijke bewustzijn werkt. Och, zelfs de herder begrijpt zijn trouwen hond niet, die hem zijn schapen saamhoudt, en verstaat niet wat er in zulk een dier omgaat, en minder nog hoe een beest, zonder menschenhart of engelengeest, zoo trouw kan zijn en zoo aanhankelijk en zoo gevat!

„Kennen” en „begrijpen” zijn dus twee geheel verschillende dingen, die Gods kind wel onderscheiden moet, en de verwarring van deze twee schept onnoemlijk veel geestelijke ellende. Want dan is er een, die duizend uit |146| over de heilige Drievuldigheid weet te redeneeren, en waant dat hij het begrijpt, maar die nog nooit zijn God ontmoet heeft, en nog ganschelijk den Heilige niet kent, en die toch voor godvruchtig en godzalig wil doorgaan, hij, de dorre verstandsploeger, de geestelooze intellectualist! En tegenover hem vindt ge dan een innige ziel, voor wie de ontmoetingen vele waren, en die veel van Gods verborgen omgang genoot, maar die niet begrijpelijk de zaak beredeneeren kan; en die sappige ziel klaagt dan bij al haar heerlijkheid nog over gemis!

Want dit is het: „God is groot en wij begrijpen Hem niet.” Maar tegelijk is dit het eeuwige leven, niet dat ze God begrijpen, maar dat ze U, den Eenige, kennen. Dat is het, dat aan Adam in den staat der rechtheid een oorspronkelijke kennisse was geschonken, opdat hij zijn God niet begrijpen, maar „recht kennen” zou. En dit is de heerlijkheid, die uit genade aan verkoren goddeloozen wordt gegeven, dat de Zoon hun den Vader openbaart, opdat ze God weer kennen zouden. Nu ten deele. En daarna eens zaliglijk en volkomenlijk, als we kennen zullen gelijk we ook gekend zijn. Van aangezichte tot aangezichte. In eeuwige, nooit eindigende genieting.

Vandaar dan ook dat Art. 9 van onze Confessie zoo heerlijk betuigt, dat wij de belijdenisse der heilige DrieŽenheid, ja, te weten komen uit de Heilige Schrifture, maar toch eerst kennen uit de werkingen die we van deze drie Personen in ons gevoelen.


Omdat echter de zondige mensch dit niet toegaf, of wel toegaf, maar er niet naar deed, is er toen toch poging na poging gewaagd, om ook de verborgenheid des Heeren Heeren te ontsluiten, en door allerlei geleerde uiteenzetting te verklaren voor ons menschelijk begrip. Zelfs is men hierin zoover gegaan, dat men van lieverleÍ een geheele Leer aangaande God uit allerlei opiniŽn is gaan ontwikkelen, en dat er tot zelfs in Utrecht een hoogleeraar is, en dat nog al een man, die met ons den Heere Jezus belijdt, die nog oordeelt dat er in zulk een „Leer aangaande God” kracht ligt, en niet voelt, hoe hierin niets schuilt dan rationalistisch bederf.

Toegekomen aan de belijdenis van het Eeuwige Wezen behoort een kind van God daarom uiterst voorzichtig te wezen. En als hij van de Ethische godgeleerden in onze dagen allerlei voorstellingen op dit stuk verneemt, die door hen van de Duitsche Vermittelungstheologen zijn overgenomen, dan bedenke hij wel, dat deze Duitsche Vermittelungstheologen hierbij geheel in wijsgeerig spoor zijn geraakt, en bijna evenwijdig loopen met allerlei vondsten eener ongeloovige philosophie.

Bij het Eeuwige Wezen komt het er toch voor alles op aan, dat ge niet |147| een schijn-god voor dat Eeuwige Wezen aanziet. Dat ge niet denkt, dat Hij het is, en dat Hij het niet is. Dat ge u niet inbeeldt met Hem te doen te hebben, en dat ge slechts te doen hebt met een vrucht van uw eigen bedenking of verbeelding, o, Men gelooft het niet, maar de afgoderij gaat zoo veel verder dan men wel vermoedt.

Met dat woord afgoderij willen we niet hard zijn. Gemeenlijk toch verstaat de massa onder „afgod” slechts tweeŽrlei: 1º. een beeld van goud, zilver, steen of ijzer of hout, dat wordt aangebeden; 2º. een dierbaar, kostelijk iets, waaraan men op zondige wijze gehecht en verkleefd is.

