Vierde hoofdstuk.

Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb.

Matth. 28 : 19.


De Catechismus, alsnu tot de bespreking van den inhoud van het geloof overgaande, vat dien saam in de dusgenaamde Twaalf Geloofsartikelen.

Al wat aan deze Geloofsartikelen voorafgaat, vormt in den Catechismus dan ook slechts een inleiding, om tot deze artikelen te komen, en de eigenlijke inhoud van den Catechismus, waaraan we nu toe zijn, bestaat dan ook niet uit een dogmatisch samenstel, maar uit een samenhangende behandeling van de Geloofsartikelen, de Sacramenten, de Wet en het Onze Vader.

De Geloofsartikelen loopen van Vraag 24 tot Vraag 59, de Sacramenten van Vraag 65 tot Vraag 86, de Wet van Vraag 86 tot Vraag 116 en het Gebed of het Onze Vader van Vraag 116 tot het slot.

De Catechismus doelt op de practijk. Het is niet voor geleerden maar voor huisvaders en hu)smoeders bestemd; voor jongelingen en jongedochters; voor scholen en huisgezinnen; voor den strijd in het leven en voor den laatsten strijd met den dood.

De Catechismus is voor de ziel in alle oogenblik, dat ze troost behoeft; in allen nood en angst; bij alle verlegenheid en ongerustheid; hij is het kompas voor het scheepke; de vaste hand die zachtkens leidt.

Vandaar dat de Catechismus wel op een eenvoudige leest moest geschoeid zijn, en in zijn keuze niet vrij was.

Voor een pelgrim op aarde zijn nu eenmaal deze vier: de Geloofsartikelen, |139| de Sacramenten, het Gebod en het Gebed, de vier dingen waar alle ziel mee te maken heeft; die elk Christen van noode heeft; waar ieder in Christus’ kerk van af weet; en die bijna allen eertijds van buiten kenden.

En opdat nu in de kerk de kennisse blijven zou, en men niet gedachteloos klanken na zou spreken, is van meet af in de kerk de behoefte gevoeld, om juist deze vier stukken aan alle leden der kerk uit te leggen. Ieder lid der kerk moest, hoe beknopt dan ook, weten te zeggen wat hij onder elk Geloofsartikel verstond; wat elk Sacrament bedoelde; wat de inhoud van elk Gebod was, en wat vervat was in elke bede van het Onze Vader.

En terwijl op die wijs deze vier stukken van het leven der kerk steeds opnieuw waren toegelicht en verduidelijkt, had dit dan tevens het gemak en het voordeel, dat men op die wijs, ongemerkt, in deze vier stukken een viervoudig snoer bezat, waarin alle deelen van den inhoud onzer Belijdenis op ongekunstelde wijze waren sa‚mgeregen.

Zal het goed zijn, dan zal men er dus weer op moeten aandringen, dat het onderzoek naar iemands Geloofsbelijdenis weer hoofdzakelijk loopen ga over de vraag, of hij weet wat de kerk in elk der Twaalf Artikelen belijdt, wat elk Sacrament bedoelt, wat elk Gebod inhoudt, en wat in elke Bede is vervat, en of hij, dit wetende, hierin met de Christelijke kerk overeenstemt.

Bijbelsche geschiedenis is ook uitmuntend, maar een jong man, die al de Richters op zijn duimpje kent en in de reizen van Paulus niet mist, geeft nog van niets blijk dan dat hij een sterk geheugen heeft; en zoo hij niet minstens even flink weet te antwoorden op de vragen over het Geloof en het Sacrament, het Gebod en het Gebed, moest men den toegang tot het heilig Avondmaal voor hem sluiten.


Wat nu de Geloofsartikelen aangaat, zoo merkt men aanstonds op, dat de Catechismus deze noemt: de Artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Christelijken geloofs.