En natuurlijk, in dien zin bedoelden we thans „afgod” niet, en willen het daarom wel „schijn-god” noemen; mits men maar wel verstaat, dat het eigenlijk geheel op hetzelfde neÍrkomt, en dat alle afgod een schijngod en alle schijngod een afgod is. Want of ik nu mijn afgod uitbeeld uit hout of goud, dan wel uitbeeld in mijn denken, en dus een denkbeeldigen God aanbidt, dit blijft in het wezen der zaak hetzelfde. Want de zaak is, dat ik mij inbeeld met God bezig te zijn, tot den Eeuwige te bidden, en met den Heilige te doen te hebben, en dat ik mij hierin toch bedrieg en totaal vergis, want dat ik den levenden God voorbij loop en het Eeuwige Wezen nog zelfs niet ken, en ik mij biddend of denkend bezig houd met een schijn-god, dien ik mij wel inbeeld, dat bestaat, maar die er in de wezenlijkheid niet is.

God leeft, God is er. Hij, de Heere, in de hemelen! Hij, de eeuwige God in zijn almachtigheid! En de zaak is nu maar, dat ge wezenlijk Hem, en niet een schijn of schim van uw gedachten, in zijn plaats, voor uw God aanziet, en wel wezenlijk met Hem in uwe ziel rekent. En nu zal die Eeuwige God, die weet wat maaksel ge zijt, en hoe ge nooit anders kunt dan stamelen, er u zeker de ziel niet om verarmen, zoo ge niet helder en niet zuiver rekenschap kunt geven, van wat ge in Hem vondt en hoe ge Hem kent. Maar dit eischt Hij toch van u, en immers naar zijn goddelijk recht, dat ge genoeg belang in zijn kennisse zult stellen, om uit de Schriftuur over Hem geleerd te willen zijn, en dat ge voorts nooit onder den schijn van Hem den kus der trouwe te geven, dien kus der liefde geven zult aan een ander.


En toch, in die zonde verviel vooral onze eeuw, en daardoor wierd ze in geheel haar ontwikkelingsgang weÍr Heidensch. Aan het gebruik van dit woord stoote zich niemand, en dat zal men ook niet doen, zoo men de Heidensche wereld eenigszins van naderbij kent. Niet enkel die zeer laag staande Heidensche wereld van Bataksche koppensnellers of Guineesche |148| menscheneters, of aanbidders van een Fetisch; want natuurlijk, dat doet de EuropeŽr van onze dagen niet. Maar er was dan ook alle eeuwen door nog een heel andere Heidensche wereld, die ge kunt leeren kennen uit de werken der Grieken en Romeinen, der Egyptenaren en BabyloniŽrs, der Chineezen en Buddhisten. En als ge daarin bladert, dan vindt ge heel iets anders. Dan is Plato soms verrukkelijk schoon, Cicero om mee te dwepen. Dan legt Kong-fut-se u stukken voor, die ge, in steen gegrift, voor ieders oog zoudt willen uitstallen, en in de heilige boeken der IndiŽrs ontmoet ge dan voorstellingen, die u verwonderd vragen doen, hoe men zoo diep en zoo sober in de diepte der dingen indrong. Zulke Heidenen leven er nu nog, in Engelsch-IndiŽ vooral, in Calcutta, in Benares, in Delhi. En hoe waar is het, dat deze nobele Heidenen eigenlijk precies zijn en waren als onze nobelste mannen, die buiten den Christus om redeneeren, dat bleek nog onlangs, toen er drie van zulke nobele, kundige talentvolle Heidenen naar Londen kwamen, die aan onze Darwinistische Modernen openlijk beleden, dat ze zůů ook Christenen waren, want dat ze bijna geheel zoo dachten als zij.

Zoo ziet men dus klaarlijk, dat de geheele Europeesche bevolking, die de belijdenis van den DrieŽenigen God prijsgaf, feitelijk in het Heidendom terugzonk. Immers er was alle eeuwen door drieŽrlei Heidendom: 1º. het Heidendom der ruwe massa die slechts uit was op genot en wild vermaak en met de afgoderij slechts in naam meedeed, of ze voor zingenot misbruikte; 2º. het Heidendom der eenvoudige, tot godsvrucht geneigde zielen, die in werkheiligheid liepen; en 3º. het Heidendom der kundige wijsgeeren, die zelven in al de santekraam der tempels slechts symbolen en speelgoed voor de massa zagen. En juist dat drieŽrlei Heidendom komt thans weer terug. Onder u de breede stroom der massa, die almeer verwildert en precies in onze Christelijke steden wordt, wat de massa eens in Rome was. Verre daarenboven eer, groep deugdzame en rechtschapen lieden, die zich afsloven in rechtschapenheid, en er de kerk even vormelijk bij nemen, als de deugdzame en rechtschapen burgers hun tempeldienst in het Heidensche Delhi. En dan in de achterhoede een geleerde klasse, een kleine zoom van wijsgeerig gevormde geesten, thans bijna allen Darwinisten, die leven in denkbeelden en ijveren voor idealen, die als twee druppelen water gelijken op wat eens philosofen van Zuid-ItaliŽ en Griekenland in Europa, en voorts in Voor-IndiŽ en Thibet beleden in AziŽ.


De belijdenis van den DrieŽenigen God trekt de grenslijn.

Heel het gebied waar deze belijdenis van Gods heilige Drievuldigheid |149| heerscht, is het Christelijk erf, besprengd door den heiligen Doop. Maar ook heel het gebied, waar deze belijdenis van Gods heilige Drievuldigheid wegviel of in schijn verliep, is het niet-Christelijke terrein, dat door Joden, Mahomedanen of Heidenen wordt ingenomen.

En dat dit waarlijk niet overdreven is, blijkt wel het best hieruit, dat men op allerlei wijs, op allerlei manier doet wat slechts even doenlijk is, om wat men dan noemt den Classieken geest weer te doen opleven. Dat doet men op de OverheidsgymnasiŽn. Dat doet men in allerlei geschriften. In allerlei historische romans. Dat doet men door allerlei pjaten. Daar legt men zich met de borst op toe. „Die schoone, verrukkelijk verleidelijke wereld van het oude Rome en Hellas moet terug getooverd!” Daar moeten onze jongelingen en onze ontwikkelde lieden meÍ leeren dwepen, en die stijve, dorre, onooglijke Christelijke levensvorm moet er met tak en wortel uit.

Zoo spreekt, zoo schrijft, zoo ijvert men. En toch, als een Christelijk godgeleerde dan de slotsom opmaakt: „Dus maakt gij ons land met voorbedachten rade weer Heidensch!”, dan ergert men zich en duidt hem dat euvel. En dat deels om een goede, maar ook deels om een zeer gevaarlijke reden. Die goede reden is, dat de overmachtige indruk van den Christelijken naam hun zelfs nu nog zoo schoon in de ooren klinkt, dat een zwakke stem in hun binnenste nůg maant: „Geef den Christen-naam niet prijs!” Maar ook is er een gevaarlijke reden, deze namelijk, dat de hoofdleiders, die uitnemend goed inzien, dat zij geheel en al met de Christelijke belijdenis gebroken hebben, toch dien naam nog behouden, omdat ze wel weten, dat ze onder heidensche vlag hun waar nog niet kunnen binnenloodsen.

De oogen der Christenen mogen dus wel opengaan, en die velen onder de Bedienaren des Woords, die in allerlei kringen half (zoo niet reeds meer dan half) met dezen levenstoon meÍgaan, mogen wel bedenken, hoe schriklijk hun verraad is aan de zake Gods gepleegd.

Want het is niet eens meer waar, dat de groote vraag van dezen tijd is: Voor of tegen den Christus. We zijn reeds verder, veel verder afgegleden, en de vraag wierd reeds in duizend kringen: Voor of tegen den levenden God!


Met name het Algodendom is de o, zoo bedenkelijke vorm, waarin deze vereering en aanbidding van den schijn-god nogmaals optrad.

Algodendom is een kunstwoord om uit te drukken wat de wijsgeeren met den kunstterm PantheÔsme noemen, en waarmeÍ op allerlei trappen en in allerlei graden een voorstelling wordt aangeduid die de volstrekte |150| grens tusschen den Schepper en het schepsel wegneemt, en onder allerlei naam en in allerlei vorm beide ineen laat vloeien.