Deze omschrijving toch is van het uiterste gewicht. Immers hier zit in, dat deze artikelen des geloofs niet de geloofsbelijdenis van deze of gene afdeeling der Christelijke kerk vormen, maar van de Christelijke kerk in het algemeen. Het is dan ook een feit, dat de Twaalf Geloofsartikelen den grondslag der belijdenis uitmaken zoowel bij de Gereformeerden als bij de Lutherschen, zoo bij de Roomschen als bij de Armeniërs en Grieken.

Heel de Christelijke kerk, zoover die op aarde, in al haar afdeelingen |140| en openbaringen, in hoe gebrekkigen en verminkten vorm ook bestaat, erkent toch deze Twaalf Geloofsartikelen als de somme des geloofs.

Gelijk we nog altoos één heiligen Doop met Roomschen en Grieken gemeen hebben, zoo hebben we ook nog altoos met hen gemeen één zelfde fundamenteele Belijdenis. Als het op de uitlegging van die Belijdenis aankomt, loopen we natuurlijk uit elkaar, evenals we dit op het stuk van den heiligen Doop doen, maar gelijk desniettemin onze kerken nog steeds den Doop in de Roomsche kerk toebediend als geldig beschouwen, zoo ook blijft deze belijdenis der Twaalf Geloofsartikelen de eenheid van Christus’ kerk op aarde afbeelden. En hoe zwak ook de draad zij die het leven veler kerken nog verbindt aan het geheel, en hoe zwaar en ondoorzichtig ook het deksel, waaronder de Christus gepredikt wordt, toch kan men niet op één punt zeggen, dat de laatste wortelvezel is losgemaakt, zoolang de Twaalf Geloofsartikelen nog beleden worden.

Kerken die ook dit opgeven en die, gelijk de Modernen ten onzent schier elk artikel van deze Apostolische Geloofsbelijdenis op zij werpen die ja, zijn vervallen van heur Heer en afgescheurd van den wortel. Maar tusschen de afgedoolde Christelijke kerken, die nog in den heiligen Doop deze Belijdenis behielden, blijft nog altoos met ons een dunne draad der gemeenschap over, al ware het ook slechts een rag.


En toch, hoe grif en gul we dit ook toegeven, en er zelfs nadruk op leggen, toch dient er omgekeerd ten ernstigste tegen gewaakt, dat we niet in de ongerijmde fout der Ethischen vervallen, om deze Twaalf Artikelen te gaan uitspelen tegen de breeder Confessie onzer gezuiverde kerken.

Van dit streven merkte men ook ten onzent. Meer dan eens is van Ethische zijde, tot op hun predikantenvergaderingen toe, voorgesteld, om de Apostolische Belijdenis weer tot standaard en banier te verheffen, en het Symbolum Apostolicum als grondslag van kerkgemeenschap te kiezen.

Van eigen vinding was dit plan niet. Het was, evenals al hetgeen de Ethischen ten onzent voortbrachten, slechts flauwe kopie van hetgeen de Vermittelungstheologen in Duitschland reeds lang tevoren op veel degelijker wijze hadden nagejaagd en uiteengezet.

Van Calixtus’ dagen af dagteekent dat streven dan ook, en het is uit de humanistische school van Lessing dat het wachtwoord uitging, om den scheidsmuur tusschen de Roomsche en Protestantsche kerken af te breken, en alles saam te doen smelten in een vaag belijnde kerk, wier symbool dan het „Apostolisch Geloove” zou zijn.

En dit nu moet natuurlijk met kracht te keer gegaan. Stel, kinderen |141| van één gezin hebben in jonger jaren thuis aan één tafel gezeten en naar den aard hunner jeugd sa‚m hun eigen manier van leven en denken gehad. Maar sinds zijn ze opgegroeid, gehuwd, in allerlei onderscheiden levensbetrekking gekomen, en heeft elk hunner de denkbeelden der jeugd, waarover ze het sa‚m eens waren, op eigen manier, de één zuiverder, de andere min zuiver ontwikkeld. Maar wat zoudt ge nu zeggen van den onnoozele, die op later tijd deze broeders en zusters ontmoetende, hun den voorslag deed, om terug te keeren naar de denkbeelden van hun kinderleeftijd, waarin ze het eertijds eens waren.

Dit zou immers niet kunnen! En daarom kan dit ook hier niet. Hier toch zou het neerkomen op een wegscheuren uit ons geschiedboek van de geschiedenis van vijftien eeuwen. Dit zou, stel dat het kon, er eenvoudig toe leiden, dat dezelfde strijd van eertijds opnieuw begon, en dat dezelfde breuke zich nu nog scherper openbaarde.

En niet alleen dat zulk een voorslag onhistorisch en doelloos is, maar hij is ook beleedigend voor onze martelaren en doet tekort aan de eere onzes Gods.

Of waarvoor anders leden en stierven onze martelaren, dan juist voor de belijdenis, die Rome’s opvatting van de heilige Geloofsartikelen bestrijdt, en de zuiverder uitlegging er van aanprijst? En wat houding zou het dan hebben, om te zeggen: Laat ons nu die bagatellen maar in de assche begraven, want eigenlijk toch stierven onze martelaren voor niets.

Neen, dan hebben onze geloofshelden iets beters aan ons verdiend.

En wat we het laatste noemden, omdat het ’t allerergste is, heel deze Ethische voorstelling randt de eere onzes Gods aan. Ze wierd toch geboren uit de onware overtuiging, dat de kerk eigenlijk niet op de Heilige Schrift rust, maar op de traditioneele Belijdenis, en die traditioneele Belijdenis nu waande men in de Twaalf Artikelen gevonden te hebben.


Het stuk zelf, dat we gemeenlijk de Twaalf Geloofsartikelen noemen, is, naar men veilig aan mag nemen, nooit onder de oogen der Apostelen geweest, en het verhaal, alsof de heilige Apostelen, eer ze de wereld ingingen, elk één artikel hadden opgesteld, en deze twaalf artikelen tot de nu bekende Belijdenis hadden saamgevoegd, is, blijkens de stukken die het tegendeel bewijzen, verzonnen. Waarschijnlijk is het Apostolicum gelijk het daar ligt, zelfs niet meer dan twaalfhonderd jaren oud.

Toch verplicht ons dit volstrekt niet, om de bijvoeging „Apostolische Geloofsbelijdenis” voortaan weg te laten. Want al ontvingen deze artikelen pas zoo laat dien voltooiden vorm, waarin wij ze thans kennen, toch is de zaadkorrel waaruit deze artikelen rijpten, wel terdege reeds in de |142| dagen der Apostelen en door hun toedoen, tot een voorloopige ontwikkeling gekomen, die al wat er later uit groeide, bepaald heeft.

De zaadkorrel zelven strooide de Heere zelf in de aarde, toen Hij zijn heiligen Apostelen beval te doopen „in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes”; en reeds in de dagen der Apostelen schoot uit die zaadkorrel de drievoudige belijdenis van een: „Ik geloof in God den Vader, en in Jezus Christus zijn eengeboren Zoon, en ik geloof in den Heiligen Geest” — op. Ja meer nog. Reeds uit de alleroudste tijden der Christelijke kerk zijn allerlei overblijfselen tot ons gekomen van uitbreidingen op dit ééne thema, die in deze en gene kerk bij de toelating tot het heilige Avondmaal gebruikt wierden. En uit deze overblijfselen blijkt het ten duidelijkste, dat reeds zeer, zeer vroeg de gewoonte in zwang kwam, om elk van deze drie artikelen eenigszins breed te nemen.