De wondere naam van Jehovah, d.i. „de eeuwig en onveranderlijk Zijnde”, in wien geen wording noch verandering is; „Ik zal zijn die Ik zijn zal”, is het machtig en natuurlijk bolwerk door den Heere zelven in zijn Woord tegen het schriklijk gevaar, dat van dit PantheÔsme dreigt opgeworpen.

Hij, God, de Almachtige, is, Hij is die Hij was. Hij zal zijn die Hij is. In Hem wordt niets, verandert niets, wisselt niets, is geen overgang, en geen omzetting.

Alle schepsel daarentegen mist dit vaste, onveranderlijke zijn. Alle schepsel wordt, wisselt, verandert, ondergaat rustelooze wijziging, en is gestadig aan overgang en omzetting ter prooi.

Er ligt alzoo tusschen den Heere Heere, die eeuwig is, en zijn schepsel, dat hoe hoog ook, gestadig verandert, een klove, een scheiding, een grenslijn, en alle godsvrucht en alle aanbidding eischt, dat het menschenkind deze grenslijn stipt zal eerbiedigen.

Om nu recht duidelijk te doen uitkomen, dat er zulk een grens tusschen al wat goddelijk is en al wat menschelijk is bestaat, hebt ge slechts terug te gaan achter het begin van het heelal.

Toen er nog geen wereld, en geen zon en geen maan, maar ook geen hemel was, en er geen engelen waren, toen er niets was dan God. Hij alleen. Hij die zich zelf genoeg was. Hij van alle eeuwigheid eeuwiglijk de DrieŽenige God. Want als ge u dat indenkt, en dan u het oogenblik denkt waarop nu heel dit heelal, dat er eerst niet was, ontstond, dan vat en voelt ge opeens klaarlijk, dat die God heel iets anders dan die wereld is, en die Schepper heel iets anders dan dat schepsel.

En daarom, juist op dŠt punt viel het Algodendom of Pantheisme ons aan. Neen, een schepping in dien eigenlijken zin was er niet. De wereld was wel van lieverleÍ fijner en rijker gevormd, maar de stof er voor was er in eeuwigheid; die was nooit geschapen; maar was eeuwig als God. God kon, zoo leerde men, niet zonder zijn schepping zijn, Die hoorde bij Hem. Zonder die schepping ware Hij geen God.

En hiermeÍ is natuurlijk het schriklijk kwaad reeds ingeslagen. Want op die manier maakt men de wereld tot een onmisbaar aanhangsel van God, waar God niet buiten kan. En toen wierd het: gelijk mijn ziel mijn lichaam noodig heeft, om uit te komen, zoo is God eigenlijk de ziel van het Heelal, en het Heelal het lichaam van God.

En eenmaal op die lijn wierd het toen: „Gelijk bij een mensch het eerst ongevormde lichaam groeit en vorm erlangt, zoo ook ging het met |151| dit lichaam Gods; d.i. met ons heelal. Ook de wereld was eerst een ongevormde klomp. En toen kreeg ze allengs vorm!”

En al verder: „In een kind ontwikkelt zich niet enkel het lichaam van een aap tot een fijn gevormde gestalte, maar ook de ziel, ook de geest is eerst sluimerend, en komt eerst allengs uit. En zoo ook is niet alleen de wereld eerst van lieverleÍ schooner en rijker geworden, maar ook de wereldziel, d.i. God zelf allengs ontwikkeld en tot rijker bewustzijn gekomen.”

En toen vond men het opeens: „Zie dit is nu dat het Woord vleesch is geworden. In Christus wierd die wereldziel, d.i. God, zich zelven eerst helder bewust.”

Vreeslijk PantheÔsme!

Vreeslijk, omdat het onder den schoonsten en verleidelijksten vorm al het heilige aantast; alle waarheid vermoordt; en alle mysterie misbruikt om de zielen van den Christus af te trekken.

Het is zoo schoon, dit PantheÔsme; en juist, daarom, zoo ontzettend gevaarlijk.

En nu, het klinkt van honderden kansels reeds, van schier alle katheders. Treedt de Heere niet op, dan wordt heel de kerk er door verwoest.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001