Voegt men hier nu bij, dat de latere uitbreiding, die na hun dood gestadig voortging, geheel in den geest van hun woord en predikatie plaats greep, en als het ware slechts een boeken in het kerkregister was van wat de Apostelen bij hun leven zelven aan de kerk inprentten door hun levend woord, dan gevoelt men, met wat volkomen recht, de naam van Apostolische Geloofsbelijdenis gegeven wordt aan een reeks artikelen die begonnen is door de Apostelen zelven ontwikkeld te worden, en die bij verderen wasdom, geheel in hun geest, slechts het summier van hun prediking weergaf.

En we aarzelen dan ook niet, om met heel de kerk der Christenheid te belijden, dat dit Apostolisch Symbool, ontkiemd uit de door den Heere zelven In deze Doopsformule gegeven belijdenis van den Drieëenige, een echo tot ons brengt van dien hoofdinhoud des Christelijken Geloofs, die nog steeds door de heilige Apostelen onder de Christenheid wordt uitgeroepen.


De indeeling der Geloofsartikelen gaat in drie hoofdgroepen, gelijk nader in de Achtste Zondagsafdeeling wordt toegelicht. Het is en blijft een belijdenis van den Vader, en den Zoon, en den Heiligen Geest. Zoo zelfs, dat Luther in zijn Catechismus er niet twaalf, maar slechts drie artikelen van maakt; bijna niemand in onze kerk zich de moeite geeft om de twaalf artikelen in zijn gedachten te splitsen; en ook onze Catechismus bij de uitlegging meer dan één artikel opnieuw indeelt en andere in ééne Zondagsafdeeling saamvoegt.

Aan de indeeling in twaalf hechte men dus niet te veel. Zelfs is ze eenigszins zwevend, en niet in het leven der kerk doorgedrongen. |143| Voorzoover men ze echter vasthoudt, is ze zeer ongelijkmatig uitgevallen, en geeft ze voor de eerste groep van den Vader slechts één artikel; voor de tweede groep van den Zoon daarentegen zeven artikelen; en dan nog vier voor de laatste groep van den Heiligen Geest. Ongetwijfeld speelt hier symbolische rhythmus in. Een is het getal van het ongebroken goddelijke, de Fontein aller goeden, het ongedeelde en alomvattende leven. Zeven is het heilig cijfer van het genadeverbond. En vier is de aanduiding van de wereld, in wier leven de Heilige Geest indringt.

Doch hoe zinrijk deze rhythmus ook zij, men hechte hier niet aan, alsof er ook maar iets bijgeloovigs in stak. Het beantwoordt aan een behoefte van onze natuur om maat en slag in de tonenwereld te hooren. Die behoefte is ons ingeschapen. En zoo is er ook een behoefte, om rhythmus in het heilige te zoeken. Vandaar dat allerwegen in de Heilige Schrift de heilige cijfers, drie, zeven en twaalf voorkomen, en dat het ongetwijfeld door dien drang des Christelijken levens kwam, dat ook onze Geloofsartikelen dit twaalfvoudig karakter aan zich dragen.

Niet bijgeval waren er slechts twaalf zonen Jacobs en twaalf stammen Israëls, en koos Jezus juist twaalf jongeren uit, en loopt twaalf malen in elk jaar de maan om de zon. Immers de Heere zelf heeft dit twaalftal in de hemelen bevestigd, door te gewagen van twaalf tronen in den hemel, en twaalf poorten in het Nieuwe Jeruzalem, en van twaalf legioenen van engelen.

En al ontkenden we dus, dat er twaalf geloofsartikelen zijn, omdat elk Apostel één artikel zou hebben geleverd, toch erkennen we gaarne dat er samenhang bestaat tusschen het twaalfvoud der Apostelen en het twaalfvoud van onze Artikelen.

Slechts stellen we er prijs op te doen uitkomen, dat dit verband niet werktuiglijk, maar organisch is.

Het is namelijk ééne zelfde hoogere levenswet, die naar Gods heilig bestel dit twaalfvoud inschiep in heel de Heilsbedeeling, en die evenzoo den rhythmus van het twaalfvoud inbracht in de Belijdenis der Christelijke kerk.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001